< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

kostenvergoeding, grondslag van de aanvragen, wijziging van de aanvraag, wettelijke rente

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/12 en 08/537 1 september 2010

40000 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Uitspraak in de zaken van:

Gebroeders A en B, te C, D, te E, en F, te C, appellanten,

gemachtigden: mr. E.M. Vos, advocaat te Heilig Landstichting, en W.H. van der Kolk, werkzaam bij appellanten.

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. drs. R.F. Jassies en mr. J. van Essen, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem te Zwolle.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Appellanten hebben bij formulieren, gedateerd 30 januari 2007, aanvragen ingediend voor kostenvergoedingen op basis van de Beleidsregels kostenvergoeding subsidie milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 (hierna: de Beleidsregels) onderscheidenlijk ten behoeve van vijf bio-wkk-projecten in Apeldoorn, Olst, Deventer, Almelo en Delden. Voor het project Apeldoorn is om een kostenvergoeding verzocht van € 546.390,90 en voor het project Deventer is om een kostenvergoeding verzocht van € 49.711,98. Bij de aanvragen hebben appellanten bijlagen gevoegd, waaronder een door hen opgestelde verdeelsleutel voor de kosten. Hierin staat onder meer:

"Er zijn kosten gemaakt en verplichtingen aangegaan ten behoeve van vijf locaties welk als volgt genummerd zijn weergegeven, te weten

1. Apeldoorn 70%

2. Olst 15%

3. Almelo 5%

4. Delden 5%

5. Deventer 5%

(…)"

Bij besluit van 3 augustus 2007, met kenmerk KVMEP06094 1.5.7a, heeft verweerder de aanvraag ten aanzien van het project Apeldoorn afgewezen omdat deze niet voldoet aan de inhoudelijke criteria van de Beleidsregels.

Bij besluit van 3 augustus 2007, met kenmerk KVMEP06098 1.5.7a, heeft verweerder de aanvraag ten aanzien van het project Deventer afgewezen omdat deze niet voldoet aan de inhoudelijke criteria van de Beleidsregels.

Tegen deze besluiten hebben appellanten tijdig bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 november 2007 heeft verweerder het bezwaarschrift van appellanten tegen het besluit van 3 augustus 2007, met kenmerk KVMEP06094 1.5.7a, ten aanzien van het project Apeldoorn ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten, bij brief van 4 januari 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 08/12.

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft verweerder het bezwaarschrift van appellanten tegen het besluit van 3 augustus 2007, met kenmerk KVMEP06098 1.5.7a, ten aanzien van het project Deventer deels gegrond verklaard en voormeld besluit van 3 augustus 2007 in zoverre herroepen. Van de door appellanten verzochte kostenvergoeding van € 49.711,98 voor het project Deventer is door verweerder € 46.776,00 vergoed.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 22 juli 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 08/537.

Bij besluit van 25 augustus 2008 heeft verweerder, met toepassing van artikel 6:18 Awb, het besluit van 10 juni 2008 gewijzigd en heeft hij op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht een bedrag van € 644,00 vergoed in verband met de kosten voor juridische bijstand.

Op 27 augustus 2008 heeft het College zaak AWB 08/12 ter zitting behandeld.

Bij brief van 27 augustus 2008 heeft verweerder in zaak AWB 08/537 een verweerschrift ingediend.

Bij beschikking van 3 september 2008, in zaak AWB 08/12, heeft het College het onderzoek in voormelde zaak heropend.

Bij besluit van 2 december 2008 heeft verweerder zijn besluit van 23 november 2007 ingetrokken en van de door appellanten verzochte kostenvergoeding van € 546.390,90 voor het project Apeldoorn is door verweerder € 466.118,23 vergoed. Voorts is een vergoeding van € 53.482,51 in verband met de wettelijke rente toegekend en is een vergoeding van € 644,00 in verband met de kosten van juridische bijstand toegekend.

Bij uitspraak van 16 december 2008, in zaken AWB 07/720, 07/721 en 08/13 (LJN BG8015, www.rechtspraak.nl) heeft het College de beroepen van appellanten tegen de besluiten op bezwaar inzake de installaties in Almelo, Delden en Olst ongegrond verklaard.

Bij brief van 4 februari 2009 hebben appellanten naar aanleiding van het besluit van 2 december 2008 de gronden van hun beroep in zaak AWB 08/12 aangevuld.

Bij brief van 10 maart 2009 heeft verweerder in zaak AWB 08/12 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Op 14 juli 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad waarbij partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, zijn verschenen.

2. De toepasselijke regelgeving

2.1. De Elektriciteitswet 1998 luidde, voor zover hier en ten tijde van belang, als volgt:

"Artikel 72 m

1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet verstrekt op aanvraag een subsidie ten behoeve van de productie van duurzame elektriciteit, klimaatneutrale elektriciteit of elektriciteit die is opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling, die is genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 72p, tweede lid, aan:

a. een op het Nederlandse net aangesloten producent die gedurende ten minste 10 jaar een productie-installatie voor duurzame elektriciteit of klimaatneutrale elektriciteit in stand houdt en exploiteert;

(…)

Ter uitvoering van artikel 72p van de Wet heeft verweerder op 20 december 2004 bij afzonderlijke besluiten de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 (periode 1 juli tot en met 31 december) – hierna: Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit 2006 – en de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2007 – hierna: Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit 2007 – vastgesteld en nadien gewijzigd bij besluiten van 8 december 2005, 9 juni 2006 en 29 november 2006.

In artikel 4 van de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit 2007 was, voor de wijziging bij besluit van 29 november 2006, een vast bedrag opgenomen ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor duurzame elektriciteit, opgewekt met behulp van een productie-installatie voor de productie van elektriciteit met behulp van stortgas van € 0,013 per kilowattuur.

De Regeling van de Minister van Economische Zaken van 29 november 2006, nr. WJZ 6086077, tot wijziging van de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit 2006 en de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit 2007 (hierna: Wijzigingsbesluit) luidt, voor zover hier van belang:

" (…)

Artikel I I

De Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit 2007 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

C

In artikel 4 wordt € '0,013' vervangen door: € 0,00.

(…)

(…)

Artikel I V

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 18 augustus 2006. (…) "

2.1.1 In de Beleidsregels is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2

1. De Minister kent een kostenvergoeding toe aan een verzoeker die:

a. voor 18 augustus 2006 geen aanvraag voor MEP-subsidie voor die productie-installatie heeft ingediend als waarvoor hij een verzoek tot kostenvergoeding indient;

b. voor 18 augustus 2006 de voor de aanvraag van de MEP-subsidie benodigde vergunningen heeft aangevraagd;

c. redelijkerwijs tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 een volledig ingevuld aanvraagformulier met alle benodigde bijlagen als bedoeld in artikel 15 van de Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie had kunnen indienen, en d. op basis van deze aanvraag, uitgaande van de regels zoals deze golden voor 18 augustus 2006, MEP-subsidie van meer dan € 0,00 had kunnen krijgen.

2. De Minister kent geen kostenvergoeding toe indien voor een productie-installatie subsidie wordt verleend op grond van de in de brief van 11 september 2006 (Kamerstukken II, 28 665, 76) aangekondigde subsidieregeling voor vergistingsinstallaties.

(…)

Artikel 5

1. Het verzoek om kostenvergoeding wordt gedaan door het indienen van een juist en volledig ingevuld en ondertekend exemplaar van een bij Senter-Novem te verkrijgen formulier, waarbij de verzoeker aannemelijk maakt dat hij voor 1 januari 2007 aan alle eisen zou hebben kunnen voldoen om een aanvraag voor MEP-subsidie in te dienen.

(…)

4. Het verzoek om kostenvergoeding wordt gericht aan de Minister en wordt uiterlijk 1 februari 2007 ontvangen door SenterNovem.

(…)

Artikel 8

Betaling van de toegekende kostenvergoeding zal geschieden binnen vier weken na de beslissing op het verzoek of, indien dit later is, binnen vier weken na de goedkeurende beschikking van de Europese Commissie."

In de toelichting op de Beleidsregels is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Artikel 2

In artikel 2 wordt de kring van bedrijven aangeduid die in aanmerking komen voor een kostenvergoeding in verband met de 0-regeling. In aanmerking voor een kostenvergoeding komen die verzoekers die nog geen MEP-subsidie ontvangen en die ook niet voor 18 augustus 2006 een aanvraag voor een MEP-subsidie hebben ingediend. Verder moet het gaan om verzoekers die wel voor 18 augustus 2006 de voor het aanvragen van de MEP-subsidie benodigde vergunningen hebben aangevraagd (dus voor deze datum een aanvraag naar de bevoegde instantie hebben verzonden) en die in staat zouden zijn om tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 een complete aanvraag voor MEP-subsidie in te dienen. Het moet dan gaan om aanvragen die ook daadwerkelijk subsidie zouden ontvangen, dus geen aanvragen voor categorieën productie-installaties waarvoor het subsidiebedrag voor 18 augustus 2006 op € 0,00 is gesteld. Omdat vanaf 1 januari 2007 een nieuw regime voor de MEP-subsidie geldt, waarin bedrijven niet meer op voorhand de zekerheid hebben dat er altijd MEP-subsidie kan worden verleend, is als eis gesteld dat de verzoeker in staat zou moeten zijn voor 1 januari 2007 MEP-subsidie aan te vragen.

(…)"

3. De bestreden besluiten

3.1 Bij besluit van 10 juni 2008 heeft verweerder van de verzochte kostenvergoeding van € 49.711,98 voor het project Deventer een bedrag van € 46.776,00 toegewezen. Voor de verdeling van de algemene projectkosten hebben appellanten ten behoeve van de verschillende projecten op verschillende locaties een verdeelsleutel gemaakt, waarbij aan het project in de gemeente Deventer 5% van de algemene kosten wordt toegerekend. Voor het geval dat de kostenvergoeding voor de andere projecten wordt afgewezen, hebben appellanten verzocht de algemene kosten alsnog onder deze aanvraag (locatie Deventer) te plaatsen. Verweerder merkt hierover op dat hij blijft uitgaan van de oorspronkelijk door appellanten opgestelde verdeelsleutel, zodat in principe hoogstens 5% van de algemene kosten voor het project Deventer voor vergoeding in aanmerking komt. Een latere aanpassing van de verdeelsleutel afhankelijk van de uitkomsten in bezwaar staat verweerder niet toe, mede omdat door de aangeleverde verdeelsleutel de meeste algemene kosten aan het project in de gemeente Apeldoorn worden toegekend. Bovendien dienden aanvragen in het kader van de Beleidsregels uiterlijk op 1 februari 2007 te zijn ontvangen. De door appellanten voorgestelde wijziging van de hierboven genoemde verdeelsleutel acht verweerder een zodanige wijziging, dat sprake zou zijn van een nieuwe aanvraag. Aangezien het verzoek van appellanten met betrekking tot de verdeelsleutel dateert van na 1 februari 2007, kan verweerder een dergelijke wijziging niet toestaan. Bij besluit van 25 augustus 2008 heeft verweerder met toepassing van artikel 6:18 Awb het besluit van

10 juni 2008 gewijzigd, in die zin dat aan appellanten alsnog een vergoeding van € 644,00 is toegekend in verband met de kosten van juridische bijstand.

3.2 Bij besluit van 2 december 2008 heeft verweerder zijn besluit van 23 november 2007 ingetrokken en heeft hij voor het project Apeldoorn een kostenvergoeding toegewezen van € 466.118,23. Voor de verdeling van de algemene projectkosten hebben appellanten ten behoeve van de verschillende projecten op verschillende locaties een verdeelsleutel gemaakt, waarbij aan het project in de gemeente Deventer (bedoeld is Apeldoorn) 70% van de algemene kosten wordt toegekend. Voor het geval dat de kostenvergoeding voor de andere projecten wordt afgewezen, hebben appellanten verweerder verzocht de algemene kosten alsnog toe te rekenen aan een aanvraag waarvoor kostenvergoeding in het kader van de Beleidsregel wordt toegekend. Verweerder merkt hierover op dat hij blijft uitgaan van de oorspronkelijk door appellanten aangeleverde verdeelsleutel zodat in principe hoogstens 70% van de algemene kosten voor het project in de gemeente Apeldoorn voor vergoeding in aanmerking komt. Een latere aanpassing van de verdeelsleutel afhankelijk van de uitkomsten in bezwaar staat verweerder niet toe. Bovendien dienden aanvragen in het kader van de Beleidsregels uiterlijk op 1 februari 2007 te zijn ontvangen. De door appellanten voorgestelde wijziging van de hierboven genoemde verdeelsleutel is te beschouwen als een zodanige wijziging, dat sprake zou zijn van een nieuwe aanvraag. Aangezien het verzoek van appellanten met betrekking tot de verdeelsleutel is gedaan na 1 februari 2007, namelijk tijdens de hoorzitting van 25 oktober 2007, kan verweerder een dergelijke wijziging niet toestaan. Ten aanzien van de verzochte vergoeding van de wettelijke rente heeft verweerder een vergoeding toegekend vanaf het moment dat er is beschikt op het bezwaarschrift, te weten 23 november 2007. De wettelijke rente is bepaald op € 53.482,51 en is berekend over de periode van 23 november 2007 tot en met 2 december 2008.

In geval van een bezwaarprocedure is er sprake van verlengde besluitvorming. Om deze reden dient de wettelijke rente te worden toegewezen vanaf het moment dat er is beschikt op het bezwaarschrift, 23 november 2007.

4. De standpunten van appellanten

Ter zitting hebben appellanten de beroepsgronden ten aanzien van de weigering om de door hen gemaakte kosten voor de werkzaamheden van A2 architecten en Hofman c.s. te vergoeden ingetrokken.

Tegen het besluit van 10 juni 2008 voeren appellanten, samengevat weergegeven, het volgende aan. Zij zijn geconfronteerd met het besluit van de Minister om de MEP-subsidieregeling met ingang van 18 augustus 2006 op nihil te bepalen op een moment dat zij reeds substantiële kosten hadden gemaakt in het kader van de voorbereiding van het project Deventer en zij vinden het onredelijk dat deze kosten geheel of grotendeels voor hun rekening blijven. Het bestreden besluit heeft tot gevolg dat slechts een gering deel, namelijk minder dan 5% van deze kosten niet voor rekening van appellanten blijft en is daardoor een onredelijk besluit. Appellanten betogen in dit verband dat de Beleidsregels in strijd zijn met artikel 3:4 Awb . Ten onrechte legt de Minister aan de Beleidsregels de gedachte ten grondslag dat per definitie niet alle schade behoeft te worden vergoed en evenzeer gaat de Minister er kennelijk vanuit dat de schade uitsluitend bestaat uit de kosten van voorbereiding van de subsidieaanvragen. De systematiek van de Beleidsregels is dat in het eerste lid van artikel 2 de gevallen worden geduid waarin een kostenvergoeding imperatief wordt toegekend en dat in het tweede lid de gevallen worden genoemd waarin de vergoeding zeker niet worden toegekend. In de Beleidsregels zijn geen criteria opgenomen voor andere gevallen. De hoofdregel van artikel 3:4, tweede lid, Awb blijft dan onverkort van toepassing en geeft recht op een vergoeding van de volledige kosten. Ten aanzien van de verdeelsleutel voor de algemene kosten voeren appellanten aan dat de toerekening van alle algemene kosten aan het project Deventer is afgewezen op twee gronden en beide afwijzingsgronden zijn volgens hen onjuist. Het verzoek om een volledige vergoeding van alle kosten moet worden geacht tijdig te zijn ingediend, nu de aanvragen voor de verschillende projecten gelijktijdig zijn ingediend en gezien de onderlinge relatie van de projecten was volgens appellanten kenbaar dat de algemene kosten op alle projecten betrekking hadden. Daarnaast vinden appellanten het onredelijk hen tegen te werpen dat zijzelf het grootste deel van de kosten op basis van de verdeelsleutel toerekenen aan het project Apeldoorn. Tot slot voeren zij aan dat om vergoeding van de kosten van juridische bijstand is verzocht en dat dit verzoek niet gemotiveerd is afgewezen, terwijl uit de beslissing op bezwaar volgt dat het primaire besluit onrechtmatig was en derhalve in deze kosten had moeten worden tegemoetgekomen.

Tegen het besluit van 2 december 2008 voeren appellanten, samengevat weergegeven, het volgende aan. Ten gevolge van de gedeeltelijke toewijzing van de aanvraag wordt het beroep beperkt. Voor het project Apeldoorn wordt aanspraak gemaakt op 100% van de mede aan Apeldoorn toe te rekenen kosten. Alle activiteiten die zijn verricht en alle kosten die zijn gemaakt waren noodzakelijk om een subsidieaanvraag inzake Apeldoorn in te kunnen dienen en zijn louter om interne redenen omgeslagen per project volgens de door appellanten daartoe opgestelde verdeelsleutel, waarbij voor Apeldoorn 70% is gehanteerd, voor Olst 15% en voor de overige drie projecten telkens 5%. Appellanten blijven zich op het standpunt stellen dat de voorbereidingskosten die redelijkerwijs (mede) kunnen worden toegeschreven aan de voorbereiding van het project Apeldoorn, maar zijn doorbelast aan één of meer van de andere projecten, thans voor toewijzing in aanmerking komen, voor zover bij één van die andere projecten afgewezen. De stelling dat geen verzoek is ingediend om vergoeding van de volledige kosten is volgens appellanten onjuist, nu het verzoek wel is ingediend, maar op naam van een ander project. Ten aanzien van de toegekende rentevergoeding voeren appellanten aan dat de wettelijke rente ten onrechte niet is ingegaan vanaf het moment van het primaire onrechtmatige besluit.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In de voormelde uitspraak van 16 december 2008 heeft het College onder meer het volgende overwogen:

"5.1 Appellanten hebben betoogd dat zich tussen de gevallen van artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels, waarin een kostenvergoeding wordt toegekend, en de gevallen van artikel 2, tweede lid, waarin geen kostenvergoeding wordt toegekend, een 'grijs gebied' bevindt. Nu op dit gebied de Beleidsregels niet van toepassing zijn, zijn deze in strijd met de op artikel 3:4, tweede lid, Awb gebaseerde verplichting om belanghebbenden die nadelige gevolgen van overheidsbeslissingen ondervinden, schadeloos te stellen.

Het College kan uit een gezamenlijke lezing van genoemde artikelleden het bestaan van een 'grijs gebied' zoals door appellanten betoogd, niet afleiden. Het eerste lid stelt vier cumulatieve voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een kostenvergoeding in aanmerking te komen. Het tweede lid vormt hierop een uitzondering in die zin dat wordt aangegeven wanneer – ondanks het voldoen aan voornoemde voorwaarden – geen kostenvergoeding wordt toegekend. Hieruit kan worden afgeleid dat volgens artikel 2 van de Beleidsregels in alle andere gevallen waarin aan de vier voorwaarden is voldaan een kostenvergoeding wordt toegekend en in de gevallen waarin niet aan deze voorwaarden is voldaan de Beleidsregels niet in een kostenvergoeding voorzien.

Appellanten hebben in beroep gesteld dat het niet past de Beleidsregels zo op te stellen dat belanghebbenden met de schade blijven zitten. Deze beroepsgrond richt zich, naar het voorkomt, tegen de rechtmatigheid van de Beleidsregels. Het College overweegt te dien aanzien dat aan de Beleidsregels, volgens vaste jurisprudentie, slechts verbindende kracht kan worden ontzegd indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig moeten worden geacht met een hogere algemeen verbindende regeling, dan wel indien, met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever, en derhalve met terughoudendheid toetsend, geoordeeld moet worden dat de voorschriften een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kunnen doorstaan.

Hetgeen door appellanten terzake is aangevoerd heeft het College niet tot de overtuiging kunnen brengen dat de Beleidsregels niet passen binnen het gegeven wettelijk kader of bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid konden worden vastgesteld. Het ontbreken in de Beleidsregels van een ruimere mogelijkheid tot toekenning van een kostenvergoeding dan daarin thans is vervat leidt het College dan ook niet tot het oordeel dat verweerder bij de bestreden besluiten met voorbijgaan aan die Beleidsregels niettemin een kostenvergoeding had moeten toekennen."

5.2 Het College deelt, blijkens de hiervoor weergegeven overweging, niet de opvatting van appellanten dat aan de Beleidsregels geen verbindende kracht toekomt omdat zij niet voorzien in een vergoeding van kosten in andere dan genoemde gevallen, en evenmin het standpunt dat verweerder naast de Beleidsregels ruimte had behoren te vinden om een zodanige kostenvergoeding toe te kennen. Appellanten hebben desgevraagd hun standpunt dat sprake is van een grijs gebied in de Beleidsregels op grond waarvan verweerder had moeten besluiten tot een ruimere kostenvergoeding gehandhaafd, maar geen argumenten aangedragen die het College thans tot een ander oordeel brengen dan is neergelegd in de hogergenoemde uitspraak. Het College merkt op dat, anders dan appellanten hebben gesteld, artikel 3:4 Awb op zichzelf geen grondslag voor het toekennen van schadevergoeding biedt. Indien appellanten menen dat verweerder uit het oogpunt van redelijkheid en billijkheid tot het toekennen van een schadevergoeding had moeten besluiten is dit een aangelegenheid van civielrechtelijke aard, ten aanzien waarvan het College niet bevoegd is. Voor zover appellanten hebben beoogd te betogen dat verweerder, nu de Beleidsregels niet voorzien in de door hen gewenste ruimere mogelijkheid voor kostenvergoeding, ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 4:84 Awb , overweegt het College dat zij geen argumenten hebben aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de gevolgen van toepassing van de Beleidsregels onevenredig zijn in verhouding tot de door de beleidsregels te dienen doelen.

5.2 Ten aanzien van het betoog dat de aanvragen met betrekking tot de projecten Apeldoorn of Deventer aldus hadden moeten worden opgevat, dat deze zien op alle algemene kosten voor alle vijf projecten, is het College van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat elke aanvraag afzonderlijk dient te worden behandeld. Dat de verschillende aanvragen voor de vijf projecten door dezelfde aanvrager zijn gedaan brengt, anders dan appellanten betogen, niet met zich dat er sprake zou zijn van één gezamenlijke aanvraag of verzamelaanvraag, die grondslag zou bieden voor een hogere kostenvergoeding dan die per project is aangevraagd. Voor zover appellanten hebben verzocht dat, indien aan één of meer projecten geen kostenvergoeding wordt toegekend, de algemene kosten volledig aan de projecten worden toegerekend waaraan wel een vergoeding wordt toegekend, overweegt het College dat dit verzoek er op neerkomt dat verweerder meer dan de aangevraagde kosten per project zou dienen te vergoeden. Dit is niet in overeenstemming met de Beleidsregels, nu verweerder gehouden is om op grondslag van de aanvragen besluiten te nemen. Voorts is van belang dat wijzigingen na het indienen van de aanvragen slechts mogelijk zijn als deze van ondergeschikte aard zijn. In dit verband heeft verweerder terecht overwogen dat indien appellanten, na het indienen van de aanvragen en in afwijking hiervan om aanzienlijk hogere kostenvergoedingen dan aangevraagd zouden hebben verzocht, dit een zodanige wijziging van de aanvragen zou inhouden dat deze zou moeten worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag.

Omdat zodanige nieuwe aanvraag zou zijn ingediend na 1 februari 2007 staat artikel 5, vierde lid, van de Beleidsregels aan het honoreren hiervan in de weg. Dat verweerder op basis van de aanvragen en de daarbij behorende verdeelsleutel van de kosten van appellanten is uitgegaan van 70% van de algemene kosten voor het project Apeldoorn en 5% van deze kosten voor het project Deventer acht het College, gelet op het voorgaande, juist. Daarbij is van belang dat appellanten bedoelde verdeelsleutel zelf ten grondslag hebben gelegd aan hun aanvragen en dat de ingediende aanvragen geen basis kunnen bieden voor een hogere vergoeding dan de aangevraagde vergoedingen.

5.3 Het betoog ten aanzien van de vergoeding van de kosten van juridische bijstand in de bezwaarfase faalt eveneens, nu verweerder het besluit van 10 juni 2008 bij besluit van 25 augustus 2008 op dit punt heeft gewijzigd en hij de kosten ten aanzien van het bezwaar en het verschijnen op de hoorzitting bij besluit van 25 augustus 2008 alsnog heeft vergoed conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.4 Ten aanzien van het betoog van appellanten dat verweerder bij besluit van 2 december 2008 ten onrechte de wettelijke rente heeft berekend en toegekend vanaf 23 november 2007 en niet vanaf het onrechtmatige primaire besluit van 3 augustus 2007, stelt het College vast dat verweerder bij besluit van 2 december 2008 weliswaar het besluit van 23 november 2007 heeft ingetrokken en de aanvraag deels heeft toegewezen, maar in strijd met artikel 7:11, tweede lid, Awb heeft nagelaten vast te stellen dat het besluit van 3 augustus 2007 ten aanzien van het project Apeldoorn, waaraan een gelijke motivering ten grondslag was gelegd, onrechtmatig was en dit besluit te herroepen. Dientengevolge is niet beslist over de toekenning van wettelijke rente vanaf het tijdstip waarop het eerste onrechtmatige besluit is genomen. Dat het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente voor de periode van 3 augustus 2007 tot en met 23 november 2007 dateert van voor 1 juli 2009, waardoor het nadien in werking getreden artikel 4:102 Awb niet van toepassing is, brengt, anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, niet met zich dat de wettelijke rente pas vanaf het ingetrokken besluit op bezwaar van 23 november 2007 diende te worden vergoed. Nog daargelaten dat dit niet volgt uit artikel 4:102, tweede lid, Awb , overweegt het College dat voor de inwerkingtreding van dit artikel de wettelijke rente op basis van artikel 6:83 van het Burgerlijk Wetboek opeisbaar was vanaf de dag waarop de ten onrechte niet betaalde geldsom had moeten worden uitbetaald indien het primaire besluit juist was geweest. Vanaf dat moment is verweerder in verzuim. Gelet op artikel 8 van de Beleidsregels, dat in beginsel de betaling van de kostenvergoeding binnen een termijn van vier weken na de beslissing op het verzoek regelt, diende verweerder in dit geval ook over de periode van 30 augustus 2007 tot aan 23 november 2007 de wettelijke rente aan appellanten te vergoeden over de bij besluit van 2 december 2008 toegewezen kostenvergoeding van € 466.118,23. Het betoog van appellanten slaagt.

5.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep in zaak 08/12 tegen het besluit van 2 december 2008 gedeeltelijk gegrond is en dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11, tweede lid, Awb , voor zover hierbij het besluit van 3 augustus 2007 niet is herroepen en geen vergoeding van de wettelijke rente over de periode van

30 augustus 2007 tot aan 23 november 2007 is toegekend. Ten aanzien van deze kosten zal verweerder een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen en hij zal tevens het besluit van 3 augustus 2007 dienen te herroepen. Voor overige is het beroep tegen het besluit van 2 december 2008 ongegrond. Het beroep in zaak 08/537 tegen het besluit van 10 juni 2008, zoals gewijzigd bij besluit van 25 augustus 2008, is ongegrond.

5.6 Het College acht ten slotte in zaak AWB 08/12 termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van belang, worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak). In zaak AWB 08/537 bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep in zaak 08/537 tegen het besluit van 10 juni 2008, zoals gewijzigd bij besluit van 25 augustus 2008,

ongegrond;

- verklaart het beroep in zaak 08/12 tegen het besluit van 2 december 2008 gedeeltelijk gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 december 2008, voor zover hierbij het besluit van 3 augustus 2007 niet is herroepen en geen

vergoeding voor de wettelijke rente over de periode van 30 augustus 2007 tot aan 23 november 2007 is toegekend;

- draagt verweerder op, voor zover nodig, opnieuw op de bezwaren te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep in zaak 08/12 tegen het besluit van 2 december 2008 voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door appellanten gemaakte proceskosten in zaak AWB 08/12 ten bedrage van

€ 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellanten het door hen betaalde griffierecht in zaak AWB 08/12 ten bedrage van € 285,--

(zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2010.

w.g. C.M. Wolters w.g. R. Kegge


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature