< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 5 februari 2008 heeft de minister een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Uitspraak



201000193/1/V6.

Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 23 november 2009 in zaak nr. 08/3298 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2008 heeft de minister een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 4 januari 2010, en na doorzending bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, voor zover thans van belang, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, alsmede van de Nederlandse staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen.

Ingevolge artikel 10, voor zover thans van belang, kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in voormeld artikellid (hierna: de hardheidsclausule).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets (hierna: het BNT), voor zover thans van belang, beschikt een verzoeker over voldoende kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN , indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de Nederlandse samenleving kan functioneren.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt aan de hand van een door de minister op te stellen naturalisatietoets vastgesteld, of hij beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, is van het afleggen van een naturalisatietoets vrijgesteld de verzoeker die kan aantonen onder een van de in dit artikellid genoemde categorieën te vallen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, wordt het verzoek niet afgewezen om de reden dat de naturalisatietoets niet is behaald, indien ten genoegen van de minister is aangetoond dat de verzoeker door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet binnen vijf jaar in staat is de naturalisatietoets te behalen.

In paragraaf 2.2 van de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de handleiding) is een nadere toelichting gegeven op de in artikel 3 bedoelde vrijstellingscategorie ën.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister hem ten onrechte geen vrijstelling van het afleggen van het inburgeringsexamen heeft verleend. Hij voert aan dat zich omstandigheden voordeden die een vrijstelling rechtvaardigden. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de in artikel 10 van de RWN vervatte hardheidsclausule.

2.2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet voldoet aan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN , zodat de minister terecht heeft geweigerd hem het Nederlanderschap te verlenen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de door [appellant] overgelegde documenten niet vallen onder de in artikel 3, eerste lid, van het BNT, gelezen in samenhang met paragraaf 2.2 van de Handleiding, bedoelde limitatieve opsomming, zodat [appellant] niet onder één van de in dit artikellid bedoelde vrijstellingscategorieën valt. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] reeds achttien jaar in Nederland woont en volgens hem voldoende ingeburgerd is, gelet op de limitatieve lijst van vrijstellingsgronden niet kan leiden tot het oordeel dat [appellant] voor vrijstelling in aanmerking komt.

2.2.2. [appellant] bestrijdt dit oordeel niet, maar stelt dat de rechtbank er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat hij door zijn zwakbegaafdheid niet in staat is de naturalisatietoets af te leggen. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat de minister hem om die reden had dienen vrij te stellen van het afleggen van de naturalisatietoets. Voor zover [appellant] hiermee beoogt een beroep te doen op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN , faalt het betoog reeds omdat hij dit, daargelaten of hij heeft voldaan aan de in dit artikellid vervatte eis, niet in de bestuurlijke fase en in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd, doch eerst in hoger beroep. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en gesteld noch gebleken is dat [appellant] dat niet reeds bij de rechtbank had kunnen aanvoeren en hij dit, gelet op de functie van het hoger beroep, had behoren te doen, kan dat betoog reeds om die reden niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.2.3. Voor zover [appellant] een beroep heeft gedaan op de in artikel 10 van de RWN vervatte hardheidsclausule, heeft hij dit eveneens eerst in hoger beroep gedaan. Dit beroep kan, gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, derhalve evenmin slagen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

164.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature