< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank heeft een 49-jarige Belgische verdachte vrijgesproken van betrokkenheid bij de gewelddadige dood van een in Ameide woonachtige man in juli 2006.

Het dossier bevat geen technisch bewijs voor de aanwezigheid van verdachte in de woning van het slachtoffer. Het dossier bevat slechts de verklaring van een medeverdachte die verdachte direct in de woning van het slachtoffer plaatst. De verklaringen van de moeder en vriendin van die medeverdachte zijn daarvan afgeleid en afwijkend waar het gaat om de identiteit van de bij de woningoverval betrokken derde persoon. De door de medeverdachte gegeven beschrijving van verdachte stemt niet overeen met de door de rechtbank ter terechtzitting waargenomen uiterlijke kenmerken van verdachte, maar wel met een eerder aan de medeverdachte getoonde foto van verdachte welke dateert uit 1986.

Uitspraak



RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510420-06 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 april 2010

in de strafzaak tegen

[naam] (in de dagvaarding is de achternaam kennelijk abusievelijk geschreven als "[naam verdachte foutief"),

geboren in [1960,]

wonende te [adres en woonplaats] [land],

thans gedetineerd in de PI Zuid West - locatie Torentijd te Middelburg,

hierna: verdachte.

Raadsvrouw mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 maart 2010, waarbij de officier van justitie mr. J. Koorn, de verdachte en zijn raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de nabestaanden/benadeelde partijen. Een nabestaande heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006:

Primair en meer subsidiair: samen met anderen - al dan niet met voorbedachten rade - [slachtoffer] heeft gedood

Subsidiair: samen met anderen, [slachtoffer] heeft gedood, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan door diefstal in vereniging en werd gepleegd om de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad straffeloosheid en/of de buit zeker te stellen

Meest subsidiair: samen met anderen een overval in een woning heeft gepleegd, als gevolg waarvan de bewoner, [slachtoffer], is overleden.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde nietig verklaard dient te worden, wegens innerlijke tegenstrijdigheid. Zij heeft in dit licht betoogd dat voor moord/doodslag een actieve handeling vereist is. De omstandigheid dat in de delictsomschrijving als uitvoeringshandeling is opgenomen een actief handelen óf een nalaten (in hulpeloze toestand achterlaten) leidt naar de stelling van de raadsvrouw tot innerlijke tegenstrijdigheid nu deze twee elementen niet samen kunnen gaan.

De rechtbank is van oordeel dat van een innerlijk tegenstrijdige dagvaarding, zoals de raadsvrouw heeft gesteld, geen sprake is. De tenlastelegging omvat in de omschrijving van de feitelijke uitvoeringshandelingen meer varianten, blijkend uit het gebruik van 'en/of'. Daarmee biedt de tenlastelegging voldoende alternatieven, die ieder op zich, bij bewezenverklaring, het ten laste gelegde feit kunnen opleveren terwijl de alternatieven niet met elkaar in tegenspraak zijn. Het opnemen van de alternatieven maakt de tenlastelegging niet als zodanig innerlijk tegenstrijdig. De dagvaarding is daarom geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsvrouw heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van de verdachte. De raadsvrouw heeft in dit verband aangevoerd dat er sprake is van obstructie van het onderzoek doordat de officier van justitie stelselmatig heeft verzuimd stukken in het dossier te voegen waar door de verdediging om is verzocht en welke toevoeging door de rechtbank is bevolen. Daardoor is sprake van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust en met grove veronachtzaming de belangen van verdachte tekort zijn gedaan.

De rechtbank stelt vast dat de raadsvrouw in maart 2009 een aantal verzoeken heeft geformuleerd en heeft gericht aan de rechter-commissaris in het kader van een mini -instructie. De rechter-commissaris heeft geen beslissing genomen op de verzoeken. De officier van justitie kan in het kader van een dergelijk verzoek niet als autoriteit worden aangemerkt. In mei 2009 heeft de rechtbank zich gebogen over de verzoeken en bepaald dat de officier van justitie een aantal stukken aan het dossier diende toe te voegen. De rechtbank heeft de zaak tevens verwezen naar de rechter-commissaris in verband met het horen van 6 getuigen. De rechtbank stelt vast dat de bedoelde stukken, voor zover deze nog beschikbaar waren, aan het dossier zijn toegevoegd en dat de bedoelde getuigen door de rechter-commissaris zijn gehoord. De verzoeken die daarna door de raadsvrouw zijn gedaan, zijn steeds verzoeken die voortvloeiden uit eerdere onderzoekswensen. Ook van deze nadere verzoeken stelt de rechtbank vast dat, voor zover de rechtbank dat heeft bevolen, de officier van justitie hieraan gehoor heeft gegeven. Daarbij stelt de rechtbank tevens vast dat - gelet op de aard en de omvang van de verzoeken en de omstandigheid dat het onderzoek ziet op een feit dat in 2006 heeft plaatsgevonden - met de inwilliging van deze verzoeken noodzakelijkerwijs soms enige tijd mee gemoeid is geweest. Van een doelbewuste obstructie van het onderzoek door niet met bekwame spoed uitvoering te geven aan de door de verdediging gedane verzoeken, terwijl dat wel mogelijk zou zijn geweest, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank overweegt tenslotte dat - voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te stellen dat de officier van justitie doelbewust stukken heeft achtergehouden - daarvan op grond van het verloop van de zaak zoals dit blijkt uit het dossier, geen sprake is. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit - het medeplegen van moord - wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich daarbij voor de betrokkenheid van verdachte bij het delict op de verklaring van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) van 13 oktober 2006 waarin deze vertelt dat er een derde persoon bij betrokken is. En voorts op de verklaringen van [medeverdachte 1] van 1 en 2 november 2006 waarin hij deze derde persoon aanduidt als "de Belg", door hem ook "[naam verdachte]" genoemd, de verdachte herkent op een aan hem getoonde foto en verder een gedetailleerde beschrijving geeft van hetgeen is voorgevallen op de avonden van 15 juli 2006 en 17/18 juli 2006 in/bij de woning van het slachtoffer. Ook de verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, waarin hij een en ander herhaalt, kan naar de mening van de officier van justitie tot het bewijs dienen. De officier van justitie baseert zich voorts op de verklaringen van [getuige 1] (de moeder van [medeverdachte 1]) van 8 en 12 oktober 2006 waarin zij verklaart dat [medeverdachte 1] de ochtend na het gebeuren heeft verteld over een inbraak waarbij de bewoner was doodgeslagen, waar hij met [medeverdachte 2] en de Belg was geweest. De officier van justitie wijst voorts naar de verklaringen van diverse getuigen, een Opname Vertrouwelijke Communicatie (OVC) tussen de medeverdachte [medeverdachte 2] en zijn partner, de gegevens van de mobiele telefoon van verdachte waaruit blijkt dat hij op 15 en 17 juli 2006 in Nederland was, een drietal opmerkelijke uitspraken van verdachte in een verhoor door Belgische verbalisanten en in een afgeluisterd telefoongesprek met zijn echtgenote en tenslotte naar de proceshouding van verdachte.

De omstandigheid dat het alleenwonende slachtoffer, gewond aan zijn hoofd en andere plaatsen van het lichaam, liggend op zijn buik en ge-tie-wrapt aan handen en voeten, in een bungalow met een plat dak bij een hoge buitentemperatuur door verdachte en zijn medeverdachten na het sluiten van de gordijnen is achtergelaten en als gevolg van dit alles is overleden, leidt naar de mening van de officier van justitie tot de conclusie dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. De omstandigheid dat verdachten, nadat er een vechtpartij had plaatsgevonden, het slachtoffer hebben gekneveld, daarna opzettelijk de gordijnen hebben dichtgedaan en, zonder hulp in te roepen voor het slachtoffer, hem in die hulpeloze toestand hebben achtergelaten wijst op een moment van kalm overleg en bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering en leidt ertoe dat sprake is van voorbedachten rade.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren op te leggen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten omdat, primair, het wettig bewijs ontbreekt voor de aanwezigheid van verdachte in de woning van het slachtoffer op de avond/in de nacht van 17/18 juli 2006. De raadsvrouw wijst er op dat er buiten de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] geen bewijs is voor de aanwezigheid van verdachte ter plaatse en dat deze verklaringen overigens als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. [medeverdachte 1] heeft bijvoorbeeld wisselend verklaard over het aantal personen dat bij de woningoverval betrokken was, de naam van verdachte is tweemaal aan [medeverdachte 1] voorgehouden voordat [medeverdachte 1] hem heeft aangewezen en de beschrijving die [medeverdachte 1] heeft gegeven van verdachte komt niet overeen met de beschrijving van verdachte anno 2006. De overige in het dossier aanwezige de-auditu verklaringen hebben allemaal [medeverdachte 1] als bron en voor zover daarin wordt verklaard over de betrokkenheid van 'De Belg' staat allerminst vast dat daarmee verdachte wordt bedoeld. Technisch bewijs voor aanwezigheid van verdachte in de woning ontbreekt.

De raadsvrouw heeft subsidiair betoogd dat niet kan worden bewezen dat sprake was van opzettelijk veroorzaken van de dood van het slachtoffer, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, laat staan dat sprake was van handelen met voorbedachte raad. Zo is de verklaring van [medeverdachte 1] dat het slachtoffer op enig moment door een medeverdachte met een hard voorwerp is geslagen onbetrouwbaar en zijn er overigens ook geen letsels aan het hoofd van het slachtoffer zijn vastgesteld die daarop wijzen. De raadsvrouw heeft ten slotte betoogd dat onder de omstandigheden waarin het slachtoffer is achtergelaten (vastgebonden met tie-wraps, geslagen tegen het lichaam, op zijn buik, met de gordijnen dicht) er bij een gemiddelde volwassen man niet lijdend aan een hartkwaal als het slachtoffer geen sprake is van een zodanige situatie dat het niet anders kon dan dat deze factoren zouden leiden tot de dood van het slachtoffer, zodat om die reden niet redelijk is de dood van het slachtoffer aan verdachte toe te rekenen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 22 juli 2006 is in een woning in Ameide het geknevelde stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer]. Naar aanleiding van deze vondst is het TGO Hazelaar opgestart. Op grond van aangetroffen bloedsporen op de plaats delict en het daarop verrichte forensisch onderzoek, is medeverdachte [medeverdachte 1] begin oktober 2006 aangehouden en daarna diverse keren verhoord.

Nadat medeverdachte [medeverdachte 1] eerder [medeverdachte 2] heeft genoemd als tweede betrokkene bij de overval op het slachtoffer, verklaart [medeverdachte 1] op 1 november 2006 dat een Belg genaamd [naam verdachte], die een vriend is van [medeverdachte 2], als derde man bij de overval aanwezig was. In het dossier bevinden zich voorts de verklaringen van de moeder en van de vriendin van medeverdachte [medeverdachte 1] die daarin vertellen over een gesprek aan de keukentafel op de ochtend na het gebeuren in Ameide. [getuige 2], de vriendin van [medeverdachte 1], verklaart dat [medeverdachte 1] heeft gezegd dat er drie personen naar binnen zijn gegaan en dat de derde persoon een donkere jongen was. De moeder van [medeverdachte 1] verklaart dat [medeverdachte 1] toen heeft gezegd dat er drie personen bij waren: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de Belg.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] in de diverse verhoren wisselend heeft verklaard over het aantal personen dat in de woning van het slachtoffer aanwezig is geweest, dat in zijn verhoor van 26 oktober 2006 een minst genomen suggestieve vraag is gesteld over de identiteit van een mogelijk betrokken derde persoon en dat hij voorts in zijn verhoor van

1 november 2006 een omschrijving van verdachte heeft gegeven die, in elk geval qua leeftijd, lengte en postuur, niet overeenstemt met de waarneming van de rechtbank ter terechtzitting. De wel opgegeven omschrijving past bij de verouderde foto van een aanmerkelijk jongere verdachte die eerder aan [medeverdachte 1] is getoond en hetgeen volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd [medeverdachte 1] uit eigen hoofde kon weten vanwege een ontmoeting met verdachte jaren geleden. Dat laatste geldt ook voor de auto waarmee verdachte volgens [medeverdachte 1] zou hebben gereden.

De rechtbank stelt voorts vast dat het dossier geen technisch bewijs bevat voor de aanwezigheid van verdachte in de woning van het slachtoffer.

Uit de in het strafdossier aanwezige plaatsbepalingsgegevens d.d. 17 juli 2006 om 20.34 uur, blijkt dat de telefoon van verdachte zich ter plaatse van locatie Oosterhout bevond. Deze gegevens geven geen aanleiding te veronderstellen dat verdachte zich in een andere richting bewoog dan - zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard - van Utrecht, waar hij op dat moment werkzaam was, naar zijn woonplaats [plaatsnaam] in [land].

De in het strafdossier aanwezige plaatsbepalingsgegevens van de telefoon van verdachte d.d. 15 juli 2006 kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan het bewijs voor het ten laste gelegde omdat uit de diverse verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] niet is gebleken dat op díe dag activiteiten hebben plaatsgevonden ter voorbereiding op, dan wel die een relatie hebben met, het delict in de nacht van 17/18 juli 2006.

Samengevat bevat het dossier slechts de verklaring van [medeverdachte 1] die verdachte direct in de woning van het slachtoffer plaatst. De verklaringen van de moeder en vriendin van [medeverdachte 1] zijn daarvan afgeleid. Daarnaast verklaren zij afwijkend over het gesprek aan de keukentafel - waar zij beiden bij aanwezig waren - waar het gaat om de identiteit van de derde persoon en is voorts op grond van de in het dossier aanwezige verklaringen van [getuige 2], [getuige 4] en medeverdachte [medeverdachte 2] niet volstrekt duidelijk wie bedoeld wordt met 'De Belg'. Immers, uit die verklaringen vloeit voort dat [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] en zijn familie ook werd aangeduid als 'De Belg'.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank niet overtuigend bewezen dat verdachte in de nacht van 17/18 juli 2006 aanwezig is geweest in de woning van het slachtoffer en zodoende een rol heeft gespeeld bij de gewelddadige dood van het slachtoffer. Zij zal hem om die reden dan ook van alle feiten vrijspreken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij 1], vordert een schadevergoeding van € 6.042,09 aan materiële schade in verband met gemaakte kosten voor de uitvaart van [slachtoffer].

De benadeelde partij [benadeelde partij 2], vordert een schadevergoeding van € 6.900, - aan materiële schade in verband met gemaakte kosten voor de uitvaart van [slachtoffer] € 20.000,- aan materiële schade in verband met het bij de diefstal uit de woning van [slachtoffer] ontvreemde geldbedrag.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

6 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1 & 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Waals, voorzitter, mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. F.G.H. Kristen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 april 2010.

Mr. Heijnen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Mr. Kristen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg genoemde [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal met een (hard) voorwerp en/of met zijn/een (tot vuist gebalde) hand(en) (hard) tegen het hoofd en/of de rug en/of de benen althans het lichaam geslagen, en/of

- zijn voeten en handen (op de rug) met ty-raps (strak, althans zodanig dat hij zich niet kon bevrijden) vastgebonden, en/of

- op zijn buik doen en/of laten liggen, en/of

- zijn gordijnen van zijn woonhuis, waar hij zich toen bevond, gesloten, en/of

- (aldus) gewond (door die klap(pen) en/of slag(en) en (van buiten af) moeilijk zichtbaar in hulpeloze toestand achtergelaten,

tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer] is overleden;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet genoemde [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal met een (hard) voorwerp en/of met zijn/een (tot vuist gebalde) hand(en) (hard) tegen het hoofd en/of de rug en/of de benen althans het lichaam geslagen, en/of

- zijn voeten en handen (op de rug) met ty-raps (strak, althans zodanig dat hij zich niet kon bevrijden) vastgebonden, en/of

- op zijn buik doen en/of laten liggen, en/of

- zijn gordijnen van zijn woonhuis, waar hij zich toen bevond, gesloten, en/of

(aldus) gewond (door die klap(pen) en/of slag(en) en (van buiten af) moeilijk zichtbaar in hulpeloze toestand achtergelaten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal in vereniging,en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet genoemde [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal met een (hard) voorwerp en/of met zijn/een (tot vuist gebalde) hand(en) (hard) tegen het hoofd en/of de rug en/of de benen althans het lichaam geslagen, en/of

- zijn voeten en handen (op de rug) met ty-raps (strak, althans zodanig dat hij zich niet kon bevrijden) vastgebonden, en/of

- op zijn buik doen en/of laten liggen, en/of

- zijn gordijnen van zijn woonhuis, waar hij zich toen bevond, gesloten, en/of

(aldus) gewond (door die klap(pen) en/of slag(en) en (van buiten af) moeilijk zichtbaar in hulpeloze toestand achtergelaten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

MEEST SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 15 juli 2006 tot en met 22 juli 2006 te Ameide, gemeente Zederik,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) goed(eren) en/of geld , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen genoemde [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal met een (hard) voorwerp en/of met zijn/een (tot vuist gebalde) hand(en) (hard) tegen het hoofd en/of de rug en/of de benen althans het lichaam geslagen, en/of

- zijn voeten en handen (op de rug) met ty-raps (strak, althans zodanig dat hij zich niet kon bevrijden) vastgebonden, en/of

- op zijn buik doen en/of laten liggen, en/of

- zijn gordijnen van zijn woonhuis, waar hij zich toen bevond, gesloten, en/of

(aldus) gewond (door die klap(pen) en/of slag(en) en (van buiten af) moeilijk zichtbaar in hulpeloze toestand achtergelaten,

tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer] is overleden;

Parketnummer: 11/510420-06

Vonnis d.d. 8 april 2010


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature