< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verstrekken en verkopen van cocaïne. Cocaïne is een stof waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Het verstrekken en verkopen van een dergelijke stof dient dan ook te worden bestraft. Verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

Uitspraak



Rolnummer: 22-005767-09

Parketnummer: 13-421907-06

Datum uitspraak: 16 april 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

meervoudige kamer voor strafzaken

zittinghoudende te 's-Gravenhage

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 2 april 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 14 november 2003 tot en met 18 december 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, of alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en / of afgeleverd en / of verstrekt en / of vervoerd onder meer aan [persoon 1] en/of aan [persoon 2] en/of aan [persoon 3] en/of aan [persoon 4] een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en / of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 november 2003 tot en met 18 december 2006 te Amsterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke werd gevormd door hem verdachte en/of [persoon 5] en/of [persoon 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het verkopen en / of afleveren en / of verstrekken en / of vervoeren (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne en / of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweren van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw betoogd dat er vraagtekens dienen te worden geplaatst bij de verklaring van [persoon 2]. Zij voert daartoe aan dat [persoon 2] bij de fotoconfrontatie enkel en alleen de verdachte herkent als zijnde een dealer op het [straatnaam], hetgeen volgens de raadsvrouw zijn verklaring ongeloofwaardig maakt nu hij daar als gebruiker regelmatig rondhangt, en daarom meer dealers zou moeten herkennen. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat hetgeen in het proces-verbaal van observatie door de verbalisant is uitgewerkt als zijnde zijn waarneming, niet overeenstemt met de observatiebeelden, nu [persoon 2] wel voorkomt in het dat proces-verbaal, maar niet voorkomt op de observatiebeelden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit het proces-verbaal van observatie van de verdachte en [persoon 2] blijkt dat het gaat om waarnemingen door de verbalisant gedaan vanuit een observatiepost aan het [straatnaam]. Dat de waarnemingen van de verbalisant die zijn opgenomen in het proces-verbaal van observatie niet tevens vastliggen op observatiebeelden, doet niet af aan de betrouwbaarheid van het proces-verbaal van observatie opgemaakt en ondertekend door die verbalisant. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verklaring van [persoon 2] afgelegd bij de politie nauw aansluit bij deze waarnemingen van de verbalisant. Het hof ziet derhalve - ook in hetgeen de raadsvrouw daartoe aanvoert - geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 2].

De raadsvrouw zet voorts vraagtekens bij de verklaring van de getuige [persoon 3]. Zij voert daartoe aan dat de verklaring die [persoon 3] op 26 november 2006 heeft afgelegd bij de politie niet geloofwaardig is, nu uit de verklaring van [persoon 3] op 30 juli 2007 afgelegd bij de rechter-commissaris blijkt dat zij destijds bij de politie overal 'ja en amen' op zei, en ook alles wel wilde tekenen, opdat zij maar zo gauw mogelijk weer naar buiten kon.

Het hof stelt vast dat uit de verklaring van [persoon 3] bij de rechter-commissaris niet duidelijk wordt op welk verhoor bij de politie zij doelt als zij verklaart dat ze ten tijde van het verhoor zo snel mogelijk weer naar buiten wilde. [persoon 3] heeft bij de rechter-commissaris tevens heeft verklaard dat zij zich op dat moment niet meer goed kon herinneren wat er destijds gebeurd is. Het hof hecht derhalve meer waarde aan haar eerder afgelegde verklaring bij de politie kort nadat zij op 26 november 2006 het bolletje cocaïne van de verdachte had gekocht.

Bewijsvoering

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van in het dossier aanwezige wettige bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof het navolgende vast.

Ten aanzien van [persoon 1]

Op 30 oktober 2006 ziet een verbalisant via camera's bij de ingang van de metro op het [straatnaam] twee personen, waaronder de voor hem bekende [verdachte], zijnde de verdachte. Hij ziet dat de verdachte bij de metroingang op het [straatnaam] te Amsterdam wordt aangesproken door een vrouw. Hij ziet de vrouw vervolgens de trap aflopen en beneden wachtend naar boven kijken. Hij ziet de verdachte via de trap naar beneden lopen. De vrouw en de verdachte verdwijnen 46 seconden uit beeld. Dan komt de vrouw weer met de roltrap omhoog. De verbalisant ziet dat zij iets wegstopt onder haar trui dan wel BH. De verbalisant ziet de verdachte achter de vrouw aan omhoog komen. Hierop geeft de verbalisant het signalement van de vrouw door.1 De vrouw, [persoon 1] genaamd, is daarop aangehouden. Bij haar worden in haar BH twee bolletjes wit aangetroffen.2 De inbeslaggenomen bolletjes zijn onderzocht en bleken cocaïne te bevatten.3

Op 30 oktober 2006 wordt [persoon 1] op het politiebureau gehoord waar zij verklaart dat zij die dag omstreeks 9.30 uur in de richting van de metro liep, waar zij een voor haar bekende dealer zag. Zij liep naar hem toe en zei tegen hem dat ze wat wilde hebben. Vervolgens heeft zij 1 bolletje van de dealer gekregen. Zij had het bolletje in haar bh gestopt wat later bij haar is aangetroffen.4 De verklaring van [persoon 1] dat zij het bolletje niet van de verdachte, maar van een andere dealer heeft gekregen acht het hof ongeloofwaardig gelet op de observatie van de verbalisant in combinatie met het feit dat kort hierna in de BH van [persoon 1] twee bolletjes cocaïne zijn aangetroffen. Voorts verklaart [persoon 1] dat zij wel eens bolletjes van dealer [persoon 7], die zij op foto 5 van het fotoconfrontatieboek [nummer 1] herkent als de verdachte, heeft gekocht.5

Ten aanzien van [persoon 2]

Op 23 november 2006 ziet een verbalisant vanuit een observatiepost aan het [straatnaam], voor de metro-ingang de voor hem bekende persoon [verdachte], zijnde de verdachte in deze zaak. Hij ziet de verdachte samen met een andere persoon de trap aflopen. Hij ziet de verdachte halverwege de trap stoppen met naar beneden lopen. Hij ziet de andere persoon naast de verdachte stoppen. Hij ziet de persoon iets geven aan de verdachte, hetgeen door de verdachte wordt bekeken. Vervolgens ziet hij dat de verdachte met zijn rechter hand naar zijn mond gaat en met zijn rechter duim en wijsvinger iets kleins uit zijn mond haalt. Hij ziet dat de verdachte dit vervolgens in de hand van de andere persoon drukt. De verbalisant geeft het signalement van de persoon door.6 De persoon, [persoon 2] genaamd, is daarop aangehouden. Bij zijn aanhouding zien verbalisanten dat [persoon 2] een basepijpje in zijn hand heeft met daarin asresten van opgerookte harddrugs.7

Op 23 november 2006 wordt [persoon 2] op het politiebureau gehoord waar hij verklaart dat hij die dag verdovende middelen heeft gekocht. [persoon 2] herkent de man op foto 4 uit het fotoconfrontatieboek [nummer 2] als de persoon van wie hij het bolletje heeft gekocht. De persoon op deze foto is de verdachte.8 [persoon 2] verklaart vervolgens dat hij naar beneden is gelopen met de dealer, en hem halverwege de trap tien euro heeft gegeven. Hij heeft toen van de dealer een bolletje gekregen. Hij heeft vervolgens zijn basepijpje gevuld met het bolletje cocaïne en heeft die leeg gerookt. Hij verklaart tevens dat hij wel vaker bij deze dealer een bolletje heeft gekocht.9

Ten aanzien van [persoon 3]

Op 26 november 2006 wordt [persoon 3] op het politiebureau gehoord waar zij verklaart dat zij de man op foto 4 uit het fotoconfrontatieboek [nummer 2] direct herkent als zijnde een dealer die altijd op het [straatnaam] staat. Zij heeft al zeker acht keer een balletje coke van hem gekocht.10 De persoon op deze foto is de verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 18 december 2006 te Amsterdam meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en / of verstrekt aan [persoon 1] en/of aan [persoon 2] en/of aan [persoon 3] een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verstrekken en verkopen van cocaïne. Cocaïne is een stof waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Het verstrekken en verkopen van een dergelijke stof dient dan ook te worden bestraft.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 maart 2010, is de verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder meermalen voor harddrugsdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met het tijdverloop.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 april 2010.

1 Proces-verbaal van bevindingen, nummer [pv nummer 1], d.d. 4 december 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1], p. 297 t/m 299 van het dossier, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant.

2 Proces-verbaal van aanhouding van [persoon 1], nummer [pv nummer 2], d.d. 30 oktober 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3], p. 300 t/m 301 van het dossier.

3 Een rapport van de Politie Amsterdam-Amstelland, dienst Regionale Recherche, BRE i.o. Forensische Opsporing, Laboratorium nummer 2832N06, d.d. 2 november 2006 opgemaakt en ondertekend door drs. R. Jellema, politiedeskundige, p. 385 van het dossier.

4 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [persoon 1], d.d. 30 oktober 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], p. 302 t/m 304 van het dossier.

5 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [persoon 1], d.d. 30 oktober 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], p. 302 t/m 304 van het dossier.

6 Proces-verbaal van observatie, nummer [pv nummer 3], d.d. 23 november 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4], p. 331 t/m 332 van het dossier, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant.

7 Proces-verbaal van aanhouding van [persoon 2], nummer [pv nummer 4], d.d. 23 november 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 5], p. 333 t/m 334 van het dossier.

8 Een proces-verbaal van bevindingen, nummer [pv nummer 3], d.d. 20 december 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6], p. 150 t/m 152 van het dossier, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant.

9 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [persoon 2], d.d. 23 november 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 4], p. 335 t/m 337 van het dossier.

10 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [persoon 3], nummer [pv nummer 5], d.d. 26 november 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 7], p. 371 en 372 van het dossier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature