< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Geschil in verband met de erkenning van de minderjarige; de vader heeft tijdig zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning ingediend; verzoek tot DNA onderzoek wordt toegewezen.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 26 mei 2010

Zaaknummer : 200.035.450/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 08-2887

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.C. Smit te Utrecht.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. mr. M. Jansen,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de na te noemen minderjarige,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

2. [de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. N.A. de Graaff te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 3 juni 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 april 2009 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 4 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

De bijzondere curator heeft op 10 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man is bij het hof op 1 juli 2009 een aanvullend stuk ingekomen.

Op 29 april 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw. De bijzondere curator, de man en de moeder zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De raadslieden van partijen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning van de na te noemen minderjarige afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de erkenning van de minderjarige [X], geboren [in 2000] te [woonplaats], door de man.

2. De man verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

- te bepalen dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan DNA-onderzoek;

- het verzoek van de man als geformuleerd bij de rechtbank in te willigen.

3. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man (het hof leest: het verzoek van de man in eerste aanleg) in te willigen.

4. De bijzondere curator verzoekt het hof, indien niet wordt overgegaan tot een DNA-onderzoek, het hoger beroep van de man af te wijzen

5. In de eerste grief klaagt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet vast te stellen is of de man binnen de termijn van een jaar, genoemd in artikel 1:205, derde lid BW , zijn verzoek heeft ingediend. De man stelt zich op het standpunt dat dit wel degelijk is vast te stellen, nu hij heeft betoogd dat vanaf eind 2007 hem met de nodige regelmaat berichten hebben bereikt dat hij niet de biologische vader zou zijn van de minderjarige.

In de tweede grief klaagt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn stelling dat hij zou hebben gedwaald omtrent zijn biologische vaderschap volstrekt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en/of met stellingen en bewijsstukken heeft onderbouwd. De man voert daartoe aan dat de enige manier waarop hij zijn stelling kan onderbouwen een DNA-onderzoek betreft.

6. De moeder kan zich vinden in de bestreden beschikking. Zij is wel van mening dat het verzoek van de man dient te worden toegewezen. De moeder stelt dat zij niets meer met de man te maken wil hebben en dat het in het belang van haar en haar beide kinderen is als de man volledig uit hun leven verdwijnt. De moeder wil dan ook dat de erkenning wordt vernietigd. Hierbij betrekt de moeder nog de omstandigheid dat de minderjarige bij vernietiging van de erkenning ook haar geslachtsnaam zal krijgen en niet die van de man.

7. De bijzondere curator stelt zich op het standpunt dat uitsluitend voor zover door middel van DNA-onderzoek zal komen vast te staan dat de man niet de biologische vader is van de minderjarige het verzoek van de man dient te worden toegewezen. De bijzondere curator is dan ook van mening dat een DNA-onderzoek zal moeten plaatsvinden, zodat voor de toekomst iedere onduidelijkheid kan worden weggenomen.

8. Blijkens artikel 1:205, derde lid, Burgerlijk Wetboek wordt, in geval van bedrog of dwaling, een verzoek tot vernietiging van de erkenning ingediend binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.

Eind 2007 hebben de man, zo heeft hij gesteld, met de nodige regelmaat berichten bereikt dat hij niet de biologische vader van de minderjarige zou zijn. Hij kwam er achter dat de moeder, gedurende de periodes dat hij ten tijde van de relatie gedetineerd zat, wel eens relaties met andere mannen gehad zou kunnen hebben. Op dat moment, eind 2007, werd de twijfel over zijn erkenning voldoende reëel en kan hij geacht worden bekend te zijn met het feit dat hij vermoedelijk gedwaald heeft met betrekking tot het biologische vaderschap van de minderjarige. Het hof is van oordeel dat de man binnen de in de wet genoemde termijn een verzoek tot vernietiging van de erkenning heeft ingediend bij de rechtbank, zodat hij ontvangen kan worden in zijn inleidend verzoek.

9. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat, gelet op de verklaring van de man dat hij voor de geboorte van de minderjarige onregelmatig heeft samengewoond met de moeder omdat hij verscheidende malen gedetineerd heeft gezeten, het verwekkerschap van de man niet onomstotelijk vaststaat. Het hof is niet overtuigd van het verwekkerschap van de man. Gelet op de verstrekkende gevolgen verbonden aan een vernietiging van de erkenning, zal het hof een deskundigenonderzoek gelasten. De man, de moeder en de minderjarige zullen hun medewerking hieraan verlenen, zulks ondanks het feit dat de moeder toewijzing van het verzoek bepleit. Indien de man dan wel de moeder en de minderjarige deze medewerking niet verlenen, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het geraden acht. De behandeling van de zaak zal daarom pro forma worden aangehouden tot zaterdag 25 september 2010. Het hof zal bepalen dat de kosten van het deskundigenonderzoek voorlopig ten laste van ‘s Rijks kas zullen komen, nu aan de man ingevolge de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend. In de eindbeschikking zal het hof aan de hand van de alsdan bekende feiten en omstandigheden een definitieve beslissing nemen over de vraag ten laste van wie deze kosten moeten worden gebracht.

10. De na te noemen deskundige wordt verzocht het DNA-onderzoek uit te voeren conform de accreditatie ISO 17025 norm. Voorts wordt de deskundige verzocht er zorg voor te dragen dat de afname van het DNA materiaal door of namens de deskundige ten kantore van de deskundige geschiedt, zulks na deugdelijke identificatie van zowel de man als de minderjarige en in het op te maken rapport blijk te geven van de wijze waarop deze identificatie heeft plaatsgevonden.

11. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat een DNA-onderzoek zal worden verricht ter beantwoording van de vraag of de man de verwekker is van [X], geboren [in 2000] te [woonplaats], en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid;

bepaalt dat de man, de minderjarige en de moeder hun medewerking aan dit onderzoek zullen verlenen;

benoemt tot deskundige om voornoemd onderzoek op een door deze te bepalen plaats en tijd uit te voeren: dr. W. van Gils, verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Einsteinweg 5, 2333 CC Leiden, telefoon 071-5284696, (www.verilabs.nl);

verzoekt deze deskundige het resultaat van het onderzoek aan het hof te doen toekomen, met vermelding van de kosten van het onderzoek;

bepaalt dat de kosten van dit onderzoek, begroot op € 650,-, door de griffier zullen worden betaald en voorhands ten laste van ’s Rijks kas zullen komen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze tussenbeschikking aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld hun mening over het rapport aan het hof kenbaar te maken;

houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot 25 september 2010 of zoveel eerder als het rapport van de deskundige ter griffie zal zijn ontvangen, waarna het hof zal bezien of voortzetting van de behandeling nodig is;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Dusamos en Van Wijk, bijge¬staan door

mr. Van der Kamp als griffier, en uitgespro¬ken ter openbare terecht¬zitting van 26 mei 2010.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature