Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Overtreding van artikel 6 WVW. Oplegging van een werkstraf in plaats van een gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601187-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 april 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1983] te [geboorteplaats]

wonende aan de [woonadres] te [woonplaats]

raadsman mr. E.J. de Mare, advocaat te Groningen

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 april 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Verder hebben mevrouw [betrokkene 1] en mevrouw [betrokkene 2], nabestaanden van de heer [slachtoffer 1] op de terechtzitting een slachtofferverklaring voorgelezen.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: met een motorrijtuig een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander is omgekomen en waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

subsidiair: met een motorrijtuig gevaar en/of hinder heeft veroorzaakt op de weg.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat verdachte zich roekeloos heeft gedragen in het verkeer en dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde en heeft hiervoor een vrijspraak bepleit. De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank mogelijk wel tot een bewezenverklaring kan komen van het subsidiair tenlastegelegde.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 9 oktober 2008 omstreeks 16.25 uur heeft op de rijksweg A12 te Utrecht een ongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval zijn drie vrachtauto’s en twee personenauto’s betrokken geweest. De personenauto van het merk Chrysler, met kenteken [kenteken], werd bestuurd door de heer [slachtoffer 1]. De personenauto van het merk Peugeot, met kenteken [kenteken], werd bestuurd door de heer [betrokkene 3]. De vrachtwagencombinatie, trekker met oplegger, van het merk Scania, kleur wit, met kenteken [kenteken], werd bestuurd door verdachte. De vrachtwagencombinatie, trekker met oplegger, van het merk Scania, met het Griekse kenteken [kenteken], werd bestuurd door [betrokkene 4] en de vrachtwagencombinatie, trekker met oplegger, van het merk Volvo, met kenteken [kenteken], werd bestuurd door [betrokkene 5].

De heer [slachtoffer 1] is tengevolge van dit ongeval overleden. De heer [betrokkene 3] heeft tengevolge van het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten ernstig hersenletsel.

Verdachte heeft verklaard dat hij vlak voor het ontstaan van het ongeval op de rechterrijstrook van de A12 richting Arnhem reed. Ter hoogte van de afrit naar de A27 wilde verdachte zijn voertuig naar rechts sturen om de afrit op te kunnen rijden. Op datzelfde moment reed de bestuurder van een vrachtauto met kenteken [kenteken], [betrokkene 4], reeds op de rijbaan van de afrit naar de A27, met een snelheid van ongeveer 30 a 40 kilometer per uur. [betrokkene 4] maakte, volgens verdachte, een stuurbeweging naar links waardoor verdachte moest uitwijken en op de rechterrijstrook van de A12 moest blijven rijden. Omdat verdachte de afrit naar de A27 op moest, besloot hij de vrachtauto van [betrokkene 4] in te halen en vóór deze vrachtauto in te voegen op de afrit. Verdachte had naar zijn eigen zeggen een te hoge snelheid om voldoende te kunnen afremmen om achter [betrokkene 4] in te voegen op de afrit. Bij het invoegen na het inhalen van de vrachtauto van [betrokkene 4], heeft verdachte met zijn vrachtauto de linker buitenspiegel van de vrachtauto van [betrokkene 4] geraakt.

Bij het invoegen op de afrit naar de A27 is hij op de linkerrijstrook van de afrit in botsing gekomen met de personenauto (Peugeot) van de heer [betrokkene 3], welke op dat moment voor de vrachtauto van [betrokkene 4] reed. De aan de achterzijde aangereden Peugeot werd naar voren geduwd en met de voorzijde tegen de door [slachtoffer 1] bestuurde Chrysler geduwd. Zowel de Peugeot als de Chrysler zijn tengevolge van deze botsing gedraaid. Vervolgens is de vrachtauto van verdachte tegen de rechterzijde van de Chrysler gereden. De linkerzijde van de Chrysler werd met forse kracht tegen de achterzijde van de vrachtauto met kenteken [kenteken], bestuurd door [betrokkene 5], geduwd. Op nagenoeg hetzelfde moment als de aanrijding waarbij de Chrysler tegen de achterzijde van de vrachtauto met kenteken [kenteken] sloeg, reed de door verdachte bestuurde vrachtauto ook tegen de achterzijde van de vrachtauto van [betrokkene 5]. De Chrysler werd door de rechterzijde van de vrachtwagen van verdachte gehaakt en meegenomen. Terwijl de andere voertuigen met elkaar in botsing kwamen draaide de Peugeot met de achterzijde naar rechts door en kwam ongeveer 180°gedraaid tot stilstand tegen de midden geleiderail.

4.3.2. Bewijsoverwegingen

De centrale vraag voor de rechtbank is of het aan het verkeersgedrag van verdachte te wijten is dat het ongeval heeft plaatsgevonden en zo ja, welke mate van schuld verdachte daaraan heeft. De rechtbank let daarbij op het volgende.

Snelheid

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 9 oktober 2008 als bestuurder van een vrachtauto over de rechterrijstrook van de autosnelweg A12 reed. Hij heeft de matrix-borden boven de weg zien branden op 70 kilometer per uur. Verdachte wilde de afrit naar de A27 oprijden. Verdachte had gezien dat er sprake was van filevorming op deze afrit.

Het feit dat het druk was op deze afrit wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige] en [betrokkene 4] , die verklaren dat er op de afrit naar de A27 sprake was van stilstaand verkeer.

Uit de gegevens van de tachograaf van de vrachtauto waarin de verdachte reed is gebleken dat de vrachtauto kort voorafgaand aan de aanrijding tussen de 68 en 71 kilometer per uur reed.

Doorgetrokken streep

Uit het proces-verbaal van de verkeersongevalanalyse blijkt dat verdachte toen hij van de A12 invoegde op de afrit naar de A27 niet de rijbaan heeft gebruikt, maar de aanvang van de vluchtstrook. Gelet op de tekeningen in het dossier kan hieruit geconcludeerd worden dat verdachte derhalve over een dubbele doorgetrokken streep is gereden.

Mobiele telefoon

Uit onderzoek is voorts gebleken dat verdachte op de dag van het ongeval vier mobiele telefoons in de cabine van zijn vrachtauto had, waarvan er enkele die dag zijn gebruikt. Rond het tijdstip van het ongeval heeft verdachte een sms-bericht verzonden met één van deze mobiele telefoons.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 9 oktober 2008 te Utrecht, als bestuurder van een vrachtauto rijdende over de Rijksweg A12 zich schuldig heeft gemaakt aan een aan zijn schuld te wijten ongeval, waarbij [slachtoffer 1] is komen te overlijden en aan [betrokkene 3] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Verdachte is immers met een te hoge snelheid, gezien de ter plaatste ontstane drukke situatie en de filevorming op de afrit, de afrit naar de A27 opgereden. Deze bijzondere manoeuvre werd door verdachte op het laatste moment verricht, waarbij hij gebruikt heeft moeten maken van de reeds aangevangen vluchtstrook. Wie zoals verdachte een bijzondere manoeuvre uitvoert, behoort zich tevoren ervan te hebben vergewist dat dit kan geschieden zonder andere weggebruikers in gevaar te brengen.

Verdachte heeft onvoldoende waargenomen hoe de verkeerssituatie zich op deze afrit had ontwikkeld en zijn snelheid bij het naderen van die afrit met het oog op de filevorming onvoldoende aangepast. Hierdoor is verdachte op een stilstaande personenauto gereden, met de genoemde ernstige gevolgen. Verdachte heeft aldus aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gehandeld.

Gezien het bovenstaande is de rechtbank van mening dat verdachte door zo te handelen schuldig is aan het daarna ontstane verkeersongeval, waarbij de schuld van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend aangemerkt wordt. De rechtbank is van oordeel dat het bovenstaande niet tot het oordeel leidt dat van roekeloosheid, een nog zwaardere vorm van schuld, aan de zijde van verdachte sprake is geweest.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 09 oktober 2008 te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuigcombinatie, namelijk trekker met oplegger, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A12, zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

over een dubbele doorgetrokken streep (een zogenaamd puntstuk) naar de rechts van hem liggende linker rijstrook van de verbindingsweg naar de Rijksweg A27 te sturen/rijden en

zijn snelheid onvoldoende aan te passen op het moment dat hij naar de rechts van hem liggende rijstrook van de verbindingsweg naar de Rijksweg A27 stuurde/reed terwijl zich op dat moment op die linker rijstrook een file had gevormd en

zijn aandacht onvoldoende te richten op het wegverkeer, immers was hij rond het tijdstip dat hij van rijstrook verwisselde bezig met het zenden van een sms-bericht en

de door hem bestuurde motorrijtuigcombinatie niet tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en

vervolgens op de linker rijstrook van genoemde verbindingsweg

- in botsing te komen met de linker buitenspiegel van een motorrijtuigcombinatie (trekker met oplegger, kenteken [kenteken]) en vervolgens

- tegen de achterzijde aan te rijden/botsen van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot, kenteken [kenteken]) waardoor deze auto tegen de achterzijde van diens voorligger (merk Chrysler, kenteken [kenteken]) botste/reed

en vervolgens

- tegen de achterzijde van een motorrijtuig (personenauto, merk Chrysler, kenteken [kenteken]) aan te rijden/te botsen (waardoor deze auto tegen de achterzijde van diens voorligger (trekker met oplegger, kenteken [kenteken]) botste/reed

en vervolgens

- tegen de achterzijde van een motorrijtuigcombinatie, trekker met

oplegger, (kenteken [kenteken]) aan te rijden/te botsen,

waardoor de bestuurder van de eerdergenoemde Chrysler (kenteken [kenteken]),

genaamd [slachtoffer 1], werd gedood en de bestuurder van eerdergenoemde Peugeot

(kenteken [kenteken]), genaamd [betrokkene 3] zwaar lichamelijk letsel bekwam (te

weten, onder andere, ernstig hersenletsel).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds ingehouden is geweest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij een op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om die reden te kiezen voor een werkstraf in plaats van een gevangenisstraf. Ten aanzien van een op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een ongeval veroorzaakt, waarbij hij met de door hem bestuurde vrachtwagen in botsing is gekomen met verschillende voertuigen, waaronder de personenauto’s van de heer [slachtoffer 1] en de heer [betrokkene 3].

Op verdachte rust als beroepsvrachtwagenchauffeur een zware verantwoordelijkheid en van hem mag verwacht worden dat hij zeer alert is in het verkeer. Doordat hij, ondanks de naast hem op de rijbaan van de A27 ontstane file, toch op het allerlaatste moment de afrit naar de A27 op reed, heeft het ongeval kunnen gebeuren. Ten gevolge van dit aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen, is [slachtoffer 1] overleden en heeft [betrokkene 3] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Het leed dat door het ongeval bij de nabestaanden en het slachtoffer is veroorzaakt is groot en onherstelbaar. Uit het dossier is gebleken dat de heer [betrokkene 3] nog dagelijks de gevolgen van het ongeval ondervindt en dit waarschijnlijk ook de rest van zijn leven zal ondervinden.

De gevolgen van het ongeval voor de nabestaanden van de heer [slachtoffer 1] zijn gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting door twee dochters van de heer [slachtoffer 1] zijn voorgehouden.

Wat betreft de persoon van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat ook verdachte lijdt onder de gevolgen van het ongeval. Hij zal moeten leren leven met het gegeven dat er door zijn toedoen iemand om het leven is gekomen. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat er sprake is van een jonge verdachte en dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 22 februari 2010 geen relevante vermeldingen heeft.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor hetgeen zij bewezen heeft verklaard een voorwaardelijke gevangenisstraf, een werkstraf alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, passend en geboden is. Dit is een lagere straf dan gevorderd. De rechtbank wijst er – in dit verband – op dat de officier van justitie bewezenverklaring van roekeloos rijgedrag heeft gevorderd en de rechtbank tot minder zware mate van schuld komt.

De rechtbank is zich ervan bewust dat geen op te leggen straf het leed van de nabestaanden en het slachtoffer zal wegnemen.

De jonge leeftijd van verdachte, het ontbreken van recidive en het feit dat verdachte zal moeten leren leven met de gedachte dat er door zijn toedoen iemand om het leven is gekomen en een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, liggen ten grondslag aan de beslissing van de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen.

Met betrekking tot het opleggen van na te melden ontzegging van de rijbevoegdheid overweegt de rechtbank nog in het bijzonder het volgende.

De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het gegeven dat verdachte voor de uitoefening van zijn werkzaamheden zijn rijbewijs nodig heeft. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter voor een feit, zoals in deze zaak bewezen is verklaard, niet worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Dat zou een miskenning van de ernst en de gevolgen van dat feit zijn. Wel zal, gelet op de eerder genoemde persoonlijke omstandigheden, de rechtbank een gedeelte van de ontzegging voorwaardelijk opleggen.

7. Het beslag

7.1. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 .

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds is ingehouden in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de rijontzegging;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de laptop;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mrs. P. Bender en J. Schukking, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 april 2010.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature