< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan Eventpoint Outdoor een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het bedrijven van buitensportactiviteiten op het outdoorterrein aan De Bijland, binnen het Vogel- en Habitatrichtlijngebied De Gelderse Poort.

Uitspraak



200900552/1/R2.

Datum uitspraak: 28 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan Eventpoint Outdoor een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het bedrijven van buitensportactiviteiten op het outdoorterrein aan De Bijland, binnen het Vogel- en Habitatrichtlijngebied De Gelderse Poort.

Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.F.H.A. Tillie en ir. C.A. Borggreve, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19d van de Nbw 1998, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998 aangewezen gebied, kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19e, aanhef en onder a, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houdt het college bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied.

Artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor nieuwe projecten of andere handelingen waarover het college een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, neemt en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, de initiatiefnemer alvorens het college een besluit neemt, een passende beoordeling van het gebied maakt waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien het college uit de passende beoordeling bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

Ingevolge artikel V, eerste lid, van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Nbw 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen, gelden de besluiten van de minister houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn) als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

2.2. Bij besluit van 24 maart 2000 is de Gelderse Poort aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogelrichtlijn.

2.3. De Gelderse Poort stond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voorts op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). De commissie heeft deze lijst bij beschikking van 7 december 2007 vastgesteld.

Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn, gelden de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn zodra een gebied op de in het tweede lid, derde alinea bedoelde lijst is geplaatst. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was het gebied Gelderse Poort niet op grond van artikel 10a van de Nbw 1998 aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn. Evenmin was dit gebied op grond van artikel 12, derde lid, van de Nbw 1998 aangewezen.

Hieruit volgt dat artikel 19d Nbw 1998 in zoverre niet voor dit gebied gold. Niet gebleken is dat op het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 anderszins algemeen verbindende voorschriften van toepassing waren die bedoeld waren als implementatie van de uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen.

Nu het beroep mede betrekking heeft op de mogelijke aantasting van de door de Habitatrichtlijn beschermde habitats en soorten, dient te worden bezien op welke wijze artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn in deze zaak dient te worden toegepast. Zoals de Afdeling op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 31 maart 2000 in de zaak Texel (E01.97.0179; AB 2000/302) moet, alvorens wordt toegekomen aan de vraag of een artikel van de Habitatrichtlijn rechtstreekse werking heeft, worden nagegaan of het van toepassing zijnde nationale recht richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd. In dit geval gaat het om een gebied dat niet alleen op de lijst van gebieden van communautair belang staat, maar tevens is aangewezen als speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn. Deze aanwijzing geldt als een aanwijzing op grond van artikel 10a van de Nbw 1998, zodat artikel 19d van toepassing is op het Vogelrichtlijngebied Gelderse Poort. De Afdeling ziet geen beletsel artikel 19d van de Nbw 1998 richtlijnconform uit te leggen in die zin dat dit voorschrift tevens het uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeiende beschermingsregime voor het Habitatrichtlijngebied Gelderse Poort omvat.

2.4. De vergunning heeft betrekking op een outdoorterrein aan de Bijlandseweg ongenummerd te Tolkamer waar Eventpoint Outdoor een bedrijf exploiteert dat voorziet in outdooractiviteiten zoals kanovaren, fietstochten, quadrijden en terreinrijden. Aan de vergunning zijn de voorschriften verbonden dat de activiteiten uitsluitend in de periode april tot en met september mogen plaatsvinden en dat aan de zuidzijde van het terrein een afscheiding dient te worden aangebracht zoals een hek of een haag.

2.5. [appellant] stelt dat het outdoorterrein binnen het Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied ligt, zodat reeds om die reden de gevraagde vergunning moet worden geweigerd.

Voorts stelt [appellant] dat de outdooractiviteiten afbreuk doen aan de landschappelijke waarden en natuurwaarden van het gebied. In het Strategisch Groen Project "Gelderse Poort Oost" wordt het gebied aangeduid als 'bestaande natuur', waarmee de activiteiten van Eventpoint Outdoor in strijd zijn. Volgens [appellant] heeft het college ten onrechte volstaan met het raadplegen van onderzoeksgegevens van derden op dit punt, zonder zelf nader onderzoek te doen.

Tot slot voert [appellant] aan dat met de voorziene plaatsing van de zeecontainer op het outdoorterrein nog verder afbreuk wordt gedaan aan de natuur en het landschap ter plaatse. Onduidelijk is volgens [appellant] of deze container geheel of gedeeltelijk zal worden ingegraven.

2.6. Het college heeft zich in aansluiting op het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van de provincie Gelderland (hierna: de commissie) op het standpunt gesteld dat de outdooractiviteiten geen significant negatieve effecten hebben op de natuurwaarden in de omgeving. Op het terrein zelf zijn geen natuurwaarden aanwezig en betreding van de graslanden aan de zuidzijde van het terrein wordt voorkomen doordat aan de vergunning het voorschrift is verbonden dat een afscheiding dient te worden geplaatst. Voorts acht het college in aansluiting op het advies van de commissie de plaatsing van een zeecontainer ten behoeve van de opslag van goederen niet bezwaarlijk nu deze gedeeltelijk zal worden ingegraven, landschappelijk zal worden ingepast en onnodige vervoersbewegingen ter plaatse voorkomt.

2.7. De Afdeling stelt vast dat het outdoorterrein geheel binnen het Vogelrichtlijngebied ligt en - anders dan [appellant] stelt - grenst aan het Habitatrichtlijngebied. In het enkele feit dat het outdoorterrein binnen het Vogelrichtlijngebied ligt en grenst aan het Habitatrichtlijngebied heeft het college geen aanleiding behoeven te zien om de gevraagde vergunning te weigeren. Het college is ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 gehouden de aanvraag te toetsen aan de hand van de gevolgen van de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied.

2.7.1. Aan het bestreden besluit zijn ten grondslag gelegd het 'Ecologisch onderzoek in verband met de voorgenomen wijzigingsplannen in recreatiegebied De Bijland te Lobith, gemeente Rijnwaarden' van 10 december 2007, het Alterra-rapport 'Mogelijke effecten van verlichting vanuit Vierkenshof II, gemeente Rijnwaarden, op kwalificerende en andere vogelsoorten in de Bijland e.o.' van 2007 en het SOVON- inventarisatierapport 'Broedvogels in de Gelderse Poort in 2007, trends vanaf 1990 en recente ontwikkeling 2002-2007' van 2008. In het kader van deze rapporten heeft tevens veldonderzoek plaatsgevonden in het desbetreffende gebied. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan deze onderzoeken zodanige gebreken kleven dat het college deze niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet op deze onderzoeken was het college niet gehouden zelf nog een nader onderzoek te doen.

2.7.2. Het terrein bestaat voor een groot deel uit zandige stranden waarop deels zachthoutooibos groeit. De aangrenzende plas De Bijland is in de winter een belangrijke foerageer- en slaapplaats voor verschillende vogels maar voor broedvogels die worden beschermd onder de Vogelrichtlijn is het terrein geen geschikt leefgebied door de aard van het terrein en de al aanwezige verstorende recreatie. Uitsluitend in oktober kunnen de buitensportactiviteiten een significant negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van deze vogels nu in deze periode de eerste groepen overwinterende vogels arriveren. Nu de buitensportactiviteiten niet mogen plaatsvinden in de winterperiode, op het terrein geen bijzondere natuurwaarden voorkomen en uit onderzoek is gebleken dat op of nabij het terrein geen broedvogels voorkomen en de vergunde activiteiten voorts zodanig zijn georganiseerd dat door middel van een afscheiding aan de zuidzijde van het terrein en toezicht door Eventpoint Outdoor uitwaaiering op het naastgelegen Habitatrichtlijngebied wordt voorkomen, is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat de vergunde activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen, significante gevolgen hebben voor de natuurlijke kenmerken van het gebied Gelderse Poort, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de zeecontainer niet is voorzien in het Habitatrichtlijngebied.

2.7.3. Bij het besluit op de aanvraag van een vergunning ingevolge artikel 19d van de Nbw 1998 gaat het primair om de bescherming van de waarden van het gebied uit hoofde van de Vogel- en Habitatrichtlijn. In dit kader dient te worden getoetst of de activiteiten, in de omvang zoals in de vergunningaanvraag is vermeld, significante gevolgen voor deze waarden kunnen hebben afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Bij het besluit op die aanvraag kunnen ook andere belangen in de afweging worden betrokken. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de vergunning had moeten weigeren vanwege andere belangen. In het Structuurschema Groene Ruimte wordt de Gelderse Poort genoemd als Strategisch Groenproject, maar met de inwerkingtreding van de Nota Ruimte op 27 februari 2006 is het Structuurschema Groene Ruimte komen te vervallen. Vanwege de Nota Ruimte zijn in de streekplanuitwerking "kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse ecologische hoofdstructuur", voor het gebied de Gelderse Poort opnieuw doelstellingen geformuleerd ten aanzien van natuurontwikkeling. Niet aannemelijk is gemaakt dat de vergunning afbreuk doet aan de doelstellingen ten aanzien van natuurontwikkeling. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de zeecontainer gedeeltelijk zal worden ingegraven en landschappelijk zal worden ingepast.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010

12-608.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature