< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Terugvordering van aan zelfstandige in de vorm van renteloze lening verleende bijstand voor levensonderhoud wegens niet behoorlijk nakomen van uit de geldlening voortvloeiende inlichtingenverplichting. Als niet specifiek om inlichtingen en gegevens is verzocht kan niet op deze grond worden teruggevorderd. Aan na het primaire besluit verstrekte gegevens komt geen betekenis toe. Terugvordering van bedrijfskrediet kan niet worden gegrond op art. 47 van het Bbz 2004, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang.

Uitspraak



08/2391 WWB

10/3968 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 maart 2008, 07/1006 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten is door mr. L.C.A.M Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2010. Voor appellanten is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.G. Kubben, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft het koeriersbedrijf “[naam bedrijf]” geëxploiteerd. Deze eenmanszaak stond bij de Kamer van Koophandel ingeschreven van 29 augustus 2002 tot 1 november 2004. Bij besluit van 24 september 2002 is aan appellanten op grond van de Algemene bijstandswet en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) over de periode van 1 september 2002 tot en met 28 februari 2003 bijstand voor levensonderhoud in de vorm van een renteloze geldlening toegekend in afwachting van de definitieve vaststelling van de bijstand na afloop van het boekjaar. Bij datzelfde besluit is aan appellanten bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende geldlening tot een bedrag van € 15.800,-- toegekend. Bij besluit van 26 november 2003 heeft het College de periodieke uitkering voor levensonderhoud op de oude voet voortgezet voor de periode van 1 maart 2003 tot en met 29 februari 2004. Bij dat besluit is tevens een aanvullend bedrijfskrediet van € 5.000,-- verstrekt. Aansluitend is aan appellanten over de periode van 1 maart 2004 tot en met 31 oktober 2004 een zogeheten stopperuitkering verstrekt naar de norm voor gehuwden in de vorm van een renteloze lening.

1.2. Bij brief van 14 september 2006 heeft het College in verband met de definitieve vaststelling van de Bbz-uitkering over het jaar 2002 aan appellanten verzocht uiterlijk op 12 oktober 2006 een aantal concreet aangeduide gegevens over te leggen. Daarbij is aangegeven dat als deze gegevens niet tijdig zijn aangeleverd de Bbz-uitkering niet definitief kan worden vastgesteld en deze uitkering volledig zal worden teruggevorderd. Op 13 oktober 2006 is eenzelfde herhalingsbrief verzonden met het verzoek de gegevens uiterlijk op 27 oktober 2006 over te leggen.

1.3. Bij besluit van 4 december 2006 heeft het College de over de periode 2002-2004 verleende bijstand voor levensonderhoud tot een bedrag van € 23.024,96 en het verstrekte bedrijfskrediet tot een bedrag van € 26.226,89 van appellanten teruggevorderd op de grond dat op de eerdere brieven van 14 september 2006 en 13 oktober 2006 door hen niet is gereageerd.

1.4. Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het College het tegen het besluit van 4 december 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is, kort gezegd, onder aanhaling van de artikelen 38 en 47 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) overwogen dat appellanten door niet tijdig de gevraagde gegevens over te leggen in strijd met de op hen rustende verplichtingen hebben gehandeld, dat het niet reageren voor hun rekening en risico moet worden gelaten, dat aan gegevens die na het primaire besluit zijn overgelegd geen betekenis toekomt en dat niet is gebleken dat zij buiten staat waren de verlangde inlichtingen binnen de gestelde termijn te verstrekken.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De terugvordering van de uitkering voor levensonderhoud

4.1.1. De Raad stelt allereerst vast dat aan appellanten bij brieven van 14 september 2006 en 13 oktober 2006 is verzocht over 2002 de nodige gegevens te verstrekken om tot een definitieve vaststelling van de bijstand te komen. Door hier geen gevolg aan te geven zijn appellanten in gebreke gebleven de nodige inlichtingen te verstrekken, hetgeen als het niet of niet behoorlijk nakomen van de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen kan worden aangemerkt. Het College was dan ook gerechtigd en gehouden met toepassing van artikel 47 van het Bbz 2004 de bijstand over 2002 van appellanten terug te vorderen. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 21 november 2006, LJN AZ2938, komt aan inlichtingen of gegevens die in dit kader na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt in beginsel geen betekenis toe. Van omstandigheden die een afwijking van dat uitgangspunt rechtvaardigen is de Raad niet gebleken.

4.1.2. Voor de jaren 2003 en 2004 ligt dit anders. Blijkens de gedingstukken is door het College over die jaren niet specifiek om inlichtingen en gegevens verzocht om tot een definitieve vaststelling van de bijstand over die jaren over te kunnen gaan. Evenmin is aan het niet verstrekken van die gegevens de dreiging van terugvordering van de volledige verstrekte bijstand verbonden. De Raad is van oordeel dat het College niet zonder een specifiek verzoek - ook met betrekking tot de jaren 2003 en 2004 - tot terugvordering van de volledige kosten van bijstand over die jaren had mogen overgaan. Nu ten aanzien van 2003 en 2004 niet dezelfde procedure als ten aanzien van 2002 is gevolgd is dat besluit niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid en genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 29 mei 2007 voor zover dat ziet op de terugvordering van de Bbz-uitkering voor levensonderhoud over 2003 en 2004 vernietigen. Het College dient ter zake een nieuw besluit op bezwaar te nemen en daarbij nadrukkelijk te betrekken dat, blijkens de overgelegde bescheiden, de Belastingdienst inmiddels heeft bepaald dat appellanten over 2003 en 2004 een negatief inkomen hebben genoten.

4.2. De terugvordering van het bedrijfskrediet

4.2.1. Uit de gedingstukken en de gegeven toelichting ter zitting van de Raad kan de Raad niet anders dan concluderen dat het College, en de rechtbank in navolging daarvan, artikel 47 van het Bbz - zoals dat luidde ten tijde in geding - een toereikende grondslag hebben geacht voor terugvordering van het verstrekte bedrijfskapitaal.

4.2.2. De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen. In artikel 47 van het Bbz 2004, gelezen in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004, zoals deze bepaling ten tijde in geding luidde, is immers de terugvordering van bedrijfskapitaal nadrukkelijk uitgezonderd. De Raad ziet dit bevestigd in de Nota van Toelichting van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het Besluit van 12 november 2008, houdende wijziging van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen in verband met aanpassing van de voorwaarden voor terugvordering (Staatsblad 2008, 480 pag. 4, onderdeel D): “Het is momenteel niet mogelijk om bijstand die verleend is ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal terug te vorderen. Om deze lacune op te heffen wordt in artikel 47 de uitzondering die gold voor bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal als bedoeld in artikel 2, tweede lid, geschrapt. Als gevolg van de ze wijziging kunnen ook de kosten van bijstand, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004, worden teruggevorderd indien de zelfstandige de uit deze bijstand- verlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. Indien de zelfstandige de rente- en aflossingsverplichtingen niet is nagekomen dan geldt hetgeen is geregeld in de artikelen 40 en 41. ”

4.2.3. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 29 mei 2007, voor zover dat ziet op de terugvordering van het verstrekte bedrijfskapitaal vernietigen. Gelet hierop en het feit dat de beoordeling van de terugvordering van het bedrijfskapitaal niet geheel los kan worden gezien van de terugvordering van de Bbz-uitkering voor levensonderhoud (en de in dat kader nader bekend geworden gegevens) zal de Raad het College voorts opdragen ter zake een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 mei 2007, behoudens voor zover dit ziet op de terugvordering van kosten van leenbijstand voor levensonderhoud over 2002;

Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 966,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

IJ


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature