< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Oormerken van schapen, conflict tussen twee plichten, ontbreken materiële wederrechtelijkheid, ontslag van rechtsvervolging.

Uitspraak



RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/992600-08 VEV

verkort vonnis van de economische politierechter d.d. 21 juni 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[naam]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De economische politierechter heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 7 juni 2010. De verdachte is verschenen bij zijn gemachtigde R.H. van der Harst, broer van verdachte. De economische politierechter heeft de gemachtigde tot de verdediging toegelaten, omdat de tekst op de achterzijde van de dagvaarding inhoudt dat een verdachte zich bij de economische politierechter door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen. Dit is onjuist voor wat betreft de natuurlijke personen, maar verdachte mocht aan de tekst op de dagvaarding wel dat vertrouwen ontlenen. Derhalve heeft het onderzoek ter terechtzitting op tegenspraak plaatsgevonden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 september 2008 op één of meerdere locaties in de

gemeente Smallingerland, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, in

totaal 90, althans een aantal schapen, heeft gehouden, (zulks) terwijl dat

schaap/ die schapen niet overeenkomstig de Regeling identificatie en

registratie van dieren was/waren geïdentificeerd en/of geregistreerd.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een geldboete van € 2.000,00, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

Bewezenverklaring

De economische politierechter acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 11 september 2008 op meerdere locaties in de gemeente Smallingerland, opzettelijk, in totaal 90 schapen heeft gehouden, zulks terwijl die schapen niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren waren geïdentificeerd en/of geregistreerd.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de economische politierechter dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren , opzettelijk begaan.

Namens verdachte is gemotiveerd aangevoerd dat bewust is gewacht met oormerken, omdat dit koppel schapen leed onder een latent aanwezige besmetting met het virus ecthyma ofwel bekschurft. Wanneer lammeren uit deze koppel kort na de geboorte worden geoormerkt, treedt naar de ervaring van verdachte bij een groot aantal lammeren een ernstige besmetting met ecthyma op, die de conditie van die dieren zeer verzwakt. Verdachte heeft ten bewijze daarvan op de eerste zitting een aantal foto's meegenomen van dieren die rond de oormerken grote blaren en korsten vertoonden, welke in sommige gevallen gepaard gingen met op het oor aanwezige bloedingen.

De economische politierechter overweegt dat verdachte zijn verweer na aanhouding van de zitting terdege heeft onderbouwd met aanvullende schriftelijke stukken. Hij heeft overgelegd een verklaring van zijn dierenarts, inhoudende dat bij ernstige gevallen van ecthyma wordt geadviseerd om te wachten met het oorblikken van lammeren totdat de ziekte goed over is, zulks zowel vanuit het oogpunt van dierenwelzijn als van verdere verspreiding van de ziekte ecthyma onder lammeren of eventueel naar de mens. Voorts heeft verdachte een artikel uit een vaktijdschrift van 29 mei 2010 overgelegd, waarin wordt beschreven dat een andere schapenhouder volgens diens dierenarts het probleem had dat de lammeren na het oormerken last kregen van zwellingen rond de oren. Bij meer dan 70 dieren moesten daarop, in samenspraak met de dierenarts, de oormerken weer worden verwijderd. De dieren die daarna niet opknapten, hadden ecthyma. Deze dierenarts meent dat die ziekte waarschijnlijk sluimerend aanwezig is op het bedrijf, waardoor de ecthyma zelfs na het verwijderen van de oormerken zwaar toeslaat op de oren. De dierenarts adviseert derhalve die bedrijven die de ziekte in de koppel hebben, drie tot vier maanden te wachten alvorens de oormerken worden aangebracht. Verdachte heeft ook het zogenoemde Praktijkonderzoek elektronische oormerken voor I&R bij schapen en geiten (2004) van de Animal Sciences Group en Agrotechnology en Food Innovation van Wageningen University & Research centre overgelegd, waarin is gerapporteerd dat bij geitenlammeren het probleem van korstvorming op de oren tussen oor en oormerkdeel werd vergroot door ecthyma, dat ook op de oren voorkwam. Ten slotte is overgelegd een brief van [naam] -volgens verdachte een leverancier van advies en producten voor de schapenpraktijk- waarin is uiteengezet dat het maken van wondjes -dus ook het aanbrengen van oormerken- moet worden voorkomen of uitgesteld omdat nieuwe wondjes aan de oren desastreuze gevolgen kunnen hebben in de periode dat lammeren een besmetting doormaken.

Daartegenover heeft de officier van justitie gesteld dat blijkens aanvullend proces-verbaal van 11 maart 2010 in deze koppel geen sporen van bekschurft zijn gezien bij de inspectie door de AID-verbalisanten op 11 september 2008. Ook bij het gedetailleerd bekijken van de toen gemaakte foto's zijn de AID geen sporen van bekschurft opgevallen. Ook keuringsdierenarts [naam] heeft op 11 september 2008 geconstateerd dat het ging om "dieren in normale conditie". Hieromtrent is echter de economische politierechter van oordeel dat noch door de AID-verbalisanten noch door dierenarts [naam] specifiek is gekeken naar het voorkomen van ecthyma in dit koppel. Hun beoordelingen zijn in algemene termen gesteld; een beschrijving of inspectie van individuele dieren ontbreekt. De AID heeft ook genoteerd dat niet wordt uitgesloten dat één of enkele schapen wel last hadden van ecthyma. Echter, zelfs indien de dieren wél individueel waren beoordeeld, valt naar het oordeel van de economische politierechter nog niet uit te sluiten dat de afwezigheid van ecthyma op die momenten juist het gunstig resultaat was van de aanpak van verdachte.

Verdachte had dus te maken met een conflict tussen twee plichten: enerzijds de wettelijke plicht om zijn dieren juist en tijdig te oormerken teneinde dierziekten in het algemeen effectief te kunnen bestrijden, anderzijds zijn plicht als schapenhouder om de gezondheid of het welzijn van een dier niet te benadelen, zoals deze plicht kan worden afgeleid uit het verbod van art. 36 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd).

In deze specifieke casus is de naderhand gebleken wil van de wetgever van groot belang bij deze afweging van plichten. Per 1 juli 2009 -dus na de datum van het feit- is artikel 34 van de Regeling identificatie en registratie van dieren gewijzigd in die zin, dat de oorspronkelijke termijn om lammeren te merken van 1 maand na de geboorte zeer aanzienlijk is verruimd naar zes maanden na de geboorte. In de Toelichting op de wijziging heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vermeld dat Verordening (EG) nr. 21/2004 toestaat toe dat lidstaten zelf een termijn bepalen waarbinnen de dieren moeten zijn gemerkt en dat deze termijn niet langer mag bedragen dan zes maanden. De merktermijn wordt door de Minister verruimd tot zes maanden zodat het bedrijfsleven langer de tijd heeft om schapen en geiten te merken. De economische politierechter leidt hieruit af dat ook de wetgever kennelijk meende dat art. 34 van de Regeling oorspronkelijk te strikt was en het bedrijfsleven te weinig ruimte bood om te oormerken overeenkomstig de behoeften van het specifieke bedrijf of de individuele schapenhouder. De economische politierechter acht het aannemelijk dat deze verruiming mede is ingegeven uit het oogpunt van dierenwelzijn, opdat het oormerken kan worden afgestemd op de specifieke veterinaire behoeften van het bedrijf of de schapenhouder. Achteraf bezien maakt dit dat aan de toenmalige wettelijke plicht om binnen een maand te oormerken, veel minder gewicht toekomt.

Eén en ander leidt tot het oordeel dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

Toepassing van wetsartikelen

De economische politierechter heeft gelet op de artikelen 13, 34 en 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren , artikel 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren , artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de artikelen 1, 2, 6 en 26 van de Wet op de economische delicten , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE ECONOMISCHE POLITIERECHTER LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen als voormeld doch niet te zijn een strafbaar feit.

Ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, economische politierechter, bijgestaan door mr. M.F. Alting, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 juni 2010.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature