< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het college ingestemd met het door Philips Environment & Safety (hierna: Philips) ingediende saneringsplan voor het voormalig Philips complex aan de Zevenheuvelenweg te Tilburg.

Uitspraak



200910345/1/M2.

Datum uitspraak: 29 september 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid I.F.F. Nederland B.V. (hierna: IFF), gevestigd te Tilburg,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft het college ingestemd met het door Philips Environment & Safety (hierna: Philips) ingediende saneringsplan voor het voormalig Philips complex aan de Zevenheuvelenweg te Tilburg.

Bij besluit van 24 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft het college het door IFF hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft IFF bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 februari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

IFF heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2010, waar IFF, vertegenwoordigd door mr. W.G.B. van de Ven, advocaat te 's-Hertogenbosch, en mr. J.H.M. van Noorden en ing . G.J.M. Maasen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Verhees, ing. R.M.J. Sonneveldt en ing. P. Jansen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Philips, vertegenwoordigd door J. Huurman, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voert degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, voor zover hier van belang, behoeft het saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

Ingevolge artikel 88, eerste en achtste lid, van de Wet bodembescherming en artikel 1 van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming, in samenhang bezien, wordt de gemeente Tilburg gelijkgesteld met een provincie voor de toepassing van onder meer artikel 39 van de Wet bodembescherming .

2.2. IFF voert aan dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld of aan artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming wordt voldaan. In dit verband stelt zij dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met toekomstige plannen voor haar perceel. Dat deze plannen nog niet concreet zijn, doet daaraan niet af, aldus IFF.

2.2.1. IFF stelt dat zij voornemens is in de toekomst warmte- en koudeopslag toe te passen. Onduidelijk is echter wanneer en in welke vorm dit gaat gebeuren. Gelet hierop waren naar het oordeel van de Afdeling de plannen van IFF ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet zodanig concreet dat het college met eventuele gevolgen daarvan in de besluitvorming rekening moest houden.

2.2.2. Hieruit volgt dat bij de beoordeling van het saneringsplan slechts rekening hoeft te worden gehouden met het huidige gebruik en het concrete toekomstige gebruik dat gelijk is aan het huidige gebruik. Uit het besluit van het college van 7 december 2006 tot vaststelling van de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering volgt dat de verontreiniging een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft waarvan spoedige sanering noodzakelijk is wegens de onaanvaardbare risico's van verspreiding van de verontreiniging. De aanwezige verontreiniging vormt, uitgaande van het huidige en toekomstige gebruik, blijkens voornoemd besluit geen risico voor mens, plant of dier. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer wordt voldaan. De beroepsgrond faalt.

2.3. IFF stelt dat in het saneringsplan ten onrechte geen saneringsdoelstelling is gesteld voor de vaste verontreiniging. Voorts stelt zij dat het saneringsplan ten onrechte geen betrekking heeft op haar perceel.

2.3.1. Het saneringsplan ziet op een mobiele verontreiniging met een verspreidingsrisico. Het doel van de sanering is om dit verspreidingsrisico weg te nemen door een stabiele eindsituatie te bewerkstelligen. Om dit te bereiken is een sanering van de vaste verontreiniging nodig om de nalevering op de verontreinigingspluim te beëindigen. Het saneren van de vaste verontreiniging is dus geen doel op zich maar een middel om de mobiele verontreiniging aan te pakken. Er bestaat daarom geen noodzaak om een aparte saneringsdoelstelling voor de vaste verontreiniging in het saneringsplan op te nemen. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.3.2. De stelling van IFF dat het saneringsplan niet op haar perceel ziet, mist feitelijke grondslag. Uit het saneringsplan blijkt dat de verontreinigingskern deels op het perceel van IFF ligt en dat het saneringsplan eveneens betrekking heeft op deze verontreiniging. De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

2.4. IFF voert aan dat in het saneringsplan ten onrechte geen overzicht is opgenomen van de beoogde tussentijdse effecten en de tijdstippen waarop het college daarover geïnformeerd moet worden. Evenmin zijn concrete terugvalscenario's opgenomen, aldus IFF.

2.4.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet bodembescherming , voor zover hier van belang, houdt een saneringsplan, indien de verontreiniging zich kan verspreiden en de saneringsmaatregelen zich uitstrekken over een periode van drie jaar of meer, in ieder geval in:

1o een overzicht van de tussentijdse beoogde effecten, en de tijdstippen waarop gedeputeerde staten schriftelijk worden geïnformeerd omtrent de effecten van de getroffen maatregelen en in hoeverre deze overeenstemmen met de beoogde effecten;

2o een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten, bedoeld onder b, te bereiken, voor het geval de in het saneringsplan opgenomen methode niet tot die effecten zou leiden.

2.4.2. In het saneringsplan is opgenomen dat de saneerder bepaalde documenten, zoals een kwaliteitsplan, aan het college moet overleggen. Daarin moet onder meer worden opgenomen welke ijkmomenten wanneer zullen plaatsvinden. In het saneringsplan zijn geen specifieke tijdstippen opgenomen waarop het college zal worden geïnformeerd over de effecten van de getroffen maatregelen. De Afdeling is van oordeel dat er onvoldoende concrete beslis- en ijkmomenten in het saneringsplan zijn opgenomen. Eerst nadat de in het saneringsplan genoemde documenten zijn overgelegd, wordt inzichtelijk op welke tijdstippen het college kan worden geïnformeerd over de effecten van de getroffen maatregelen. Bovendien zijn geen concrete tussentijds beoogde effecten opgenomen die op de hiervoor bedoelde tijdstippen moeten worden aangetoond. Het saneringsplan voldoet in zoverre dan ook niet aan de in artikel 39, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet bodembescherming gestelde eisen.

2.4.3. In het saneringsplan zijn verschillende faalcenario's en bijbehorende maatregelen omschreven voor het geval de beoogde sanering niet het gewenste effect heeft. Wanneer deze faalscenario's zich voordoen is echter onvoldoende concreet weergegeven in het saneringsplan. Er zijn geen concrete maatstaven opgenomen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een faalscenario zich voordoet en teruggegrepen moet worden op een van de opgenomen terugvalscenario's (faalmaatregelen).

Bovendien is voor het geplande bioscherm geen alternatief opgenomen. Het doel van het bioscherm is om de afbraak van de verontreinigingspluim te bevorderen, omdat er blijkens het saneringsplan niet of nauwelijks biologische afbraak in de pluim optreedt. Om de werking van het bioscherm te verzekeren is volgens het saneringsplan een pilotproef nodig om te onderzoeken wat de afbraakpotentie ter plaatse van de verontreiniging is. De pilotproef dient tevens ter vaststelling van de uitvoeringsvorm van het bioscherm. Het uitvoeren van de pilotproef is echter afhankelijk gesteld van de uitkomst van de eerste monitoringronde. Indien daaruit blijkt dat er geen stabiele situatie in de grondwaterpluim heerst en de doelwaarden van de pilotproef zijn bereikt, wordt de pilotproef uitgevoerd. Het is dus niet zeker dat de pilotproef daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Daarmee is evenmin zeker of het bioscherm, dat blijkens het saneringsplan van groot belang is om de afbraak van de verontreinigingspluim te bevorderen en om een stabiele eindsituatie te bereiken, uiteindelijk zal worden ingericht. Nu in het saneringsplan geen terugvalscenario is opgenomen voor het geval dat het bioscherm niet werkt of niet wordt ingericht, voldoet het saneringsplan ook in zoverre niet aan artikel 39, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet bodembescherming .

2.4.4. Nu in het saneringsplan geen overzicht is opgenomen van de tussentijdse effecten en de tijdstippen waarop het college wordt geïnformeerd omtrent deze effecten en evenmin beschrijvingen van andere methodes om de beoogde effecten te bereiken zijn opgenomen die voldoen aan hetgeen in artikel 39, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet bodembescherming is bepaald, kan dit saneringsplan niet aan de hand van artikel 38 van die wet worden beoordeeld. Gelet hierop heeft het college niet kunnen instemmen met het saneringsplan. De beroepsgrond slaagt.

2.5. Het beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu het college niet heeft kunnen instemmen met het saneringsplan, omdat de inhoud van het saneringsplan niet voldoet aan artikel 39, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet bodembescherming kan de beslissing op het bezwaarschrift van IFF slechts strekken tot herroeping van het primaire besluit en het onthouden van instemming aan het saneringsplan. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat het primaire besluit wordt herroepen, er instemming aan het saneringsplan wordt onthouden en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 24 november 2009, kenmerk SE/PJZJZ/10527/MV/CH;

III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 27 oktober 2008, kenmerk Wbb/2008/10/PU2008_00256333;

IV. onthoudt instemming aan het door Philips Environment & Safety ingediende saneringsplan;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid I.F.F. Nederland B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid I.F.F. Nederland B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2010

492.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature