< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Verdachte is vrijgesproken ten aanzien van de ontrekking van een minderjarige aan het wettig over hem gestelde gezag.

Uitspraak



Rolnummer: 22-006629-07

Parketnummers: 12-715425-06, 12-705182-07 en 12-705924-07

Datum uitspraak: 15 april 2010

VERSTEK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 12 december 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 april 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde veroordeeld. Aan hem is ten aanzien van het onder 1, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van zestien weken, met aftrek van voorarrest, waarvan veertien weken voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren, alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tweehonderdachtentwintig uren, subsidiair honderdenveertien dagen hechtenis opgelegd. Voorts is de verdachte ten aanzien van het 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht respectievelijk twaalf maanden. Tenslotte is de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot twee werkstraffen, elk voor de duur van zes uren, telkens subsidiair drie dagen hechtenis. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte heeft de rechtbank bij vonnis opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Hoewel de verdachte noch binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur met grieven tegen het vonnis heeft ingediend, noch ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, ziet het hof ambtshalve redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom verklaart het hof de verdachte ontvankelijk in het hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Met name acht het hof niet bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad (ook niet in voorwaardelijk zin) op de onttrekking van de minderjarige [persoon 1] aan het wettig over hem gestelde gezag dan wel op de onttrekking aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die [persoon 1] uitoefende.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: (zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde: Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie , tweemaal gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde: Mishandeling.

Ten aanzien van het onder 4 en 5 bewezenverklaarde: Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 , meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde: Overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof de verdachte ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep en het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, dat de aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard zullen worden en dat het hof - rekening houdend met het ad informandum gevoegde feit - aan de verdachte zal opleggen:

ten aanzien van het onder 1, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde: een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren,

ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde: telkens een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden, waarbij ter zake van het onder 4 tenlastegelegde de duur van die ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest, en

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde: twee geldboetes van elk € 100,00, subsidiair telkens twee dagen hechtenis.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, omdat hij geen grieven tegen het beroepen vonnis heeft opgegeven.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een duikersmes en een honkbalknuppel gedragen, in die zin dat deze wapens in auto's lagen, waarin de verdachte reed. Door het dragen van dergelijke wapens wordt het plegen van andere misdrijven in de hand gewerkt.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, zoals in de bewezenverklaring omschreven. Dit is een ernstig feit, waardoor letsel bij het slachtoffer wordt veroorzaakt en gevoelens van onbehagen in de samenleving worden teweeggebracht.

Voorts heeft de verdachte twee maal -als een beginnend bestuurder in de zin van de Wegenverkeerswet 1994- een auto bestuurd, terwijl hij een veel grotere hoeveelheid alcohol had genuttigd dan wettelijk in het verkeer is toegestaan. Daarnaast heeft de verdachte op de weg een auto bestuurd, terwijl de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en terwijl dat rijbewijs was ingevorderd en niet aan hem, verdachte, was teruggegeven. Dusdoende heeft de verdachte de verkeerveiligheid in ernstig mate in gevaar gebracht.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 maart 2010, is de verdachte meermalen veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat ter zake van het onder 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Daarnaast acht het hof het passend en geboden de verdachte ter zake van het onder 4 en 5 bewezenverklaarde telkens een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur op te leggen.

Ter zake van de onder 2 bewezenverklaarde overtredingen zal het hof de verdachte telkens een geldboete opleggen, waarbij het hof rekening heeft gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 62, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 , zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

ten aanzien van het onder 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Bepaalt, dat een op 4 (vier) weken bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde: Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen bij de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest.

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde: Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen bij de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingehouden of ingevorderd is geweest.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde: Veroordeelt de verdachte tot het betalen van 2 (twee) geldboetes, van elk EUR 100,00 (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de tijd van 2 (twee) dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer, mr. D. Jalink en mr. J.C.F. van Gelder, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 april 2010.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature