< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Aan verdachte is ten laste gelegd (feit 1) handel in MDA, MDMA en/of N-ethyl-MDA en (feit 3) medeplegen van poging tot handel in/uitvoer van 50 kilogram MDMA, MDA en/of N-ethyl-MDA, (feit 4) (schuld)witwassen van een bedrag van € 300.000,-- en (feit 5) omkoping van een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee.

Het hof verwerpt een niet-ontvankelijkheidsverweer m.b.t. de inzet van buitenlandse opsporingsambtenaren in en andere gebreken aan een PIT-team.

Het hof spreekt verdachte van het onder 3 tenlastegelegde feit vrij, omdat de gedragingen van verdachte in voorbereidingshandelingen blijven steken. Voorts spreekt het hof verdachte vrij van het hem onder 5 tenlastegelegde, omdat het bewijs t.a.v. dat feit onrechtmatig is verkregen.

Het hof veroordeelt verdachte ten slotte wegens de onder 1 en 4 primair tenlastegelegde feiten (handel in drugs en witwassen). Onder de gegeven omstandigheden kan het niet anders dan dat verdachte wist van de middelijke of onmiddellijke criminele afkomst van het geld .

Volgt veroordeling tot een deels voorwaardelijke straf.

Uitspraak



Parketnummer: 24-001231-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-607289-06

Arrest van 8 juni 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 mei 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een maatregel, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van de officier van justitie is beperkt, en richt zich tegen de vrijspraak van verdachte van de feiten 1, 3 en 5.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover zijn hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1, 3 en 5 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Namens verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard omdat - kort gezegd - bij de inzet van buitenlandse opsporingsambtenaren als infiltranten regels zijn overtreden. Immers, de inzet van infiltranten was volgens de raadsman niet proportioneel, gelet op de tegen verdachte bestaande verdenking. Daar komt bij dat door de inzet van infiltranten verdachte is bewogen delicten te plegen die hij anders niet zou hebben gepleegd. Ten slotte dient de inzet van buitenlandse opsporingsambtenaren als onrechtmatig te worden aangemerkt, omdat het aanvankelijke bevel daartoe, gedateerd 16 juni 2005, slechts melding maakt van opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en niet rept van buitenlandse opsporingsambtenaren overeenkomstig het bepaalde in artikel 126j, lid 4, Sv .

Het hof overweegt te dien aanzien het volgende:

Vooropgesteld moet worden dat de raadsman 'stelselmatig' spreekt over infiltratie waar hij voor wat betreft de meeste van de door hem aan het openbare ministerie gemaakte verwijten kennelijk het oog heeft op de fase van het onderzoek waarin (nog) geen sprake was infiltratie maar 'slechts' van stelselmatige informatie-inwinning. Daar waar deze onzorgvuldigheid aan de orde is, zal het hof het laatstbedoelde opsporingsmiddel lezen voor het eerste.

De inzet van het opsporingsmiddel 'stelselmatige inwinning van informatie' als bedoeld in artikel 126j Sv vereist een daartoe strekkend bevel van de officier van justitie, gegeven in het belang van het onderzoek, in geval van verdenking van een misdrijf.

Op grond van CIE-meldingen bestond tegen verdachte een dergelijke verdenking. Onder meer komt uit CIE-informatie in het Proteus-onderzoek (dat liep van 15 november 2004 tot en met 4 januari 2005) naar voren dat verdachte XTC-pillen zou verkopen voor € 0,70 bij afname van minimaal 10.000 stuks1. CIE-processen-verbaal kunnen niet worden gebezigd als zelfstandig bewijsmiddel, maar vast staat dat zij gebruikt mogen worden als aanleiding voor het starten van een onderzoek. Het verweer wordt in zoverre verworpen. Van een onvoldoende grondslag voor de inzet van het middel is niet gebleken.

Het hof acht de inzet van informatie-inwinners/infiltranten niet disproportioneel. Bij het eerdergenoemde Proteus-onderzoek was gebleken dat deelnemers aan in dat onderzoek opgenomen telefoongesprekken rekening hielden met de mogelijkheid dat die gesprekken zouden worden afgeluisterd. Tegen die achtergrond en gelet op de aard van de verdenking was gebruikmaking van de bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatige informatie-inwinning, infiltratie en pseudokoop gerechtvaardigd.

De raadsman heeft terecht opgemerkt dat het bevel ex artikel 126j Sv niet inhoudt dat stelselmatige informatie-inwinning zal plaatsvinden door buitenlandse opsporingsambtenaren. In plaats daarvan worden opsporingsambtenaren ex art. 141 Sv aangewezen. Het door de raadsman ingenomen standpunt dat deze omissie verstrekkende consequenties rechtvaardigt, deelt het hof niet.

Daarbij is van belang dat het hof artikel 126j, lid 4, Sv opvat als een bepaling waarmee de in het eerste lid van dat artikel gegeven bevoegdheid wordt uitgebreid. Met het in het vierde lid bepaalde wordt niet een extra of nieuwe bevoegdheid gecre?erd, maar wordt beoogd te voorzien in een uitbreiding van groep informatie-inwinners die op grond van het bepaalde in het eerste lid reeds is aangewezen. Dit relativeert het belang van de norm als waarborg voor de verdachte tegen onrechtmatig overheidsoptreden. Verdere relativering vindt plaats nu uit het dossier blijkt dat de officier van justitie, die het bevel ex artikel 126j Sv heeft gegeven, al v óór de afgifte ervan op16 juni 2005 op de hoogte was van het advies om buitenlandse opsporingsambtenaren als stelselmatige informatie-inwinner in te zetten.

Het hof komt dan ook tot de slotsom dat het verzuim om in het bevel op te nemen dat de stelselmatige informatie-inwinning zal plaatsvinden door buitenlandse opsporingsambtenaren weliswaar als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek heeft te gelden, maar dat met deze vaststelling kan worden volstaan in het licht van het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Als grondslag van het verweer strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie kan het niet dienen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat bij de debriefing van de Engelse opsporingsambtenaren ten onrechte geen gebruik werd gemaakt van een tolk. Daarmee is het risico op miscommunicatie op de koop toegenomen, hetgeen volgens de raadsman onaanvaardbare risico's meebrengt en (evenzeer) het vervolgingsrecht zou aantasten.

Het hof verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe als volgt:

Een algemene verplichting om bij de debriefing van de Engelse opsporingsambtenaren die optreden als stelselmatige informatie-inwinners de hulp van een tolk/vertaler in te roepen, kent het recht niet. Waar het op aan komt is de vraag of de debriefende Nederlandse opsporingsambtenaren op zodanige wijze met de informatie-inwinners kunnen communiceren dat de integriteit van de opsporing en (daarmee van) het strafproces voldoende is gewaarborgd. Bij gelegenheid van de verhoren door de rechter-commissaris2 is deze kwestie aan de orde geweest. Daarbij is niet gebleken dat zich in de communicatie tussen de Engelse opsporingsambtenaren en de Nederlandse begeleiding van het Politieinfiltratieteam misverstanden of communicatieproblemen hebben voorgedaan. Er zijn ook overigens geen aanwijzingen dat bij het opnemen van de verklaringen van de Engelse opsporingsambtenaren sprake is geweest van onduidelijkheden of dat zich daarbij anderszins spraakverwarringen voordeden. Zonder nadere onderbouwing van het verweer, die ontbreekt, bestaat geen aanleiding te oordelen dat op dit punt enig(e) vormverzuim of onrechtmatigheid heeft plaatsgehad.

Een volgende pijler van het verweer van de raadsman houdt in dat bij de inzet van buitenlandse opsporingsambtenaren altijd vier begeleiders moeten worden ingezet. Het werken met buitenlandse opsporingsambtenaren en het gebruik daarbij van slechts twee begeleiders levert een ernstig vormverzuim op, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt te dien aanzien als volgt:

Artikel 5 van de Regeling infiltratieteams beschrijft in het eerste lid de samenstelling van een infiltratieteam, waarbij, voor zover voor de onderhavige zaak van toepassing, is bepaald dat het team is samengesteld uit tenminste vier begeleiders. Deze samenstelling ziet ingevolge artikel 1 sub a van de Regeling infiltratieteams op het team als eenheid van een regionaal politiekorps en niet op de specifieke groep van opsporingsambtenaren die - vanuit het team - wordt ingezet in een concreet onderzoek. Evenmin schrijft genoemde Regeling voor dat een undercoveragent binnen een onderzoek door meer dan één persoon begeleid zou moeten worden. De door de raadsman gesignaleerde tekortkoming levert derhalve naar het oordeel van het hof geen normschending op.

Het verweer dat verdachte door de stelselmatige inwinners is bewogen delicten te plegen die hij anders niet zou hebben gepleegd, treft - voor zover het de handel in XTC betreft - evenmin doel. Desgevraagd hebben de ingezette undercoveragenten helder uiteengezet zich bewust te zijn geweest van inhoud en strekking van het zogenoemde Talloncriterium. Voort blijkt uit de verklaring van A-1691, "[naam]", dat het verdachte zelf was die als eerste de handel in XTC ter sprake bracht. Tot slot was het verdachte die betrekkelijk snel ook daadwerkelijk met XTC (MDMA) op de proppen kwam. Van enige uitlokking van verdachte terzake is niet gebleken.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens de feiten 1, 3, 4 primair en 5 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negenendertig maanden met aftrek van voorarrest, en dat het hof met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen zal beslissen overeenkomstig de beslissing in eerste aanleg.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

De eerste rechter heeft op vordering van de officier van justitie toegelaten dat de tenlastelegging werd gewijzigd. Als gevolg van deze wijziging is aan verdachte ten laste gelegd dat

:

1:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 7 juni 2006, in de provincie Flevoland en/of de provincie Noord-Holland en/of de provincie Brabant en/of in de provincie Utrecht, en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1,9 gram MDMA en/of 50 tabletten bevattende MDMA en/of (ongeveer) 2113 gram MDMA en/of (ongeveer) 1999 gram MDA en/of (ongeveer) 2110 gram MDMA, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of (een) ander(e) middel(en), vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:

hij in of omstreeks de periode 7 juni 2006 tot en met 28 juni 2006, in de provincie Flevoland en/of de provincie Brabant en/of de provincie Utrecht en/of de provincie Noord-Holland en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk en/of te verkopen en/of af te leveren en/of te verstrekken en/of te vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet , ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of N-ethyl-MDA en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk (onder andere)

- een- of meermalen contacten heeft/hebben gelegd en/of gehad met een persoon of personen die gebruik maakte(n) van het telefoonnummer 06-[...] en/of

- geld bestemd voor aankoop van de MDMA en/of MDA en/of N-ethyl-MDA voorhanden heeft gehad en/of in Utrecht een aanbetaling heeft gedaan (van 25.000 Euro) voor de levering van die MDMA en/of MDA en/of N-ethyl-MDA en/of

- een afspraak heeft gemaakt tot levering op 28 juni 2006 en/of

- op 28 juni 2006 contact heeft gehad met de afnemers en/of een monster aan de afnemers heeft geleverd en/of (vervolgens) naar 's-Hertogenbosch is gereden en/of (vervolgens) in 's-Hertogenbosch contact heeft gehad met de leveranciers;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4:

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003, in de gemeente [gemeente 1], althans in de provincie Flevoland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) een voorwerp (te weten ongeveer 300.000,- euro aan contanten geld) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl verdachte en/of zijn mededaders wisten dat die 300.000 euro, middellijk of onmiddellijk, afkomstig waren van enig misdrijf, immers, heeft/hebben verdachte en ene [medeverdachte 2] en/of zijn mededaders op 17 januari 2003, in totaal 300.000,- euro aan contanten gestort op rekeningnummer [rekeningnummer] (zijnde een rekening bij de ING bank, op naam van [verdachte]);

althans indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

dat hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003, in de gemeente [gemeente 1], althans in de provincie Flevoland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) een voorwerp (te weten ongeveer 300.000,- euro aan contanten geld) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl verdachte en/of zijn mededaders redelijkerwijs moesten vermoeden dat die 300.000 euro, middellijk of onmiddellijk, afkomstig waren van enig misdrijf, immers, heeft/hebben verdachte en ene [medeverdachte 2] en/of zijn mededaders op 17 januari 2003, in totaal 300.000,- euro aan contanten gestort op rekeningnummer [rekeningnummer] (zijnde een rekening bij de ING bank, op naam van [verdachte]);

5:

hij op of omstreeks 156 mei 2006, althans in de maand mei 2006 in de gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal een ambtenaar, te weten [medeverdachte 1], ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee, een gift of belofte heeft gedaan danwel een dienst heeft verleend of aangeboden met het oogmerk om die ambtena(a)r(en) te bewegen in hun/zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, immers heeft/hebben hij verdachten en/of zijn mededader(s) aan de [medeverdachte 1] een geldbedrag beloofd, als die [medeverdachte 1] in zijn functie als wachtmeester bij de Marechaussee op de luchthaven Schiphol, een persoon met een (groot) geldbedrag (bestemd voor de aankoop van verdovende middelen) ongecontroleerd door/langs de douane/grenscontrole zou helpen.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aan verdachte is onder 4 primair ten laste gelegd (medeplegen van) witwassen. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken omdat - kort gezegd - allerminst vaststaat dat het door verdachte op 17 januari 2003 op zijn rekening gestorte geld van enig misdrijf afkomstig is, terwijl verdachte niet wist van de (mogelijk) criminele herkomst van dat geld. Ter onderbouwing van die stelling hebben verdachte en zijn advocaat aangevoerd dat verdachte en zijn mededader, [medeverdachte 2], het geld door tussenkomst van [geldverstrekker 1] hebben geleend van ene [geldverstrekker 2] uit Oekraïne, en dat zij die lening bij akte hebben vastgelegd bij een notaris in [plaats]. Uit de omstandigheid dat de lening via de notaris liep, en omdat verdachte en [medeverdachte 2] het geld op de eigen rekening van verdachte stortten vloeit volgens verdachte voort de aannemelijkheid dat hij niet wist dat zijn handelwijze mogelijk niet zou deugen.

Het hof overweegt het volgende.

De verklaring die verdachte over de herkomst van de door hem en [medeverdachte 2] op zijn rekening gestorte bedrag van in totaal € 300.000,-- heeft gegeven houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in:

- verdachte heeft zich samen met [medeverdachte 2] tot enkele reguliere Nederlandse banken gewend teneinde een geldlening te krijgen om een sportschool te kunnen overnemen. Deze banken waren niet bereid om de gewenste lening te verstrekken, omdat verdachte en [medeverdachte 2] onvoldoende zekerheid konden verschaffen;

- via de toenmalige eigenaresse van de sportschool zijn verdachte en [medeverdachte 2] in contact gekomen met een particulier ([geldverstrekker 1]) die iemand kende, te weten ene [geldverstrekker 2] uit Oekraïne, die bereid was om het gewenste bedrag aan hen te lenen. Het stellen van enige zekerheid was daartoe niet noodzakelijk en de bedongen rente was hoger dan wanneer het geld bij een reguliere bank zou zijn geleend;

- de voor verdachte en [medeverdachte 2] onbekende [geldverstrekker 2] zou zijn geld hebben verdiend met de autohandel;

- verdachte heeft genoemde [geldverstrekker 2] nimmer ontmoet. Hij en [medeverdachte 2] kregen het geld voor het eerst tot hun beschikking nadat de door hem geplaatste handtekening onder een 'loan-agreement' door een notaris was gelegaliseerd. Het geld is noch door verdachte, noch door de notaris geteld;

- nadat de 'loan-agreement' was getekend en het geld (in contanten) was overhandigd zijn verdachte en [medeverdachte 2] naar de bank gegaan om het geld op de rekening van verdachte te zetten.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat onder voormelde omstandigheden niet alleen vaststaat dat het door verdachte en [medeverdachte 2] geleende geld onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig is, maar tevens dat zij wisten van de onmiddellijke of middellijke criminele herkomst van dat geld. Immers, in de situatie waarin iemand die woont in Oekraïne bereid is om een geldbedrag van € 300.000,-- uit te lenen aan hem volslagen onbekende derden die wonen in Nederland, tegen een hogere dan gebruikelijke rente, waarbij geen enkele zekerheid voor die lening wordt verlangd, kan het naar het oordeel van het hof niet anders, dan dat sprake is van 'crimineel geld'. Voor verdachte en [medeverdachte 2] komt daar nog bij dat zij reeds bij verschillende reguliere bankinstellingen te horen hadden gekregen dat zij, om een lening van een dergelijke omvang te krijgen, in de gegeven omstandigheden een te groot risico inhielden voor die banken en dat zij onvoldoende zekerheid konden bieden.

De kans dat er sprake zou zijn van een - welhaast als weldoener aan te duiden - onbekende die in de gegeven situatie zoveel geld met een legitieme afkomst beschikbaar wil stellen acht het hof verwaarloosbaar klein. Er is immers voor een bona fide geldverstrekker met eerlijk geld geen enkele reden om onnodig een dergelijk groot financieel risico te lopen.

De vaststelling van het hof dat het door verdachte en [medeverdachte 2] geleende geld onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig is, wordt naar het oordeel van het hof nog onderstreept door het volgende:

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij na zijn aanhouding op 28 juni 2006 geen afbetaling meer heeft gedaan op het op dat moment nog opengstaande restant - waarvan verdachte ter terechtzitting de omvang overigens niet eens bij benadering wist aan te duiden - van de lening van € 300.000,--. Van de zijde van de geldverstrekker is desondanks nimmer enig bericht, enige betalingsherinnering of enige aanmaning aan verdachte verzonden.

Een dergelijke gang van zaken laat zich naar het oordeel van het hof niet anders verklaren dan dat een malafide geldverstrekker, die bereid was een risico te lopen door crimineel geld tegen een hogere dan gebruikelijke rente te legaliseren, de consequenties accepteert van het zich manifesteren van dat risico. Waar een bona fide geldverstrekker immers bij het uitblijven van afbetalingen zou overgaan tot aanmaningen en vervolgens gebruikelijke incassomaatregelen zou treffen, zal een malafide geldverstrekker incassomaatregelen achterwege laten om te vermijden dat hij de herkomst van zijn vermogen in rechte zou moeten verklaren. Het hof verwerpt daarom het verweer.

Ten aanzien van het verzoek van verdediging om, in geval van een bewezenverklaring, de genoemde [geldverstrekker 2] als getuige te horen overweegt het hof het volgende:

Hoewel onder de gegeven omstandigheden de situatie welhaast schreeuwt om een nadere verklaring van verdachte, blijft hij desgevraagd bij zijn eerder afgelegde verklaringen en geeft hij niet anders dan min of meer ontwijkende antwoorden op de hem gestelde vragen over de geldlening, de gang van zaken daaromtrent en de huidige situatie. Mede in dit licht bezien als ook in het licht van hetgeen daaromtrent van de zijde van de verdediging is aangevoerd is het hof onvoldoende gebleken van de noodzaak om de genoemde getuigen alsnog te horen. Het hof wijst dit verzoek daarom af.

Overweging omtrent het bewijs ten aanzien van feit 3

Onder 3 is aan verdachte ten laste gelegd - kort gezegd - (medeplegen van) poging tot handel in/uitvoer van 50 kilogram MDA en/of MDMA en/of N-ethyl-MDA.

Het hof heeft op grond van de voorhanden bewijsmiddelen niet kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van het ten laste gelegde. Weliswaar kunnen de ten laste gelegde feitelijke gedragingen, te weten het meermalen telefonisch contact hebben met telefoonnummer 06-[....], een betaling van € 25.000,-- doen en een afspraak hebben tot levering op 28 juni 2006, bewezen worden, maar verdachte is daarmee naar het oordeel van het hof niet verder gekomen dan het verrichten van enkele voorbereidingshandelingen die - mogelijk - gericht waren op het voltooien van het hem verweten delict. Daarbij is van doorslaggevend belang dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte of één van zijn medeverdachten daadwerkelijk de beschikking had over de/een te verhandelen c.q. uit te voeren hoeveelheid MDA en/of MDMA en/of N-ethyl-MDA.Verdachte moet van het hem onder 3 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Overweging omtrent het bewijs ten aanzien van feit 5

Onder 5 is aan verdachte - kort gezegd - (medeplegen van) poging tot omkoping ten laste gelegd, waarbij verdachte en zijn mededader(s) zouden hebben getracht [medeverdachte 1], ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee, te bewegen in zijn bediening in strijd met zijn plicht iets te doen of na te laten.

Namens verdachte is aangevoerd dat de handelingen van verdachte onvoldoende zijn om te komen tot medeplegen, terwijl de betrokkenheid van verdachte bij dit feit een rechtstreeks gevolg is van de gebruikte (onrechtmatige) opsporingsmethoden, hetgeen tot vrijspraak moet leiden.

Naar het oordeel van het hof biedt het dossier aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het initiatief tot het omkopen van [medeverdachte 1] in overwegende mate niet bij verdachte lag, maar bij de infiltrant die zich bediende van het pseudoniem "[naam]". Weliswaar heeft verdachte - wetende wat diens bedoeling was - "[naam]" in contact gebracht met [medeverdachte 1], en is hij bij de contacten tussen "[naam]" en [medeverdachte 1] betrokken gebleven, maar van een tevoren bij de verdachte bestaand generiek opzet op de ten laste gelegde omkoping blijkt, anders dan bij de handel in XTC, naar het oordeel van het hof onvoldoende. Op grond van het strafdossier staat het geenszins vast dat verdachte een dergelijk delict eigener beweging zou hebben gepleegd. Deze vaststelling leidt ertoe dat, waar het optreden van de infiltrant jegens verdachte in dit verband als onrechtmatig moet worden aangemerkt, het resultaat van het onderzoek in zoverre ten aanzien van dit delict niet mag meewerken tot het bewijs. Verdachte dient van dat feit te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1:

hij in de periode van 01 januari 2006 tot en met 7 juni 2006, in Nederland opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd ongeveer 1,9 gram MDMA en 50 tabletten bevattende MDMA en ongeveer 2113 gram MDMA en ongeveer 1999 gram MDA en ongeveer 2110 gram MDMA, zijnde MDA en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4: primair:

hij in op 17 januari 2003, in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met een ander, een voorwerp (te weten 300.000,- euro aan contanten geld) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat die 300.000 euro, middellijk of onmiddellijk, afkomstig waren van enig misdrijf, immers, hebben verdachte en ene [medeverdachte 2] op 17 januari 2003 in totaal 300.000,- euro aan contanten gestort op rekeningnummer [rekeningnummer] (zijnde een rekening bij de ING bank, op naam van [verdachte]).

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 4 primair:

medeplegen van witwassen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van in totaal ruim zes kilogram MDA en/of MDMA, hetgeen een grove overtreding oplevert van de Opiumwet. De strafwaardigheid van deze delicten is in zijn algemeenheid gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van MDA en MDMA voor de volksgezondheid vormt en de met dit gebruik gepaard gaande criminaliteit.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een groot geldbedrag. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Het hof rekent het de verdachte met name aan dat hij, gedreven door zijn kennelijke behoefte om snel en gemakkelijk aan geld te komen, er niet voor terugdeinst om anderen in zijn omgeving mee te trekken in zijn criminele handel en wandel.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2010 niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld. Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden en met hetgeen daaromtrent overigens uit het strafdossier is gebleken.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met het tijdsverloop. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat ten aanzien van de behandeling in hoger beroep geen sprake is van een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM . De redelijke termijn is met een jaar overschreden, en dientengevolge is strafvermindering op zijn plaats. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 20083 zal het hof de in beginsel op te leggen straf met 10% verminderen. Waar het hof in beginsel een gevangenisstraf van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk passend en geboden acht, zal het nu een gevangenisstraf van eenentwintig maanden en achttien dagen, waarvan zeven maanden en zes dagen voorwaardelijk opleggen.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door de verdachte begane strafbare feiten van oordeel dat oplegging van de na te melden straf passend en geboden is.

Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn onder meer de hierna te noemen voorwerpen in beslag genomen:

- 1 stk Drugs, wikkel met MDMA (3,4 meth.);

- 50 stk Drugs, pillen, bevattende MDMA (3,4 meth.);

- 2113,10 gr. Drugs, MDMA (3,4 meth.);

- 4 zak Drugs, 2x MDA tot 1999,1 gr + 2x MDMA tot 2110 gr. (3,4 meth.);

- 1 ds Drugs, met ampullen+flesjes+naalden (A.03.02.02+A.03.03.01);

- 1 stk Drugs, blikje met diverse inhoud sleutel poeder papier.

Het hof zal deze voorwerpen onttrekken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat, hetzij het onder 1 bewezen verklaarde feit met behulp van deze voorwerpen is begaan, hetzij deze voorwerpen tot het begaan van de bewezen verklaarde feiten zijn vervaardigd of bestemd, hetzij deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen en zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 onder B en 10 van de Opiumwet , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1, 3 en 5 tenlastegelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 3 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 en 4 primair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden en achttien dagen;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van zeven maanden en zes dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1 stk diskette, 5 disk, 24 cd-dvd, 06-018/32, 06-0816/29, 06-0816/30;

- 1 stk GSM (Mobiele telefoon) Motorola C118 06-15603553 SIMVodafone: [nummers];

- 1 stk GSM, merk Samsung, type SGH-0800, IMEI nr [nummer];

verklaart aan het verkeer onttrokken:

- 1 stk Drugs, wikkel met MDMA (3,4 meth.);

- 50 stk Drugs, pillen, bevattende MDMA (3,4 meth.);

- 2113,10 gr. Drugs, MDMA (3,4 meth.);

- 4 zak Drugs, 2x MDA tot 1999,1 gr + 2x MDMA tot 2110 gr. (3,4 meth.);

- 1 ds Drugs, met ampullen+flesjes+naalden (A.03.02.02+A.03.03.01);

- 1 stk Drugs, blikje met diverse inhoud sleutel poeder papier;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- Geld Nederlands, 32.800 Euro;

- Geld Nederlands, 1.980 Euro, pap. tasje met envelop + geld bundeltjes van 10 + 20 euro.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. G. Dam en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier.

1 Proces-verbaal nummer [nummer], d.d. 10 juli 2006 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden opsporingsambtenaar

2 Proces-verbaal d.d. 15 januari 2007 met RC-nummer 06/5477, 06/5479, 06/5480 en 06/5529, opgemaakt door mr. A. van Holten, rechter-commissaris voor de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zwolle-Lelystad

3 NJ 2008, 358


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature