< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Omvang van het geding. CIZ behoort naar aanleiding van een aanvraag om indicatie voor een zorgfunctie de zorgbehoefte op grond van de AWBZ integraal te beoordelen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen oordeel gegeven over het beroep tegen het besluit van 9 juli 2007, voor zover dit betreft de huishoudelijke verzorging. Er is geen aanleiding tot twijfel aan de adviezen inzake de activerende begeleiding en de huishoudelijke verzorging.

Uitspraak



08/3259 AWBZ

09/5639 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 april 2008, 07/5960 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de stichting Centrum indicatiestelling zorg (hierna: CIZ)

Datum uitspraak: 29 september 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2010. Voor appellant is verschenen mr. Tijhuis. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater en mr. I.C.J.G. van Maris, beiden werkzaam bij CIZ.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant staat onder behandeling van GGZ-instelling Dijk en Duin te Purmerend (hierna: Dijk en Duin).

1.2. In het kader van zijn voornemen om te verhuizen naar een zelfstandige woonruimte, heeft appellant op 21 september 2004 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) verzocht om een indicatie voor diverse soorten zorg, te verlenen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij besluit van 24 december 2004 heeft CIZ dit verzoek afgewezen.

1.3. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 24 december 2004 ingediende bezwaar heeft een herindicatie plaatsgevonden, op grond waarvan appellant bij het besluit van

7 juni 2005 is geïndiceerd voor:

- ondersteunende begeleiding, klasse 3 (4 - 6,9 uur), voor de periode van 7 juni 2005 tot

7 juni 2008;

- activerende begeleiding, klasse 2 (2 - 3,9 uur), voor de periode van 7 juni 2005 tot 7 juni 2006.

1.4. Appellant heeft op 6 juni 2006 om een indicatie voor activerende begeleiding verzocht. Ter toelichting op zijn aanvraag heeft appellant aanvullende informatie overgelegd van dr. G.T.H.J. Holterbosch van 26 juli 2006 en 1 augustus 2006.

1.5. Bij besluit van 27 oktober 2006 heeft CIZ appellant geïndiceerd voor:

- ondersteunende begeleiding algemeen, klasse 3 (4 - 6,9 uur), voor de periode van 8 juni 2006 tot 8 juni 2008;

- activerende begeleiding algemeen, klasse 1 (0 - 1,9 uur), voor de periode van 8 juni 2006 tot 8 juni 2007.

1.6. Namens appellant heeft mr. J.W.F. Menick bezwaar gemaakt tegen het besluit van

27 oktober 2006. Appellant heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de indicatie voor de functie activerende begeleiding ten onrechte is teruggebracht naar klasse 1. Zonder adequate begeleiding is hij niet in staat zijn huishouding te verzorgen. Appellant heeft vervolgens op 22 december 2006 verzocht om een indicatie voor huishoudelijke verzorging.

1.7. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft B.W. Evertse, sociaal-medisch adviseur, een onderzoek ingesteld. Zij heeft bij brief van 4 april 2007 informatie opgevraagd bij Dijk en Duin, ter attentie van de behandelend psychiater. Bij brief van 13 april 2007 heeft dr. A. Vlaszaty verklaard dat appellant bij de afdeling Volwassen van Dijk en Duin in behandeling is. In reactie op de gestelde vragen heeft hij voorgesteld de nadruk op de geïndiceerde ondersteunende begeleiding te leggen, gezien de prognose van de bij appellant vastgestelde aandoening. Hij heeft daarbij opgemerkt dat structurele verbetering in de symptomen bij deze patiënt niet valt te verwachten. Namens appellant is ingezonden een behandelplan d.d. 6 februari 2007, opgesteld door A. Vlug, in hoedanigheid van begeleider van appellant. Bij rapportage van 24 april 2007 heeft Evertse geconcludeerd dat, gezien de prognose en de tot op heden behaalde zeer matige resultaten, verdere inzet van activerende begeleiding naast behandeling in de GGZ niet zinvol is. Voorts heeft Evertse gerapporteerd dat appellant fysiek in staat moet worden geacht alle voorkomende huishoudelijke taken te verrichten. Zij heeft daarbij opgemerkt dat het noodzakelijk is dat appellant ten aanzien van zijn huishouden gestimuleerd wordt en structuur krijgt aangeboden.

2. Bij besluit van 9 juli 2007 heeft CIZ, onder verwijzing naar de rapportage van Evertse van 24 april 2007, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2006 ongegrond verklaard. CIZ heeft daarbij opgemerkt dat bij nader onderzoek is gebleken dat feitelijk geen recht bestaat op activerende begeleiding ter voorkoming van een verslechtering van de positie van appellant wordt de bij besluit van 27 oktober 2006 gestelde indicatie voor de functie activerende begeleiding gehandhaafd.

3. Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft CIZ appellant voor de periode van 7 augustus 2007 tot 8 juni 2008 geïndiceerd voor de functies:

- ondersteunende begeleiding algemeen, klasse 3 (4 - 6,9 uur);

- ondersteunende begeleiding dag, voor twee dagdelen per week.

Ter toelichting heeft CIZ opgemerkt dat de ondersteunende begeleiding dag is bedoeld om dreigende eenzaamheid te voorkomen, structuur te brengen in het dagelijks leven en om een zinvolle invulling van uw dag te creëren. In overleg met GGZ Dijk en Duin zijn twee dagdelen geïndiceerd.

4.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 9 juli 2007, in zoverre daarin een standpunt over de huishoudelijke verzorging is neergelegd, moet worden aangemerkt als een primair besluit en dat het beroep tegen het besluit van 9 juli 2007, voor zover dat betrekking heeft op de huishoudelijke verzorging, op grond van artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ter behandeling als bezwaar naar CIZ wordt doorgezonden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat CIZ de indicatie voor de functie activerende begeleiding terecht heeft bepaald op klasse 1, omdat geen structurele verbetering van de bestaande beperkingen meer kan worden verwacht. De rechtbank heeft met name acht geslagen op het feit dat er inlichtingen zijn ingewonnen bij de behandelend arts van appellant. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

4.2. Bij besluit van 15 september 2008 heeft CIZ, onder verwijzing naar de procedure in beroep bij de rechtbank tegen het besluit van 9 juli 2007, een beslissing genomen op het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2007 voor zover de rechtbank dat als primair besluit heeft aangemerkt. CIZ heeft zich in verband met het overgangsrecht van de Wet maatschappelijke ondersteuning onbevoegd geacht op dit bezwaar te beslissen.

4.3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer naar voren gebracht dat het in beroep bestreden besluit strijdig is met het eveneens door CIZ genomen besluit van 15 augustus 2007. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat CIZ het in beroep bestreden besluit mede heeft doen steunen op een verklaring van de hem onbekende psychiater Vlaszaty.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Omvang van het geding

5.1.1. Ambtshalve oordeelt de Raad allereerst dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 9 juli 2007, voor zover dit betreft de functie huishoudelijke verzorging, heeft aangemerkt als een primair besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen de in het Besluit zorgaanspraken AWBZ bedoelde zorgfuncties weliswaar van elkaar worden onderscheiden, maar zijn ze onlosmakelijk met elkaar verbonden. De Raad verwijst naar de uitspraak van 28 november 2007, LJN BB9311. Nu een indicatiebesluit een en ondeelbaar moet worden geacht, behoort CIZ naar aanleiding van een aanvraag om indicatie voor een zorgfunctie de zorgbehoefte op grond van de AWBZ integraal te beoordelen. De omstandigheid dat appellant de zorgfunctie huishoudelijke verzorging in de aanvraag van 6 juni 2006, waarin alleen de functie activerende begeleiding is aangekruist, niet met zoveel woorden heeft genoemd, staat daaraan niet in de weg. De Raad begrijpt het besluit van 27 oktober 2006 om die reden mede als een afwijzing van de aanvraag om een indicatie voor de functie huishoudelijke verzorging en het besluit van 9 juli 2007 mede als een handhaving van die afwijzing. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen oordeel gegeven over het beroep tegen het besluit van 9 juli 2007, voor zover dit betreft de huishoudelijke verzorging. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Ook het besluit van 15 september 2008 dient te worden vernietigd.

5.1.2. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 9 juli 2007 beoordelen, ook voor zover dit besluit betrekking heeft op de functie huishoudelijke verzorging.

Wettelijk kader

5.2.1. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

5.2.2. Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ , slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

5.2.3. Ingevolge artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ onder meer aangewezen de zorg, bedoeld in de artikelen 3, 6 en 7 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna: Besluit).

5.2.4. Op grond van artikel 3 van het Besluit omvat huishoudelijke verzorging het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde dan wel van de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort, te verlenen door een instelling.

5.2.5. Ingevolge artikel 6 van het Besluit wordt onder ondersteunende begeleiding, kort gezegd, verstaan ondersteunende activiteiten in verband met een aandoening, beperking, handicap of een psychosociaal probleem, gericht op bevordering of behoud van zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van de verzekerde in de samenleving. Blijkens de toelichting bij deze bepaling gaat het om activiteiten die de verzekerde ondersteunen bij zijn dagindeling en zijn participatie in de maatschappij bevorderen.

5.2.6. Activerende begeleiding is ingevolge artikel 7 van het Besluit gericht op herstel of voorkomen van verergering van gedrags- of psychische problematiek of het omgaan met de gevolgen van een aandoening, beperking of een handicap. Blijkens de toelichting bij deze bepaling wordt de verzekerde met activerende begeleiding geleerd om te gaan met de (gevolgen van de) aandoening, beperking of handicap.

5.3.1. Artikel 2, tweede (voorheen: derde) lid, van het Besluit bepaalt dat de aanspraak op zorg slechts bestaat voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

Activerende begeleiding

5.4.1. De Raad ziet op basis van de niet nader toegelichte stelling van appellant dat dr. A. Vlaszaty bij hem onbekend is geen aanleiding om aan te nemen dat geen betekenis kan worden gehecht aan de verklaring van dr. Vlaszaty. Dat appellant onbekend is met dr. Vlaszaty brengt naar het oordeel van de Raad niet mee dat deze arts, die werkzaam is op de afdeling waar appellant onder behandeling is, niet gezaghebbend zou kunnen verklaren over de gezondheidssituatie van appellant.

5.4.2. Voorts ziet de Raad geen aanleiding tot twijfel aan het advies van sociaal-medisch adviseur Evertse. De Raad merkt daarbij nog op dat de conclusie van Evertse dat verdere inzet van activerende begeleiding niet zinvol is niet enkel berust op de verklaring van dr. Vlaszaty, maar tevens steun vindt in de overige op de gezondheidssituatie van appellant betrekking hebbende gedingstukken. Voorts stelt de Raad vast dat appellant geen andersluidende informatie heeft overgelegd. Met CIZ is de Raad van oordeel dat in verband met de afwezigheid van de mogelijkheid om structurele verbeteringen te bewerkstelligen de inzet van de functie activerende begeleiding in de situatie van appellant niet doelmatig is.

Huishoudelijke verzorging

5.5. Ook waar het betreft de huishoudelijke verzorging ziet de Raad geen aanleiding tot twijfel aan het advies van sociaal-medisch adviseur Evertse. Met CIZ is de Raad dan ook van oordeel dat appellant op basis van de gestelde indicatie voor ondersteunende begeleiding, in combinatie met de door Dijk en Duin geboden behandeling, niet is aangewezen op een indicatie voor de functie huishoudelijke verzorging.

Slotoverwegingen

5.6. Uit het overwogene onder 5.1.1 en 5.1.2 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, alsmede het besluit van 19 september 2008, voor vernietiging in aanmerking komen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, dient het beroep tegen het besluit van 9 juli 2007, zowel waar het betreft de activerende begeleiding als de huishoudelijke verzorging, ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Vernietigt het besluit van 15 september 2008;

Bepaalt dat CIZ aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en H.J. de Mooij en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2010.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) J. Waasdorp.

IJ


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature