< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "IJburg, tweede fase" vastgesteld.

Uitspraak



200905219/1/R3.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Verantwoord Beheer IJsselmeer (hierna: VBIJ), gevestigd te Castricum, en de vereniging IJsselmeervereniging (hierna: de IJsselmeervereniging), gevestigd te Edam, gemeente Edam-Volendam,

2. Dorpsraad Durgerdam, gevestigd te Amsterdam, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "IJburg, tweede fase" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben VBIJ en de IJsselmeervereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2009, en de Dorpsraad en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2009, beroep ingesteld. VBIJ heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 31 juli 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

VBIJ en de IJsselmeervereniging, de Dorpsraad en anderen, de raad en het Projectbureau IJburg hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2010, waar VBIJ en de IJsselmeervereniging, vertegenwoordigd door mr. L.D.H. Hamer, advocaat te Amsterdam, de Dorpsraad en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud, advocaat te Amsterdam, en ing . J. van Straten en drs. I.S.M. Roovers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het Projectbureau IJburg, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

Het beroep van de Dorpsraad en anderen

2.1. De raad betwist dat de Dorpsraad en anderen kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe voert hij ten aanzien van de Dorpsraad aan dat deze geen zelfstandige rechtspersoon is en geen rechtspersoonlijkheid bezit. Ook kan de Dorpsraad volgens de raad niet worden aangemerkt als een informele vereniging. Voor zover het beroep mede is ingediend namens een aantal natuurlijke personen, stelt de raad zich op het standpunt dat die personen geen zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan hebben ingediend.

2.1.1. De Afdeling stelt vast dat het beroepschrift van de Dorpsraad en anderen is ingediend op briefpapier van de Dorpsraad en ondertekend door "[voorzitter], voorzitter Dorpsraad Durgerdam", mede namens een aantal met name genoemde leden. Gelet hierop moet worden aangenomen dat het beroep door [voorzitter] uitsluitend is ingesteld in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Dorpsraad en namens de met name genoemde personen, maar niet op persoonlijke titel. De Afdeling gaat daarom in het hiernavolgende in op de vraag of de Dorpsraad en de personen namens wie het beroep mede is ingesteld in hun beroep kunnen worden ontvangen.

2.1.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.2.1. Vast staat dat de Dorpsraad niet een bij notariële akte opgerichte rechtspersoon is of over eigen statuten beschikt.

Volgens de statuten van de Stichting Centrale Dorpenraad Landelijk Noord (hierna: Centrale Dorpenraad) wordt in elk dorp onder toezicht van het dagelijks bestuur van de Centrale Dorpenraad een lokale dorpsraad gevormd, bestaande uit zeven personen. De lokale dorpsraad heeft volgens de statuten van de Centrale Dorpenraad tot taak de belangen en verlangens van de bevolking en de verenigingen te behartigen respectievelijk kenbaar te maken bij de Centrale Dorpenraad, alsmede het ondernemen of bevorderen van activiteiten, welke ter plaatse nuttig kunnen worden geacht, met dien verstande dat de statuten en eventuele reglementen van de Centrale Dorpenraad in acht worden genomen. Gelet op de statuten van de Centrale Dorpenraad en in aanmerking genomen dat ook op het briefpapier van de Dorpsraad waarop het beroepschrift is ingediend staat vermeld dat de Dorpsraad een onderdeel is van de Stichting Centrale Dorpenraad Landelijk Noord, kan de Dorpsraad naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als een organisatie die als een eenheid deelneemt aan het rechtsverkeer. Hieruit volgt dat aan de cumulatieve vereisten genoemd in de uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704378/1 niet wordt voldaan. De Dorpsraad kan daarom niet als vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, of een informele vereniging, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek worden aangemerkt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 oktober 2008 in zaak nr. 200706377/1 is de hoedanigheid van belanghebbende in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb niet voorbehouden aan natuurlijke personen en rechtspersonen maar kunnen ook andere entiteiten als belanghebbende worden aangemerkt. Gelet op de woorden "degene wiens", opgenomen in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb , wordt aan deze andere entiteiten de eis gesteld dat zij herkenbaar zijn in het rechtsverkeer. Gelet op de omstandigheid dat de Dorpsraad als onzelfstandig onderdeel van de Centrale Dorpenraad fungeert, is de Afdeling van oordeel dat de Dorpsraad niet als zodanig herkenbaar is in het rechtsverkeer. De Dorpsraad kan daarom voorts niet worden aangemerkt als een "andere entiteit" in de hiervoor bedoelde zin.

De conclusie is dat de Dorpsraad geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), geen beroep kan instellen.

2.1.3. Voor zover het beroep van de Dorpsraad en anderen is ingediend namens [personen], overweegt de Afdeling dat deze personen geen zienswijze bij de raad naar voren hebben gebracht. [voorzitter] heeft immers uitsluitend een zienswijze namens de Dorpsraad ingediend.

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro en artikel 6:13 van de Awb , kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

2.1.4. Het beroep van de Dorpsraad en anderen is niet-ontvankelijk.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in de realisatie van IJburg tweede fase (hierna: IJburg II), een woonwijk van maximaal 9.200 woningen met bijbehorende functies op vier nieuwe eilanden met een totale oppervlakte van 218 hectare. Deze nieuwe woonwijk komt ten noordoosten van IJburg eerste fase in het IJmeer te liggen.

Het beroep van VBIJ en de IJsselmeervereniging

2.3. VBIJ betoogt dat de passende beoordeling die voor het plan is opgesteld ten onrechte is beperkt tot de zogenoemde externe werking vanwege het Natura 2000-gebied IJmeer. Niet alleen hadden de significante effecten op de in het Natura 2000-gebied IJmeer beschermde natuurwaarden moeten worden beoordeeld, maar ook de effecten van de aanleg van IJburg II op de natuurwaarden in het plangebied zelf hadden in de passende beoordeling moeten worden betrokken. VBIJ en de IJsselmeervereniging menen dat de raad in de passende beoordeling ten onrechte is uitgegaan van de begrenzing van het Natura 2000-gebied IJmeer zoals die is vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten op grond van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna: de Vogelrichtlijn) van 2000 en 2005. Hiertoe voeren VBIJ en de IJsselmeervereniging, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping (www.curia.europa.eu), aan dat het plangebied van IJburg II in die aanwijzingsbesluiten ten onrechte op niet-ornithologische gronden buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied IJmeer is gehouden. Gelet op de IBA-lijst kwalificeert het gehele IJmeer, inclusief het plangebied, zich als speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn, aldus VBIJ en de IJsselmeervereniging. Ter zitting hebben VBIJ en de IJsselmeervereniging gesteld dat de IBA-lijst bindend is voor de beoordeling of gebieden op ornithologische gronden kwalificeren voor aanwijzing als speciale beschermingszone. Nu echter het plangebied ten onrechte niet is aangemerkt als onderdeel van het Natura 2000-gebied, is de toepassing van de Vogelrichtlijn volgens hen niet verzekerd. VBIJ en de IJsselmeervereniging wijzen in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer (www.curia.europa.eu), waaruit volgt dat een lidstaat is gehouden tot daadwerkelijke en volledige toepassing van een richtlijn, en dat particulieren zich voor de nationale rechter tegenover de staat kunnen beroepen op richtlijnbepalingen die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende precies zijn, in alle gevallen waarin de volledige toepassing niet daadwerkelijk verzekerd is. VBIJ en de IJsselmeervereniging stellen dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, omdat de daadwerkelijke en volledige toepassing van de Vogelrichtlijn niet verzekerd is.

Verder betogen VBIJ en de IJsselmeervereniging dat de raad, mede gelet op het voorgaande, ten onrechte niet (toereikend) heeft getoetst aan artikel 19j, derde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), omdat hij niet de zekerheid heeft kunnen verkrijgen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zouden worden aangetast.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied IJmeer is vastgelegd in aanwijzingsbesluiten van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister van LNV), die formele rechtskracht hebben gekregen. Het plangebied maakt daarom geen onderdeel uit van het Natura 2000-gebied, aldus de raad. Omdat op grond van de voortoets echter niet kon worden uitgesloten dat het plan geen significante gevolgen had voor het Natura 2000-gebied, heeft de raad een passende beoordeling laten opstellen. Uit de passende beoordeling volgt dat het plan niet leidt tot significante effecten op het Natura 2000-gebied IJmeer. De raad stelt daarom dat aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 is voldaan.

2.3.1.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn, voor zover hier van belang, dienen de lidstaten, voor de instandhouding van de in bijlage I van de richtlijn genoemde soorten, met name de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszones aan te wijzen.

In artikel 4, vierde lid, eerste volzin, voor zover hier van belang, is bepaald dat de lidstaten passende maatregelen nemen om vervuiling en verslechtering van de woongebieden in de in het eerste lid bedoelde beschermingszones te voorkomen, alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord, voor zover deze vervuiling, verslechtering en storing, gelet op de doelstellingen van dit artikel, van wezenlijke invloed zijn. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge artikel 19j, tweede lid, voor zover hier van belang, maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

Ingevolge artikel 19j, derde lid, voor zover hier van belang, wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 19g en 19h. De passende beoordeling van deze plannen maakt deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieu-effectrapportage.

2.3.1.2. Vast staat dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied IJmeer is vastgelegd in de door de minister van LNV genomen aanwijzingsbesluiten van 24 maart 2000 en 27 september 2005, waartegen bezwaar en beroep open hebben gestaan. Niet in geschil is dat het plangebied geen deel uitmaakt van het in deze besluiten aangewezen gebied. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar en hebben binnen de Nederlandse rechtsorde met het oog op de rechtszekerheid in beginsel als uitgangspunt te gelden. Uit de door VBIJ aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen volgt naar het oordeel van de Afdeling - behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, die zich hier niet voordoen - niet dat regels van Nederlands recht betreffende het definitieve karakter van besluiten waartegen beroep is ingesteld waarop in laatste instantie door de rechter is beslist, dan wel waartegen beroep heeft opengestaan maar geen beroep is ingesteld, buiten toepassing zouden moeten blijven. Daartoe wordt verwezen naar de jurisprudentielijn die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft ingezet met het arrest van 13 januari 2004, C-453/00, Kühne & Heitz (www.curia.europa.eu) en nadien is voortgezet en uitgewerkt in onder meer het arrest van 16 maart 2006, C-234/04, Kapferer (www.curia.europa.eu), en het arrest van 12 februari 2008, C-2/06, Kempter (www.curia.europa.eu). Dit betekent dat in beginsel diende te worden uitgegaan van de begrenzing, zoals vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten.

Dat, zoals VBIJ en de IJsselmeervereniging voorts hebben aangevoerd, de IBA-lijst op grond van de rechtspraak van het Hof als leidend moet worden beschouwd voor de vraag welke gebieden op grond van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn dienen te worden aangewezen, en dat op deze lijst het IJmeer als geheel, met inbegrip van het plangebied, als ornithologisch belangrijk gebied staat aangeduid, brengt evenmin met zich dat niet mocht worden uitgegaan van de begrenzing zoals opgenomen in de aanwijzingsbesluiten. De betrokken lijst, die een inventarisatie van geschikte gebieden bevat, dateert immers van 1994, derhalve van voor de aanwijzingsbesluiten uit 2000 en 2005, en naar blijkt uit de Nota van Antwoord Vogelrichtlijn uit 2000 van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn de criteria die zijn gebruikt bij de aanwijzing van gebieden ter voldoening aan artikel 4 van de Vogelrichtlijn onder meer gebaseerd op de IBA-lijst. VBIJ en de IJsselmeervereniging hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een wijziging in de ecologische en vogelkundige omstandigheden binnen het plangebied sinds het moment van aanwijzing, die grond zou kunnen geven voor het oordeel dat het plan zou kunnen leiden tot onaanvaardbare aantasting van de natuurwaarden waarvoor het IJmeer is aangewezen.

De raad is dan ook terecht uitgegaan van de in de aanwijzingsbesluiten neergelegde begrenzing.

2.3.1.3. Er is een passende beoordeling gemaakt vanwege de ligging van het plangebied nabij het Natura 2000-gebied IJmeer. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat de aanleg van IJburg II, inclusief de daarin begrepen natuurvoorzieningen, niet leidt tot significante effecten op het Natura 2000-gebied IJmeer en dat de aanleg van IJburg II niet in de weg staat aan de mogelijkheid voor het behoud van het Natura 2000-gebied. In hetgeen VBIJ en de IJsselmeervereniging hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de passende beoordeling zodanige gebreken vertoont dat de raad deze niet in redelijkheid aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.4. VBIJ en de IJsselmeervereniging betogen dat de noodzaak van het plan ontbreekt. Volgens VBIJ en de IJsselmeervereniging heeft de raad zich gebaseerd op te positieve prognoses wat betreft de behoefte aan woningen. Een behoefte aan 150.000 woningen in de Noordvleugel tot 2040 achten VBIJ en de IJsselmeervereniging niet realistisch. VBIJ en de IJsselmeervereniging verwijzen voor de onderbouwing van hun standpunt naar de quickscans van ir. J. Westrik van de TU Delft van 5 juli 2004 en 10 juli 2009 en naar het rapport "Woningbouw in de Noordvleugel" van RIGO Research en advies van oktober 2008. Volgens de VBIJ en de IJsselmeervereniging heeft de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden met aspecten als de huidige economische crisis, de verwachte bevolkingskrimp en toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Daarnaast zijn volgens hen, onder meer in Amsterdam-Noord en Almere, geschikte alternatieve locaties beschikbaar.

VBIJ en de IJsselmeervereniging stellen voorts dat IJburg II niet geschikt is voor de realisatie van woningen voor de middeninkomens. Zij betwijfelen of het plan vanwege de gewenste woningdichtheid van gemiddeld 70 woningen per hectare wel financieel haalbaar is.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de woningbehoefte in Amsterdam voldoende is onderzocht bij het opstellen van het plan. Volgens de raad is in Amsterdam grote behoefte aan woningen vanwege onder meer de regionale economische ontwikkeling. IJburg II sluit aan op de grootste woningbehoefte, welke onder meer is onderbouwd in de ontwerpstructuurvisie "Noord-Holland 2040". Voorts bestaat er volgens de raad een sterk stijgende vraag naar woningen in het middensegment, waardoor mensen met hoge inkomens die nu in een te goedkope woning wonen naar een beter passende (eengezins)woning kunnen doorstromen. IJburg II is volgens de raad de enige locatie waar op korte termijn en dichtbij de stad met enige zekerheid een aanzienlijk aantal woningen voor met name het middensegment kan worden gerealiseerd. In dit verband stelt de raad dat er geen afdoende alternatieve locaties beschikbaar zijn.

2.4.1.1. Uit de Nota Ruimte volgt dat de woningvoorraad in Amsterdam in de periode 2010-2030 met 50.000 woningen moet worden uitgebreid. Volgens de toelichting op het plan heeft de gemeente Amsterdam onderzoek verricht naar het woningtekort in Amsterdam en de omringende regio. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Woningbehoefteonderzoek ROA + Almere" van (voormalige) Regionaal Orgaan Amsterdam en de gemeente Amsterdam uit 2004. Uit dit rapport blijkt dat het woningtekort in Amsterdam en de omringende regio in acht jaar tijd nauwelijks is gedaald. Voorts heeft de gemeente Amsterdam met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op 30 juni 1995 het zogenoemde Vinex Uitvoeringsconvenant getekend. Daarmee verplichtte de gemeente Amsterdam zich tot stadsuitbreiding in het zuidwestelijk deel van het IJmeer. Ter zitting heeft de raad aangevoerd dat zelfs in het meest ongunstige scenario uitbreiding van de woningvoorraad niet mogelijk is zonder de realisatie van IJburg II. Ter zitting heeft Projectbureau IJburg er verder op gewezen dat in de Gebiedsagenda Noordwest-Nederland is opgenomen dat in de periode 2010-2020 ongeveer 100.000 woningen in de regio Amsterdam noodzakelijk worden geacht en dat uit de gemeentelijke ontwerpstructuurvisie "Amsterdam 2040, Economisch sterk en duurzaam" volgt dat in Amsterdam in de periode tot 2040 ongeveer 70.000 woningen dienen te worden gerealiseerd. Ook is volgens de provinciale ontwerpstructuurvisie "Noord-Holland 2040" tot 2040 ten minste een netto toevoeging aan de woningvoorraad nodig van 215.000 woningen, waarvan ongeveer 180.000 woningen in de metropoolregio Amsterdam.

Hetgeen VBIJ en de IJsselmeervereniging aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op voornoemde uitgangspunten mocht baseren. De Afdeling acht daarbij van belang dat de door VBIJ en de IJsselmeervereniging overgelegde rapportage "Woningbouw in de Noordvleugel" van RIGO Research en Advies, niet specifiek betrekking heeft op de voorziene realisatie van 50.000 woningen in de metropoolregio Amsterdam in de periode 2010-2030, maar op de noodzaak van de bouw van 150.000 woningen in de Noordvleugel in zijn geheel. Voorts heeft de raad, wat betreft de conclusie in de door VBIJ en de IJsselmeervereniging overgelegde quickscan van ir. J. Westrik van 10 juli 2009 dat de huidige economische crisis ertoe leidt dat er geen behoefte bestaat aan de woningen in IJburg II, waarde mogen hechten aan het feit dat de planperiode van tien jaar is betrokken in de analyse van de woningbehoefte, omdat niet is gebleken dat de economische crisis woningbouw binnen de planperiode zal verhinderen. Voorts hebben VBIJ en de IJsselmeervereniging niet aannemelijk gemaakt dat de door hen gestelde omstandigheden in heel Nederland - dat sprake is van bevolkingskrimp en dat zich mogelijk wijzigingen zullen voordoen op de arbeidsmarkt - een dermate grote invloed zullen hebben op de woningbehoefte in Amsterdam dat daardoor geen behoefte meer zou bestaan aan de in het plan voorziene woningbouw.

Met betrekking tot de stelling van VBIJ en de IJsselmeervereniging dat elders geschikte alternatieve locaties beschikbaar zijn, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het benodigd aantal woningen in dit geval zodanig is, dat daarvoor in Amsterdam geen gelijkwaardige alternatieve binnenstedelijke locaties zijn te vinden. De raad heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat op een groot deel van de beschikbare binnenstedelijke locaties geen eengezinswoningen gebouwd kunnen worden en dat binnenstedelijke woningbouw gepaard gaat met de nodige complicaties, waardoor een deel van de plannen niet of vertraagd zou kunnen worden uitgevoerd.

Ten aanzien van de geschiktheid van IJburg II gelet op de te behalen woningdichtheid van 70 woningen per hectare, overweegt de Afdeling dat ir. J. Westrik zijn twijfel in de quickscan van 10 juli 2009 op dit punt niet nader heeft onderbouwd. Voor zover in dit verband wordt gevreesd voor de financiële haalbaarheid van het plan, overweegt de Afdeling dat de raad en het Projectbureau IJburg ter zitting uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud hebben verklaard dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de financiering van het plan, onder meer omdat de raad een voorziening heeft getroffen voor een tekort.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen VBIJ en de IJsselmeervereniging hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet noodzakelijk dan wel dat IJburg II niet geschikt zou zijn.

2.5. VBIJ en de IJsselmeervereniging hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. VBIJ en de IJsselmeervereniging hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.6. De conclusie is dat hetgeen VBIJ en de IJsselmeervereniging hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van VBIJ en de IJsselmeervereniging is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van Dorpsraad Durgerdam en anderen niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de stichting Stichting Verantwoord Beheer IJsselmeer en de vereniging IJsselmeervereniging ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Oudenaarden

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010

568-612.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature