< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Rechtbank veroordeelt 18-jarige tot een gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging na een overval op een tankstation in Rijen. TBS met voorwaarden niet mogelijk wegens weigering van verdachte om mee te werken."

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800258-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 september 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [adres]

wonende [adres]

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Doorakkers, advocaat te Dongen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 augustus 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

een tankstation heeft overvallen en [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangiften en de verklaring van verdachte. Ook de mishandeling acht de officier van justitie bewezen, ondanks het feit dat verdachte verklaart niet met opzet geslagen te hebben. Naar de mening van de officier van justitie heeft verdachte wel met opzet geslagen en doet het feit dat verdachte schrok daar niets aan af.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de tenlastegelegde overval wettig en overtuigend bewezen kan worden, gelet op de bekennende verklaring van verdachte. De mishandeling kan naar de mening van de raadsman niet bewezen worden, omdat verdachte geen opzet had op de mishandeling maar reageerde uit een schrikreactie. Dit is een plausibele verklaring gelet op de stoornis van verdachte, zoals uit het rapport van psychiater [naam deskundige] blijkt, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de onder feit 1 tenlastegelegde overval wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 19 augustus 2010 ;

- de aangifte van [slachtofferc] d.d. 1 maart 2010 .

De rechtbank acht ook de onder feit 2 tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt hierbij het volgende:

Na de overval is verdachte gevlucht. [slachtoffer] is achter de verdachte aangerend en daarna achter hem aan gefietst. [slachtoffer] zag dat verdachte op de Van Hogendorpstraat een brandgang in rende. [slachtoffer] is achter verdachte de brandgang in gegaan en heeft hem geprobeerd vast te pakken. Hij zag dat verdachte een wapen uit zijn jas pakte dat op een pistool leek. Verdachte maakte met het wapen een zwaaiende beweging tegen de linkerzijde van het hoofd van [slachtoffer], die daardoor pijn had en gedesoriënteerd raakte . Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij voelde dat [slachtoffer] zijn hand op zijn schouder legde. Hij wilde die hand van zijn schouder doen en daarbij kwam het wapen dat hij in zijn hand had tegen het hoofd van [slachtoffer] terecht .

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet had om [slachtoffer] te mishandelen. Hij verzoekt om vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Weliswaar is aannemelijk dat verdachte geschrokken is van het feit dat hij na de overval achtervolgd werd door [slachtoffer], maar dat maakt nog niet dat het opzet komt te ontvallen aan de daarop volgende handelingen van verdachte. Verdachte heeft getracht te ontkomen en heeft om die reden opzettelijk met het wapen geslagen. Het slaan met het wapen is naar het oordeel van de rechtbank een bewuste handeling geweest, die verdachte opzettelijk heeft uitgevoerd. De rechtbank acht ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 01 maart 2010 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtofferc] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en een aantal pakjes sigaretten, toebehorende aan Avia Service Station, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op

[slachtofferc] heeft gericht en gericht gehouden en

die [slachtofferc] dreigend heeft toegevoegd: "Geld, geld, geld"en "Meer, meer,

meer".

2.

op 01 maart 2010 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een hard voorwerp, tegen zijn hoofd heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 2 jaar met aftrek van voorarrest en TBS met dwangverpleging. De officier van justitie wijst op de adviezen van de psycholoog en de psychiater tot oplegging van TBS met voorwaarden. Gezien de weigering van verdachte om mee te werken aan iedere vorm van behandeling is TBS met dwangverpleging, naast een gevangenisstraf, de enige passende maatregel om de recidivekans te verkleinen, aldus de officier van justitie. Een voorwaardelijke straf is volgens de officier van justitie niet passend, omdat uit de rapportage van psychiater [naam deskundige] blijkt dat verdachte door zijn stoornis gevoel van proportionaliteit mist. Een voorwaardelijke straf zal bij verdachte dus niet werken als een stok achter de deur.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rapportage van psycholoog [naam deskundige] niet gebruikt kan worden aangezien er geen volledig, grondig onderzoek heeft plaatsgevonden. Verdachte lijdt aan een stoornis en de oplossing daarvoor moet gevonden worden in het civiele traject, aldus de raadsman. Hij verzoekt verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van het voorarrest en daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit zal verdachte ervan weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte woont op de dag van het plegen van de feiten pas vijf dagen thuis nadat hij

19 maanden in een gesloten inrichting heeft gezeten. Hij wilde na zijn 18e verjaardag niet langer op een gesloten afdeling verblijven en koos ervoor om weer thuis te gaan wonen. Binnen enkele dagen gaat het mis. Verdachte heeft nog een schuld van € 50,- in te lossen en hij besluit een overval te plegen om aan geld te komen. Verdachte bedekt zijn gezicht en onder bedreiging met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dwingt hij een medewerker van een tankstation tot afgifte van geld en sigaretten. Daarna, als hij gepakt dreigt te worden, mishandelt hij een achtervolger door hem met het wapen tegen het hoofd te slaan.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Verdachte heeft aangegeven niet te hebben stil gestaan bij de gevolgen voor de slachtoffers.

Drs. [initialen]. [naam deskundige], psycholoog, dr. [naam deskundige], psychiater en [naam desku[naam deskundige]] psychiater in opleiding, hebben onderzoek gedaan naar verdachte en hierover gerapporteerd.

Door de raadsman is aangevoerd dat de rapportage van [naam deskundige] niet gebruikt mag worden aangezien het door hem uitgevoerde onderzoek niet volledig is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft tijdens het laatste contact niet meer willen meewerken aan het onderzoek door de deskundige [naam deskundige]. [naam deskundige] heeft daarop zijn bevindingen gebaseerd op de klinische bevindingen uit een eerste contact met verdachte, dat wel constructief was, op een gesprek met de moeder van verdachte en op het dossier. [naam deskundige] heeft in totaal ongeveer vier uur met verdachte gesproken. De rechtbank oordeelt dat het onderzoek dat [naam deskundige] heeft uitgevoerd uitgebreid genoeg is geweest om een met redenen omkleed advies te kunnen uitbrengen. Derhalve voldoet het rapport aan de eisen die door de wetgever op dit punt zijn gesteld. De rechtbank betrekt het advies van [naam deskundige] dan ook in haar oordeel.

[naam deskundige] constateert dat verdachte al van jongs af aan gedragsproblemen laat zien. Hij mist empathie en hij handelt vaak impulsief, gericht op snelle bevrediging van zijn behoeften. Er is bij verdachte sprake van een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven (PDD-NOS), een vermoedelijk ondergemiddeld intelligentieniveau en daarnaast misbruik van cannabis. [naam deskundige] concludeert dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is voor de tenlastegelegde feiten.

De deskundigen [naam deskundige] en [naam deskundige] delen die conclusie. Door zijn stoornis (PDD-NOS) is verdachte beïnvloedbaar. Hij heeft normbesef maar het ontbreekt hem aan empathisch vermogen ten aanzien van het slachtoffer, zodat hij hierdoor niet weerhouden is van het plegen van de overval. Tevens is als gevolg van de stoornis zijn gevoel voor proportionaliteit beperkt. Deze factoren hebben een rol gespeeld bij het plegen van de feiten.

[naam deskundige] en [naam deskundige] rapporteren dat PDD-NOS een ongeneeslijke psychiatrische stoornis is. Verdachte heeft zeer beperkt zelfinzicht en hij handelt impulsief. Hij heeft zich op jonge leeftijd al meerdere malen schuldig gemaakt aan geweldsdelicten en hij staat afwijzend tegenover klinische behandeling. Dit maakt dat er een kans is op recidive van buitenproportionele geweldsdelicten. De gedragsproblematiek van betrokkene is gunstig te beïnvloeden door langdurige begeleiding in een omgeving met een vaste structuur, rust en voorspelbaarheid.

[naam deskundige] concludeert dat de kans op recidive groot is, gezien de stoornis van verdachte en zijn overige persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

In beide rapportages wordt vervolgens geadviseerd aan verdachte TBS met voorwaarden op te leggen. Door de reclassering is onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van TBS met voorwaarden. Verdachte heeft herhaaldelijk aangegeven niet mee te willen werken aan dit onderzoek. Hij wil, zo heeft hij op de zitting herhaald, geen enkele behandeling ondergaan, of deze nu ambulant of klinisch is. Behandeling van verdachte, aanvankelijk zelfs in een klinische setting, wordt echter door de deskundigen noodzakelijk geacht om de recidivekans te beperken. Vanwege de weigering door verdachte is de reclassering tot de conclusie gekomen dat TBS met voorwaarden niet uitvoerbaar is. Om dezelfde redenen behoort een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden volgens de reclassering niet tot de mogelijkheden.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare. Naar het oordeel van de rechtbank dient te allen tijde gezocht te worden naar een straf of maatregel die proportioneel het best bij de aard van de feiten en de persoon van verdachte past. Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een TBS noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

Verdachte maakt zelf de relatief lichtere maatregel van TBS met voorwaarden onmogelijk door te weigeren iedere medewerking te verlenen. De rechtbank oordeelt dat daardoor geen andere mogelijkheid bestaat dan verdachte de zwaardere maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen. De rechtbank neemt hierbij in ogenschouw dat verdachte reeds eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

De rechtbank acht, gelet op het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, en gelet op de houding van verdachte die de maatregel van TBS met voorwaarden onmogelijk maakt, het opleggen van TBS met dwangverpleging noodzakelijk.

Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden noodzakelijk. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de mate waarin het feit aan verdachte kan worden toegerekend.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 57, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Afpersing;

feit 2: Mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Visser en mr. Van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van ‘t Nedereind, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 september 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 01 maart 2010 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld [slachtofferc] heeft gedwongen tot de afgifte van een

hoeveelheid geld en/of een aantal pakjes sigaretten, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan Avia Service Station, in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging

met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [slachtoffer] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of

die [slachtofferc] dreigend heeft toegevoegd: "Geld, geld, geld"en/of "Meer, meer,

meer", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 maart 2010 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een vuurwapen,

althans een hard voorwerp, tegen zijn hoofd heeft geslagen, waardoor deze

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature