Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie A] te [plaats]. Dit besluit is op 19 november 2009 ter inzage gelegd.

Uitspraak



200910260/1/M2.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Bont voor Dieren (hierna: stichting BvD), gevestigd te Amsterdam,

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te [woonplaats], gemeente Oisterwijk,

3. [appellant sub 3] en anderen, wonend te [woonplaats], gemeente Oisterwijk,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie A] te [plaats]. Dit besluit is op 19 november 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben stichting BvD bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2009, en [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2009, beroep ingesteld. Stichting BvD en [appellant sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 21 januari 2010. [appellant sub 3] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 27 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2010, waar stichting BvD, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door drs. M.F.H.T. Hordijk en ING. P.P.M Veraart, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting

[vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

Terinzagelegging

2.1. [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat de aanvraag en het besluit tot vergunningverlening na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit van 6 augustus 2007 zijn gewijzigd en dat door deze wijzigingen van de aanvraag en het ontwerpbesluit de belangen van derden zijn geschaad, zodat ten onrechte geen nieuw ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. In dit verband voeren zij aan dat de aanvraag na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit is aangevuld met een geluidrapport en dat de in voorschrift 1.1.1 gestelde geluidgrenswaarde van 35 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode in de bij het bestreden besluit verleende vergunning met 10 dB(A) is verhoogd ten opzichte van het ontwerpbesluit.

2.1.1. Bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, moet in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na deze terinzagelegging is het niet geoorloofd de aanvraag te wijzigen en aan te vullen zonder dat een nieuw ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd, tenzij vaststaat dat daardoor geen derden worden benadeeld.

2.1.2. Het geluidrapport behelst naar het oordeel van de Afdeling geen wijziging, maar een nadere concretisering van de aangevraagde bedrijfsvoering van de inrichting. Daarnaast bevat het geluidrapport een nadere onderbouwing van de vergunbaarheid van de inrichting. Mede in aanmerking genomen dat deze nadere onderbouwing van de vergunbaarheid ook had kunnen plaatsvinden zonder toevoeging van het rapport aan de aanvraag, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat derden door deze toevoeging na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit zijn benadeeld. Dat in vergunningvoorschrift 1.1.1 van het ontwerpbesluit strekkende tot verlening van de vergunning een geluidgrenswaarde van 35 dB(A) is gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode, terwijl die grenswaarde in de bij het bestreden besluit verleende vergunning 45 dB(A) bedraagt, maakt dit niet anders. In de door het college tot uitgangspunt gekozen gemeentelijke nota "Nota industrielawaai van de gemeente Oisterwijk" van november 2005 is immers voor, zoals in dit geval, landelijke gebieden met veel agrarische activiteiten een grenswaarde van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode opgenomen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de gestelde geluidgrenswaarde van 35 d(B)A voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode in vergunningvoorschrift 1.1.1 van het ontwerpbesluit strekkende tot verlening van de vergunning een kennelijke verschrijving is.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geluidhinder

2.3. [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ontoereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Het college heeft volgens hen ten onrechte aansluiting gezocht bij de gemeentelijke nota "Nota industrielawaai van de gemeente Oisterwijk" van november 2005 (hierna: de Nota), die voor de inrichting een geluidbelasting van 45, 45 en 35 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag,- avond- en nachtperiode ter plaatse van geluidgevoelige objecten en op 50 meter van de inrichtinggrens toestaat. Volgens [appellant sub 3] en anderen is dit onaanvaardbaar, aangezien de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) in hoofdstuk 4 voor inrichtingen die zijn gelegen in een landelijke omgeving voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau richtwaarden geeft van 40, 35 en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag,- avond- en nachtperiode. [appellant sub 2] voert verder aan, zo begrijpt de Afdeling de beroepsgrond, dat de gestelde geluidgrenswaarden voor de avondperiode hoger zijn dan nodig ten aanzien van de woningen aan de [locatie B] en [locatie C]. Stichting BvD voert ten slotte aan dat de gestelde geluidgrenswaarden onvoldoende bescherming bieden tegen geluidhinder, omdat in de aan de vergunning verbonden voorschriften is uitgegaan van beoordelingspunten ter plaatse van geluidgevoelige objecten, terwijl in de door de het college tot uitgangspunt gekozen Nota is voorgeschreven dat, indien er in de directe nabijheid geen geluidgevoelige objecten zijn, de beoordelingspunten op 50 meter van de inrichtinggrens moeten zijn gelegen.

2.3.1. In vergunningvoorschrift 1.1.1 is bepaald, voor zover hier van belang, dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting op de gevel van geluidgevoelige objecten niet meer mag bedragen dan 45, 45 en 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag,- avond- en nachtperiode te weten "07.00 - 19.00 uur", "9.00 - 23.00 uur" en "23.00 - 07.00 uur".

2.3.2. Het college heeft bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting de Nota toegepast. Het college heeft voor het bepalen van de geluidgrenswaarden tabel 2, van hoofdstuk 3, van de Handreiking als richtlijn gebruikt. Hierin zijn indicatieve grenswaarden opgenomen, waarvan in een gemeentelijke nota industrielawaai naar boven of beneden kan worden afgeweken. Het college heeft in de Nota de gemeente Oisterwijk in zes verschillende gebiedstypen met bijbehorende grenswaarden onderverdeeld. Voor landelijke gebieden met veel agrarische activiteiten zijn in de Nota grenswaarden gesteld van 45, 45, 35 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in onderscheidenlijk de dag,- avond- en nachtperiode. Onder landelijk gebied met veel agrarische activiteiten valt onder meer het gebied rondom de Vossenhoorn. De inrichting is gelegen aan de [locatie A].

2.3.3. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben gesteld, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de in de Nota gestelde grenswaarden voor landelijk gebied met veel agrarische activiteiten niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Dat in hoofdstuk 4 van de Handreiking voor een landelijke omgeving richtwaarden zijn opgenomen van 40, 35 en 30 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in onderscheidenlijk de dag,- avond- en nachtperiode, doet in dit geval niet ter zake. Hoofdstuk 4 van de Handreiking is immers slechts bedoeld om als handvat te dienen bij vergunningverlening in gemeenten die nog geen gemeentelijke nota voor geluid hebben opgesteld. Het college heeft met toepassing van de Nota dan ook in redelijkheid voorschrift 1.1.1 aan de vergunning kunnen verbinden.

2.3.4. Eveneens ziet de Afdeling in het niet met concrete argumenten onderbouwde betoog van [appellant sub 2] geen aanleiding voor het oordeel dat het college er niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien om voor de geluidbelasting vanwege de inrichting in de avondperiode ten aanzien van de woningen aan de [locatie B] en [locatie C] afzonderlijke - lagere - grenswaarden te stellen.

2.3.5. Ten aanzien van het betoog van stichting BvD, overweegt de Afdeling als volgt. De dichtstbijzijnde woning, [locatie B], is op ongeveer 50 meter afstand van de grens van de inrichting is gelegen. In de directe nabijheid van de inrichting is dus een geluidgevoelig object aanwezig. Anders dan de stichting BvD stelt, heeft het college daarom niet gehandeld in strijd met de door hem tot uitgangspunt gekozen Nota door in de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften uit te gaan van beoordelingspunten ter plaatse van geluidgevoelige objecten.

2.3.6. De beroepsgronden van [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 2] en stichting BvD over geluidhinder falen.

Geurhinder

2.4. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan de op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder). Voor zover de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) niettemin het juiste toetsingskader is, betoogt [appellant sub 2] dat het college deze wet onjuist heeft toegepast. [appellant sub 2] stelt in dit verband dat de in de nabijheid van de inrichting gelegen woning aan de [locatie C] ten onrechte als categorie IV-object in plaats van als categorie III-object als bedoeld in de Wet stankemissie is aangemerkt.

2.4.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder blijft, indien een aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wet met betrekking tot zodanige aanvraag in werking treedt, het vóór dat tijdstip ten aanzien van zodanige aanvraag geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

2.4.2. De Wet geurhinder is op 1 januari 2007 in werking getreden. Op 22 december 2006 is bij het college een aanvraag om revisievergunning ingekomen. In 2007 is deze aanvraag op enkele punten gewijzigd en aangevuld met een geluidrapport en een luchtkwaliteitrapport. Deze wijzigingen en aanvullingen zijn niet zodanig ingrijpend, dat moet worden gesproken van een nieuwe aanvraag. Gelet hierop is het college er terecht van uitgegaan dat de Wet stankemissie van toepassing is. Dat niet binnen zes maanden op de aanvraag is beslist, brengt verder, zoals eerder overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 in zaak nr. 200801787/1, en anders dan [appellant sub 3] en anderen veronderstellen, niet met zich dat de aanvraag afgewezen diende te worden of dat - in afwijking van artikel 14, eerste lid - getoetst diende te worden aan de Wet geurhinder.

2.4.3. Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voor stank gevoelig object categorie III: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, sub 2, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, verstaan onder voor stank gevoelig object categorie IV: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.

2.4.4. Het college vermeldt in het verweerschrift dat de inrichting is gelegen in het buitengebied. In het bestreden besluit vermeldt het college verder dat de "woningdichtheid" in de omgeving van de inrichting gering is. Tevens vermeldt het college in het bestreden besluit dat aan de [locatie D] een stierenmesterij en aan de [locatie B] een varkenshouderij is gelegen. Op grond hiervan concludeert het college dat de aard van de bebouwing in de directe nabijheid van de inrichting geen overwegende woon- of recreatiefunctie aan het buitengebied verleent. [appellant sub 2] heeft het door college gestelde niet gemotiveerd weersproken. In hetgeen hij aanvoert bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college de woning aan de [locatie C] ten onrechte als categorie IV-object heeft aangemerkt, zodat de Wet stankemissie in zoverre niet aan vergunningverlening in de weg staat.

2.4.5. De beroepsgronden van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] over geurhinder falen.

Luchtkwaliteit

2.5. Stichting BvD voert aan dat in het bij de aanvraag gevoegde luchtkwaliteitrapport ten onrechte een emissiefactor van 54 gram per dierplaats per jaar voor de uitstoot van zwevende deeltjes (PM 10) is gehanteerd. Volgens haar ziet deze emissiefactor alleen op fokteven, en niet op de ook in de inrichting aanwezige reuen en nertsenpups. Daarbij is de in het luchtkwaliteitrapport gehanteerde emissiefactor van 54 gram per dierplaats per jaar ten onrechte ontleend aan het ECN-rapport "Fijn stof uit stallen", gepubliceerd op 12 december 2006 (hierna: het ECN-rapport), omdat de Afdeling eerder heeft overwogen dat de in het ECN-rapport gehanteerde beoordelingssystematiek - voor de mogelijke emissie van zwevende deeltjes die wordt veroorzaakt door het houden van nertsen - onjuist is, aldus stichting BvD.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 november 2006 in zaak nr. 200602240/1 moet voorop worden gesteld dat er geen beoordelingssystematiek bestaat voor de mogelijke emissie van zwevende deeltjes die wordt veroorzaakt door het houden van nertsen. In het bij de aanvraag gevoegde luchtkwaliteitrapport is daarom toepassing gegeven aan de in het ECN-rapport genoemde emissiefactor voor nertsen van 54 gram per dierplaats per jaar.

2.5.2. In het ECN-rapport is niet vermeld of de emissiefactor voor nertsen van 54 gram per dierplaats per jaar ook ziet op reuen en nertsenpups. Nu evenwel in de eindnoten behorende bij de bijlagen van zowel de Regeling ammoniak en veehouderij als de Regeling geurhinder en veehouderij is vermeld, voor zover hier van belang, dat in de berekening de jongen en reuen buiten beschouwing worden gelaten omdat deze reeds bij de emissiefactor zijn inbegrepen, heeft het college zich in het bestreden besluit en het verweerschrift op het standpunt gesteld dat dit ook het geval is voor de emissiefactor van zwevende deeltjes. In hetgeen stichting BvD aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt zou hebben mogen stellen. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat het college bij beantwoording van de vraag of de grenswaarden voor zwevende deeltjes worden overschreden, niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van de conclusies van het luchtkwaliteitrapport. Dat, zoals de Stichting betoogt, de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 januari 2009 in zaak nr. 200800984/1) dat in het ECN-rapport zelf een voorbehoud wordt gemaakt ten aanzien van de juistheid van de gehanteerde methode, doet hier niet aan af, nu daarmee niet is gezegd dat dit voorbehoud zover strekt dat het niet is toegestaan om de in het ECN-rapport genoemde emissiefactoren te hanteren.

2.5.3. Uit het luchtkwaliteitrapport volgt dat aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor de etmaalgemiddelde en de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes ruim wordt voldaan. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen stichting BvD aanvoert over de emissie van zwevende deeltjes dan ook geen reden het beroep in zoverre gegrond te achten.

De beroepsgrond faalt.

Coördinatie

2.6. [appellant sub 3] en anderen betogen dat het college ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan de coördinatieregeling van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) en de Wet milieubeheer nu volgens hen binnen de inrichting sprake is van een Wvo-vergunningplichtige activiteit. In dit verband voeren ze aan dat als gevolg van verwaaiing van de onder de nertsenverblijven aanwezige mest- en voerresten verontreinigd regenwater ontstaat en dat dit verontreinigde regenwater wordt geloosd op de sloot. Volgens hen is het college er dan ook ten onrechte van uitgegaan dat geen sprake is van een lozing in de zin van de Wvo.

2.6.1. De in de inrichting aanwezige nertsenverblijven zijn voorzien van een overkapping. Gelet op deze omstandigheid is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat er geen verontreinigd regenwater ontstaat dat wordt geloosd op de sloot. Er is daarom geen vergunning krachtens de Wvo vereist. Het college heeft dan ook terecht de coördinatieregeling van artikel 7b van de Wvo en de Wet milieubeheer niet van toepassing geacht.

De beroepsgrond faalt.

Vergunningvoorschriften

2.7. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.1.1, 1.1.2, 1.2.1, 1.3.1 en 1.4.1 in strijd zijn met de rechtszekerheid. In dit verband voeren ze aan dat de voorschriften 1.1.1 en 1.1.2 aanleiding kunnen geven tot misverstanden en dat de voorschriften 1.2.1, 1.3.1 en 1.4.1 niet handhaafbaar zijn, vanwege de in die voorschriften onderscheidenlijk opgenomen vage begrippen "voor zover redelijkerwijs mogelijk is", "zoveel mogelijk" en "optimale verbranding". Voorts betogen [appellant sub 3] en anderen dat voorschrift 1.1.1 een verschrijving bevat. Stichting BvD voert aan dat het college ten onrechte de voorschriften 1.1.2.B en 1.1.2.C aan de vergunning heeft verbonden.

2.7.1. Voorschrift 1.1.1 is reeds weergegeven in overweging 2.3.1.

De voorschriften 1.1.2, 1.1.2.B, 1.1.2.C, 1.2.1, 1.3.1 en 1.4.1 luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

1.1.2: Het maximale geluidniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting mag niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

1.1.2.B: Voor het piekniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting zijn de in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur opgenomen piekniveaus niet van toepassing op het laden en lossen, alsmede op het in en uit de inrichting rijden van landbouwtractoren of motorrijtuigen met beperkte snelheid.

1.1.2.C: Voor het piekniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting, gelden de aangegeven waarden binnen een in- of aanpandige geluidgevoelige bestemming niet indien de gebruiker van die geluidgevoelige bestemming geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

1.2.1: Indien het energieverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 50.000 kWh elektriciteit treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die ertoe leiden dat binnen de inrichting een zodanig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.3.1: Degene die de inrichting drijft treft maatregelen of voorzieningen die het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater binnen de inrichting voorkomen of zoveel mogelijk beperken.

1.4.1: Verwarmings- en stookinstallaties en verbrandingsmotoren zijn zo afgesteld dat een optimale verbranding plaatsvindt.

2.7.2. De Afdeling is van oordeel dat voorschrift 1.1.1 een kennelijke verschrijving bevat ten aanzien van het aanvangstijdstip van de avondperiode en dat bedoeld is "19.00 uur" in plaats van "9.00 uur".

De beroepsgrond van [appellant sub 3] en anderen slaagt in zoverre. De Afdeling zal op hierna te melden wijze zelf in de zaak voorzien.

2.7.3. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat de voorschriften 1.1.1 en 1.1.2 misleidend zijn, omdat in deze voorschriften wordt verwezen naar respectievelijk tabel I en tabel II van het bij de aanvraag behorende geluidrapport en in die tabellen meer beoordelingspunten worden genoemd dan uitsluitend geluidgevoelige bestemmingen, is de Afdeling van oordeel dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Anders dan [appellant sub 3] en anderen veronderstellen zien de in deze voorschriften genoemde tabellen I en II niet op de tabellen van het geluidrapport, maar op de tabellen die in deze voorschriften zelf zijn opgenomen. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.7.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] en anderen over de voorschriften 1.2.1, 1.3.1 en 1.4.1, is de Afdeling van oordeel dat deze voorschriften noodzakelijk en gebruikelijk zijn en dat voorts niet aannemelijk is dat de gehanteerde formuleringen onvoldoende bepaald zijn. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.7.5. Ten aanzien van het betoog van stichting BvD over de voorschriften 1.1.2.B en 1.1.2.C, overweegt de Afdeling dat het college heeft erkend dat deze voorschriften overbodig zijn en dat ze kunnen komen te vervallen. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen. De beroepsgrond van stichting BvD slaagt in zoverre.

Conclusie

2.8. Het beroep van stichting BvD is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit van 3 november 2009 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het de voorschriften 1.1.2.B en 1.1.2.C betreft. Het beroep van stichting BvD is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit van 3 november 2009 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover in voorschrift 1.1.1 wordt gesproken van "9.00 uur" voor het aanvangstijdstip van de avondperiode. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskosten

2.9. Het college dient ten aanzien van stichting BvD alsmede ten aanzien van [appellant sub 3] en anderen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van vergunninghouder.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van de stichting Stichting Bont voor Dieren en van [appellant sub 3] en anderen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk van 3 november 2009, voor zover het betreft de voorschriften 1.1.2.B en 1.1.2.C en voor zover in voorschrift 1.1.1 wordt gesproken van "9.00 uur" voor het aanvangstijdstip van de avondperiode;

III. bepaalt dat in voorschrift 1.1.1 "9.00 uur" voor het aanvangstijdstip van de avondperiode wordt vervangen door "19.00 uur";

IV. bepaalt dat deze uitspraak wat voorschrift 1.1.1 betreft in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart de beroepen van de stichting Stichting Bont voor Dieren en van [appellant sub 3] en anderen voor het overige ongegrond;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk tot vergoeding van bij de stichting Stichting Bont voor Dieren in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk tot vergoeding van bij [appellant sub 3] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de stichting Stichting Bont voor Dieren en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3] en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van

mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010

407-584.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature