< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Taalanalyse / niet inzichtelijk / reactie BLT bevat geen nadere motivering

Wat betreft de landenkennis van de vreemdeling is in het rapport van de taalanalyse geen enkele onderbouwing gegeven van de conclusie dat de vreemdeling niet in staat is om zijn beweerde herkomstgebied uitgebreid en gedetailleerd te beschrijven. De taalanalyse is in zoverre niet inzichtelijk.

Wat betreft de spraak van de vreemdeling vermeldt het rapport van de taalanalyse niet waarom de vreemdeling door zijn spraak eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië. Volstaan is met een algemene beschrijving van de spraak van de vreemdeling en enkele voorbeelden van zijn uitspraak, woordkeuze en grammatica, zonder deze beschrijving en voorbeelden toe te lichten of te vergelijken met hetgeen ter zake in Zuid-Somalië gebruikelijk is. Ook in zoverre is de taalanalyse dus niet inzichtelijk.

In zijn in de bestuurlijke fase opgestelde reactie van 25 november 2008 heeft het BLT volstaan met een verwijzing naar het rapport van de taalanalyse en heeft het de daarin ingenomen conclusies ter zake van de landenkennis en de spraak van de vreemdeling niet nader gemotiveerd.

Uit hetgeen hiervoor onder 2.1.4. is overwogen volgt dat de staatssecretaris er ten onrechte vanuit is gegaan dat de taalanalyse, ook indien daarbij de reactie van het BLT van 25 november 2008 wordt betrokken, naar inhoud inzichtelijk en concludent is. De vreemdeling klaagt derhalve terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris door de taalanalyse aan het besluit van 26 november 2008 ten grondslag te leggen niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Bovendien heeft de staatssecretaris dat besluit aldus ondeugdelijk gemotiveerd.

Uitspraak



200908530/1/V3.

Datum uitspraak: 15 juni 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) van 9 oktober 2009 in zaak nr. 08/44439 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2008 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 november 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat dient te worden uitgegaan van de juistheid van het rapport van 13 augustus 2008 van een onder verantwoordelijkheid van het Bureau Land en Taal (hierna: het BLT) uitgevoerde taalanalyse (hierna: de taalanalyse), dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de bij het opstellen daarvan gehanteerde onderzoeksmethode onzorgvuldig zou zijn geweest en dat hij niet alleen met het plaatsen van kritische kanttekeningen kan bewerkstelligen dat de staatssecretaris een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie dient uit te gaan. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank volgens de vreemdeling niet onderkend dat de taalanalyse niet inzichtelijk is en daarom niet aan het besluit van 26 november 2008 ten grondslag mocht worden gelegd. Volgens hem wordt in de taalanalyse niet concreet aangegeven in hoeverre de door hem verstrekte informatie omtrent zijn gestelde herkomstgebied gebrekkig is. In de taalanalyse is, wat betreft zijn spraak, volstaan met enkele voorbeelden van zijn uitspraak, woordkeuze en grammatica, zonder deze voorbeelden toe te lichten of te vergelijken met de gangbare spreektaal in Zuid-Somalië, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 3.114 van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden door een vreemdeling bij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, in persoon alle gegevens verstrekt, waaronder begrepen de relevante documenten, op basis waarvan kan worden beoordeeld of een rechtsgrond voor verlening van de vergunning aanwezig is.

2.1.2. Eerder (in de uitspraak van 18 december 2009 in zaak nr. 200901087/1/V1; www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen.

Indien bij de staatssecretaris twijfel is gerezen over de door een vreemdeling gestelde herkomst en als gevolg daarvan over diens gestelde identiteit en nationaliteit, kan de staatssecretaris, door een taalanalyse te laten verrichten, de desbetreffende vreemdeling tegemoetkomen in de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 rustende last om het door hem gestelde aannemelijk te maken.

In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat een vanwege de staatssecretaris door het BLT verrichte taalanalyse tot stand is gekomen onder verantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst waarvan de kwaliteit voldoende is gewaarborgd en dat de ingeschakelde taalanalist op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Niettemin dient de staatssecretaris, indien en voor zover hij tot het laten verrichten van een taalanalyse overgaat en deze aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van te vergewissen dat de taalanalyse – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is.

2.1.3. In het besluit van 26 november 2008, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen daartoe, heeft de staatssecretaris zich onder verwijzing naar de taalanalyse en de op 25 november 2008 door het BLT gegeven reactie op de door de vreemdeling ingediende zienswijze van 16 oktober 2008 op het standpunt gesteld dat hij aan de verklaring van de vreemdeling dat hij uit Afgooye, Zuid-Somalië afkomstig is geen geloof hecht en dat, nu hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt, ook zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Volgens de taalanalyse verstrekt de vreemdeling enige informatie over zijn beweerde herkomstgebied, maar is hij niet in staat om dit gebied uitgebreid en gedetailleerd te beschrijven. Verder vermeldt de taalanalyse dat de vreemdeling eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië, omdat hij Somalisch spreekt zoals dat gangbaar is in Noord Somalië en niet zoals dat gangbaar is in Zuid Somalië.

2.1.4. Wat betreft de landenkennis van de vreemdeling is in het rapport van de taalanalyse geen enkele onderbouwing gegeven van de conclusie dat de vreemdeling niet in staat is om zijn beweerde herkomstgebied uitgebreid en gedetailleerd te beschrijven. De taalanalyse is in zoverre niet inzichtelijk.

Wat betreft de spraak van de vreemdeling vermeldt het rapport van de taalanalyse niet waarom de vreemdeling door zijn spraak eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië. Volstaan is met een algemene beschrijving van de spraak van de vreemdeling en enkele voorbeelden van zijn uitspraak, woordkeuze en grammatica, zonder deze beschrijving en voorbeelden toe te lichten of te vergelijken met hetgeen ter zake in Zuid-Somalië gebruikelijk is. Ook in zoverre is de taalanalyse dus niet inzichtelijk.

In zijn in de bestuurlijke fase opgestelde reactie van 25 november 2008 heeft het BLT volstaan met een verwijzing naar het rapport van de taalanalyse en heeft het de daarin ingenomen conclusies ter zake van de landenkennis en de spraak van de vreemdeling niet nader gemotiveerd.

2.1.5. Uit hetgeen hiervoor onder 2.1.4. is overwogen volgt dat de staatssecretaris er ten onrechte vanuit is gegaan dat de taalanalyse, ook indien daarbij de reactie van het BLT van 25 november 2008 wordt betrokken, naar inhoud inzichtelijk en concludent is. De vreemdeling klaagt derhalve terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris door de taalanalyse aan het besluit van 26 november 2008 ten grondslag te leggen niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Bovendien heeft de staatssecretaris dat besluit aldus ondeugdelijk gemotiveerd. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 26 november 2008 door de vreemdeling ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigen.

2.3. De minister van Justitie dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 9 oktober 2009 in zaak nr. 08/44439;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 26 november 2008, kenmerk 0803-31-1591;

V. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.196,00 (zegge: elfhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.K. van Leening, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. Van Leening

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2010

513.

Verzonden: 15 juni 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature