< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Overne loonverplichtingen, met betrekking tot niet-afgedragen pensioenpremies, waaronder de zogeheten backservice (de extra pensioenpremie die voortvloeide uit een verhoging van de pensioengrondslag in het verleden ten gevolge van loonsverhoging in het verleden). De verplichting tot overname van de backservice bestaat uitsluitend indien de loonsverhoging heeft plaatsgevonden in de termijn van één jaar als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW en voor zover zij is toe te rekenen aan die termijn. Dat de backservice uit eerdere jaren doorwerkte en nog bestond in het refertejaar betekent niet dat deze verplichting om die reden door het Uwv moest worden overgenomen. Niet bepalend is op welk moment de verplichting bestaat, maar aan welke periode de verplichting moet worden toegerekend. Door de verschuldigde pensioenpremie over de referteperiode alsnog over te nemen is het Uwv zijn overnemingsverplichting op grond van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW ter zake van de verplichtingen die de werkgever had in verband met de pensioenregeling aan de pensioenverzekeraar nog nagekomen.

Uitspraak



08/7113 WW

09/4833 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 november 2008, 07/2116 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 september 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 24 augustus 2009 een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Volbeda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 augustus 1993 in dienst getreden van [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. [wergever] heeft ten behoeve van appellant een pensioenverzekering afgesloten, waarvan de premie was gerelateerd aan het laatstgenoten loon. Op 20 december 2006 is het faillissement van [wergever] uitgesproken, waarna de curator appellant ontslag heeft aangezegd. Op 4 januari 2007 heeft appellant een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd bij het Uwv. Appellant heeft verzocht om overneming van vorderingen ter zake van achterstallig loon, vakantietoeslag, vakantiedagen, ATV-uren en niet-afgedragen pensioenpremies, waaronder de zogeheten backservice (de extra pensioenpremie die voortvloeide uit een verhoging van de pensioengrondslag in het verleden ten gevolge van loonsverhoging in het verleden). Met ingang van 8 januari 2007 is appellant bij een nieuwe werkgever in dienst getreden.

1.2. Nadat bij besluit van 12 januari 2007 aan appellant een uitkering was toegekend ter zake van loon, vakantietoeslag, vakantiedagen en ATV-uren heeft het Uwv bij besluit van 23 maart 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 22 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) de vordering ter zake van niet-afgedragen pensioenpremies overgenomen voor zover deze ziet op de periode van 1 tot en met 7 januari 2007. De vordering over 2006 heeft het Uwv afgewezen omdat de pensioenpremie over dat jaar volgens het Uwv was betaald door [wergever] en de vordering over de periode van 1 januari 2004 tot en met 3 januari 2005 heeft het Uwv afgewezen omdat deze periode buiten de referteperiode van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW viel.

2. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant. De rechtbank heeft onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, gepubliceerd in RSV 1998/245 en 1998/263, overwogen dat de aanspraak op backservice slechts voor overneming in aanmerking komt voor zover deze kan worden toegerekend aan het in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW genoemde tijdvak van een jaar. Als in dat tijdvak geen loonsverhoging en derhalve ook geen verhoging van de pensioengrondslag heeft plaatsgevonden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen recht op overneming van de aanspraak op backservice. De rechtbank oordeelde verder dat het bestreden besluit was genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het Uwv ten onrechte niet had onderzocht of de door [wergever] in 2006 betaalde pensioenpremie duidelijk kunnen worden toegerekend aan het jaar 2006. Ten slotte is het onderzoek op het punt van de hoogte van de premie in 2006 en 2007 onvoldoende geweest. Volgens de rechtbank diende het Uwv bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar ook met dat aspect rekening te houden.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak aangevochten voor zover daarin was overwogen dat de backserviceverplichting slechts kan worden overgenomen voor zover deze kan worden toegerekend aan de referteperiode van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW . Volgens appellant komt de per 1 januari 2007 op [wergever] rustende backserviceverplichting in zijn geheel voor overneming in aanmerking, ongeacht op welke periode die verplichting betrekking heeft.

4. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering daarvan bij besluit van 24 augustus 2009 de referteperiode van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW vastgesteld op de periode van 1 februari 2006 tot en met 31 januari 2007 en de pensioenpremie over die periode tot een bedrag van € 36.851,95 alsnog overgenomen. Het Uwv heeft geweigerd om de backserviceverplichting over te nemen, omdat de loonsverhogingen van appellant vanaf 2005 niet meer zijn doorgevoerd in de pensioenpremie, zodat de vorderingen met betrekking tot de salarisaanpassingen zijn vervallen. Appellant kan zich op dezelfde gronden als in 3 weergegeven ook met dit nieuwe besluit niet verenigen. Op basis van een door appellant overgelegde berekening van de pensioenverzekeraar van 26 juli 2010 gaat het om een backserviceverplichting van in totaal € 152.051,65. Voorts is appellant van mening dat per 1 januari 2006 een hoger bedrag aan prolongatiepremie door het Uwv zou moeten worden overgenomen. Volgens een opgave van de pensioenverzekeraar van 26 juli 2010 zou die premieverplichting per 1 januari 2006 € 59.764,73 hebben bedragen voor de situatie dat de aanpassing van de pensioenverzekering daadwerkelijk was doorgevoerd en de salarisverhoging per 1 januari 2006 was afgehandeld. Appellant vordert alsnog een bedrag van € 20.109,86 (€ 59.764,73 verminderd met het door het Uwv overgenomen premiebedrag van € 6.851,95 en met twee kleine, niet mee te nemen premiebedragen omdat de pensioenverzekering inmiddels premievrij is).

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Uit vaste rechtspraak van de Raad, zoals die welke door de rechtbank is vermeld, volgt dat de verplichting tot overname van de backservice uitsluitend bestaat indien de loonsverhoging heeft plaatsgevonden in de termijn van één jaar als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW en voor zover zij is toe te rekenen aan die termijn. De rechtbank heeft deze norm terecht gehanteerd in de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep, dat uitsluitend is gericht tegen de desbetreffende overweging van de rechtbank, kan dan ook niet slagen.

6.1. Gezien de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt het hoger beroep van appellant geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 augustus 2009. De Raad zal dat besluit dan ook in het geding betrekken en daarover een oordeel geven.

6.2. Uitgaande van de in 5.1 weergegeven norm stelt de Raad vast dat in de referteperiode geen verhoging van het loon van appellant heeft plaatsgevonden. In die periode is derhalve geen verhoging van de pensioengrondslag ontstaan. Hieruit volgt dat de aan het einde van de referteperiode bestaande backserviceverplichting niet is toe te rekenen aan de referteperiode. Dat de backservice uit eerdere jaren doorwerkte en nog bestond in het refertejaar betekent, anders dan appellant heeft betoogd, niet dat deze verplichting om die reden door het Uwv moest worden overgenomen. Zoals uit de vermelde rechtspraak van de Raad blijkt is niet bepalend op welk moment de verplichting bestaat, maar aan welke periode de verplichting moet worden toegerekend.

6.3. Het door appellant alsnog gevorderde premiebedrag van € 20.109,86 komt evenmin voor overneming in aanmerking, reeds omdat in de opgave van de pensioenverzekeraar wordt uitgegaan van een aanpassing van de pensioenregeling per 1 januari 2006 die de pensioenverzekeraar niet daadwerkelijk heeft doorgevoerd, ten gevolge waarvan [wergever] die extra premie niet verschuldigd was aan de pensioenverzekeraar. Uit de brief van 23 juli 2009 van de pensioenverzekeraar en de op 21 augustus 2009 aan Uwv nader verstrekte toelichting blijkt dat in de polis sinds 2004 geen salarisverhoging meer is doorgevoerd en dat de door [wergever] nog verschuldigde pensioenpremie over de referteperiode € 36.851,95 bedroeg. Door dit bedrag alsnog over te nemen is het Uwv zijn overnemingsverplichting op grond van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW ter zake van de verplichtingen die [wergever] in verband met de pensioenregeling aan de pensioenverzekeraar nog had nagekomen. Het besluit van het Uwv van 24 augustus 2009 kan derhalve in stand blijven.

7. Op grond van de in 5 en 6 weergegeven overwegingen komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover deze is aangevochten en dat het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2009 ongegrond moet worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en T. Hoogenboom en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) T.J. van der Torn.

NK


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature