< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 14 december 2007 heeft de staatssecretaris aan Pro Immo kennisgegeven van zijn beslissing dat hij aan de bevoegde fiscale autoriteiten van Spanje de in het besluit omschreven inlichtingen heeft verstrekt.

Uitspraak



200903188/1/H3.

Datum uitspraak: 16 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pro Immo Invest Dortmund B.V., gevestigd te Barendrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 april 2009 in zaak nr. 08/1323 in het geding tussen:

Pro Immo

en

de staatssecretaris van Financiën.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2007 heeft de staatssecretaris aan Pro Immo kennisgegeven van zijn beslissing dat hij aan de bevoegde fiscale autoriteiten van Spanje de in het besluit omschreven inlichtingen heeft verstrekt.

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft de staatssecretaris het door Pro Immo daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Pro Immo daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Pro Immo bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Pro Immo heeft de toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Pro Immo heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2009, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.E. Schipper, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Bij brief van 21 december 2009 heeft Pro Immo nadere stukken ingediend. Bij brief van 12 januari 2010 heeft de staatssecretaris een schriftelijke reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 13 april 2010, waar Pro Immo, vertegenwoordigd door mr. L.E.C. Neve, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.E. Schipper, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (hierna: Wib) kan de minister van Financiën op verzoek van een bevoegde autoriteit aan deze autoriteit de inlichtingen verstrekken waarom zij vraagt en die voor haar van belang kunnen zijn bij de heffing van een in artikel 1 bedoelde belasting, alsmede renten of bestuursrechtelijke sancties of boeten die daarmee verband houden.

Ingevolge het tweede lid stelt de minister degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Nederland woont of is gevestigd, in kennis van zijn besluit tot inwilliging van het verzoek om inlichtingen. Bij de kennisgeving geeft de minister een omschrijving van de te verstrekken inlichtingen en vermeldt hij de bevoegde autoriteit van wie het verzoek afkomstig is.

Ingevolge het derde lid geldt bij een besluit als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van artikel 8:1 van de Awb , uitsluitend als belanghebbende degene tot wie de kennisgeving van het besluit is gericht.

Ingevolge het vierde lid wordt, tenzij dringende redenen daartoe aanleiding geven, aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen geen uitvoering gegeven dan na tien dagen na dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid.

Ingevolge het vijfde lid kan de minister indien dringende redenen daartoe aanleiding geven, in afwijking van artikel 3:40 van de Awb , aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen uitvoering geven voordat degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn, daarvan in kennis is gesteld. Alsdan vindt de kennisgeving zo spoedig mogelijk plaats, doch niet later dan vier maanden na het begin van de uitvoering.

2.2. De staatssecretaris heeft het besluit om de door de Spaanse autoriteiten verzochte inlichtingen te verstrekken met toepassing van artikel 5, vijfde lid, van de Wib uitgevoerd op 17 augustus 2007 en 29 november 2007.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van Pro Immo gericht tegen het besluit van 29 augustus 2008, niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank heeft overwogen dat de enkele stelling van Pro Immo dat door de inlichtingenverstrekking schade kan worden geleden dan wel een schadeverzoek kan worden ingediend, onvoldoende is voor het aannemen van belang. In de omstandigheid dat in beroep is verzocht om vergoeding van de door Pro Immo gemaakte kosten in bezwaar is volgens de rechtbank eveneens geen belang gelegen, omdat Pro Immo hangende het bezwaar gericht tegen het besluit van 14 december 2007 de staatssecretaris niet heeft verzocht om vergoeding van deze kosten op de voet van artikel 7:15 van de Awb .

2.4. Pro Immo betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens Pro Immo moet ten behoeve van de beoordeling of belang bestaat onderscheid worden gemaakt tussen begunstigende besluiten en belastende besluiten. Een belastend besluit moet altijd op rechtmatigheid kunnen worden getoetst, omdat het inbreuk maakt op grondrechten, in dit geval het recht neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Schending van het correspondentiegeheim levert immateriële schade op. Verder voert zij aan dat het op grond van artikel 5, vijfde lid, van de Wib verstrekken van inlichtingen alvorens de kennisgeving is bekendgemaakt, betekent dat in strijd met artikel 13 van het EVRM rechtsbescherming onmogelijk wordt gemaakt.

Pro Immo betoogt dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling, omdat de Wib een onjuiste implementatie behelst van Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en omdat zij de rechtmatigheid van het aan het besluit ten grondslag liggende beleid aan de orde wil stellen.

Pro Immo betoogt voorts dat het belang bij een beoordeling is gelegen in de omstandigheid dat met de vernietiging van het besluit de aan Spanje verstrekte inlichtingen worden teruggenomen. Door de verstrekking van de inlichtingen heeft zij voorts het recht van correctie ten onrechte niet kunnen uitoefenen. Ook betoogt zij dat onjuiste of onvolledige inlichtingen kunnen leiden tot onjuiste belastingaanslagen.

Pro Immo voert aan dat haar betoog dat het namens de staatssecretaris bij haar verrichte onderzoek ter verkrijging van de inlichtingen (hierna: het onderzoek) onrechtmatig is slechts in het kader van het beroep gericht tegen het besluit van 29 augustus 2008 kan worden getoetst, omdat de aankondiging van een onderzoek geen besluit is en zij daarom belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep.

Verder lijdt Pro Immo schade omdat de correspondentie tussen haar adviseur en de advocaat tot de uitgewisselde informatie behoorden. Deze informatie valt onder het informele verschoningsrecht en zou kunnen leiden tot civielrechtelijke aansprakelijkheid voor Pro Immo, omdat zij verplicht is de vertrouwelijkheid van correspondentie tussen haar advocaat en haar adviseur te bewaren.

Tot slot betoogt Pro Immo dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep, omdat zij kosten heeft moeten maken voor rechtsbijstand.

2.4.1. Vaststaat dat de staatssecretaris de in het besluit van 14 december 2007 omschreven inlichtingen met toepassing van artikel 5, vijfde lid, van de Wib , inmiddels heeft verstrekt aan de fiscale autoriteiten in Spanje. Hiermee is het besluit van 14 december 2007 uitgewerkt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juni 2002 in zaak nr. 200106139/1), kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is in dit geval vereist dat de mogelijkheid dat ten gevolge van het besluit van 14 december 2007 schade wordt geleden, tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling wordt hiermee, anders dan Pro Immo betoogt, geen zodanige beperking opgeworpen dat artikel 13 van het EVRM zou zijn geschonden.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder andere de uitspraak van 11 november 2009 in zaak nr. 200902754/1/H1), levert het enkele feit dat een partij een principiële uitspraak van de Afdeling wenst, geen rechtens te respecteren belang op. Dat Pro Immo een principiële uitspraak wenst over de vraag of de Wib een onjuiste implementatie behelst van Richtlijn 95/46/EG en of een inbreuk heeft plaatsgevonden op het correspondentiegeheim als neergelegd in artikel 8 van het EVRM , levert derhalve geen belang op als vereist. Het door Pro Immo voorgestane onderscheid tussen begunstigende en belastende besluiten is daarbij niet van belang. Ook het feit dat Pro Immo een principiële uitspraak wenst over de rechtmatigheid van het aan het besluit ten grondslag liggende beleid, levert geen rechtens te honoreren belang op.

Pro Immo heeft niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het onderzoek dat de staatssecretaris bij haar heeft verricht in het kader van het verzoek tot inlichtingenverstrekking, mogelijk schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen, zodat zij eveneens geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van dit onderzoek.

Pro Immo heeft verder geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep om het door haar gestelde recht om de door de staatssecretaris te verstrekken inlichtingen op juistheid te controleren, wat hier ook van zij, te kunnen uitoefenen. De inlichtingen - waarvan Pro Immo de juistheid niet gemotiveerd heeft betwist - zijn reeds aan de bevoegde Spaanse autoriteiten verstrekt. De enkele stelling dat de Spaanse autoriteiten op basis van de verstrekte inlichtingen onjuiste belastingaanslagen zouden kunnen vaststellen, is dan ook onvoldoende om te oordelen dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheid bestaat dat ten gevolge van het besluit tot inlichtingenverstrekking schade wordt geleden.

Dat Pro Immo schade kan lijden omdat zij aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor het niet vertrouwelijk houden van de correspondentie tussen haar adviseur en de advocaat is, wat hiervan zij, geen direct gevolg van het besluit tot inlichtingenverstrekking, maar van het niet gescheiden houden van deze correspondentie door Pro Immo.

Pro Immo heeft verder op geen enkele wijze gepreciseerd waaruit immateriële schade als gevolg van de door haar gestelde schending van artikel 8 van het EVRM zou bestaan, zodat de Afdeling aan deze stelling voorbijgaat.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 april 2007 in zaak nr. 200604671/1), geeft de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken, onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan, zodat het betoog van Pro Immo dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling omdat zij kosten voor rechtsbijstand heeft moeten maken, faalt.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande op goede gronden overwogen dat Pro Immo niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat de mogelijkheid bestaat dat zij schade zal lijden als gevolg van het besluit tot inlichtingenverstrekking door de staatssecretaris aan de fiscale autoriteiten van Spanje.

2.4.3. Nu de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat Pro Immo geen rechtens te honoreren belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep, komt de Afdeling niet toe aan het betoog van Pro Immo dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, doordat Pro Immo niet is gehoord over de vraag of gewichtige redenen aanwezig zijn voor beperking van de kennisneming van de stukken in de zin van artikel 8:29 van de Awb .

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Graat

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2010

307-581.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature