< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Benoeming en ontslag bestuurder in de vorm van een trustkantoor

Benoeming en ontslag van een bestuurder in de vorm van een trustkantoor is besluit in de zin van artikel 2:15 BW. Aantasting van een dergelijk besluit dient te geschieden op de wijze en binnen de termijnen zoals in dat artikel genoem d.

Het nieuw benoemde trustkantoor heeft jegens de ontslagen bestuurder, eveneens een trustkantoor, onrechtmatig gehandeld voorafgaand aan haar benoeming. De nieuw benoemde bestuurder wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen deze voorshands bewezen geachte stelling.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, meervoudige kamer

zaaknummer / rolnummer: 424228 / HA ZA 09-1098

Vonnis van 24 februari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERCITY CORPORATE MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.J. van Agteren,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CMTN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.J. Schoute.

Partijen zullen hierna ICM en Caute genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 juli 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 9 oktober 2009 met de daarin genoemde processtukken.

1.2. De zaak is op de voet van artikel 15 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar de meervoudige kamer. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. ICM en Caute zijn beide trustkantoren die zich onder meer bezighouden met het voeren van de directie over zogenaamde cliëntvennootschappen.

2.2. Caute (voorheen handelend onder de naam Caute Management (the Netherlands)

B.V.), is een werkmaatschappij van [A] Management Holding B.V. hierna [AMH]). Bestuurders van [AMH] waren [A] ( hierna [A]), [B] (hierna [B]) en [C] ( hierna [C]).

2.3. In augustus 2005 heeft [AMH] de aandelen in onder meer Caute verkocht aan Caute Investments Ltc., een vennootschap naar Engels recht waarvan de aandelen werden gehouden door [D] (hierna [D]), de zakenpartner van [A].

2.4. Op 22 maart 2006 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken in [AMH].

2.5. Een e-mail van [D] aan [E] van CMS Trust (hierna [E]) van 24 maart 2006 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“(…) Heb je hulp even dringend nodig – gebeurd niet vaak.

Bij kantoor [O] bestaat de kans dat [A] [rechtbank: [A]] de aandelen in handen krijgt – gezien de problemen heeft DNB de vergunning aangehouden. (…) Idee is nu om cliënten bij verschillende kantoren (met vergunning) onder te brengen. Personeel neemt ontslag en zal vanaf vennootschap van [B] [rechtbank: [B]] werkzaamheden verrichten. (…) Denk aan onderbrengen voor een jaar in ieder geval. Het betreffen allemaal BV’s en ik ben directeur bij de aandeelhouder, vaak NV’s. Ik kan dus eenvoudig direktie benoemen en ontslaan. Cliënten hebben een goede reden om weg te gaan aangezien de vergunning uitblijft en de aandelen in handen dreigen te komen van [A].

Kun jij dit eens voorleggen aan een bevriend kantoor in Nederland? (…)”

2.6. Een e-mail van [E] aan [D] van 24 maart 2006 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Beste [D],

Ik zal dit direct opnemen. Ik werk regelmatig met Aufisco Trust. Zijn hebben bijv. ruimte op kantoor om [B] en wat anderen te plaatsten. Belangrijk is dan denk ik snel een ontmoeting te hebben om te kijken of het wat lijkt.

Er zijn ook nog wel andere mogelijkheden denk ik. (ik weet niet wie je allemaal kent, ik werk ook met FTC Trust, [F])

(...)”

2.7. [D] heeft voormelde e-mailberichten op 27 maart 2006 doorgestuurd aan [B] met het volgende verzoek:

“Kijk even naar de vergunning van beiden.”

(...)”

2.8. Op 16 december 2006 is ICM opgericht. Het bestuur werd gevormd door [G] en [H] ( hierna [H]). [H] heeft voorafgaand aan de oprichting van ICM samengewerkt met [E]. [I] (hierna [I]) was adviseur van ICM.

2.9. Een e-mail wisseling tussen [D] en [J] van 1 februari 2007 houdt voor zover hier van belang, het volgende in:

“(…) De: [J] (…)

À: [D] (…)

(…) gisteren uitgebreid gesproken met Schoute na de AvA van [ACDG]. (…) hij wil een voorstel voor te stellen zekerheden. Zelf denkt hij aan het herstellen van de aandeelhoudersmacht bij [AMH]….

(…) De: [D]

(…)

À: [J] (…)

(…) Grapjas die Schoute…Nee, die aandelen komen niet meer terug wat mij betreft. Indien ze terug moeten van de OK (…) dan zonder activiteiten, haha. (…)”

2.10. Een e-mail van [D] aan [K] van Caute ( hierna [K]) van 6 juni 2007 met kopie aan onder meer [B] en [E] luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Kunnen jullie deze week weer een bundeltje klanten overdragen. Bereid vast de provisie voor waar het kan. Laat me weten aan wie we iets moeten vragen, zal ik ze benaderen. Ik wil de beweging er een beetje inhouden.

[K] stel je een lijst op met totale klanten, klanten FCT, klanten CMS? Kunnen we het een beetje volgen.”

2.11. Bij beschikking van 24 juli 2007 heeft de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“3.5 Omtrent de verkoop en overdracht van de trustactiviteiten van de ‘[A]-vennootschappen’ overweegt de Ondernemingskamer lettend op (de inhoud van) het verslag en hetgeen partijen dienaangaande hebben aangevoerd, als volgt. Aan die verkoop en overdracht zoals die uiteindelijk hebben plaatsgevonden, kleeft in de eerste plaats het gebrek dat geen sprake is geweest - dat zulks anders is blijkt immers nergens uit - van de ingevolge artikel 16 lid 6 aanhef en onder c van de statuten van [A] Management vereiste voorafgaande goedkeuring van haar algemene vergadering van aandeelhouders. (…)

(…)

3.7 Vastgesteld moet dan ook - verder - worden, niet alleen dat wat [D] betreft ter zake van de verkoop van de trustactiviteiten van een tegenstrijdig belang sprake was, maar ook dat hij, voor zover hij bij die transactie een rol heeft gespeeld, zijn eigen (indirecte) belangen daarbij ten koste van die van [A] heeft laten prevaleren, zulks bovendien nadrukkelijk in strijd met hetgeen tussen hem en [A] was afgesproken. Vastgesteld moet voorts worden dat [B] en [C], van wie zonder meer moet worden aangenomen dat zij op de hoogte waren van de afspraken tussen [A] en [D] en kennis hadden van de (…) notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders en van het bestuur van [A] Management, daaraan hun medewerking hebben verleend en aldus in plaats van hun functie van bestuurders van [A] Management in onafhankelijkheid te vervullen, het dienen van de persoonlijke belangen van [D] hebben vooropgesteld. Zij zijn, mede gelet op de bevinding van de onderzoeker dat zij op 8 september 2005 een betalingsregeling zijn overeengekomen overeenkomstig de wensen van [D] en de door [A] gewenste zekerheden niet hebben gevestigd en de vaststelling dat zij in dat verband met Caute Investments Ltd. een lening zijn aangegaan zonder de ingevolge artikel 16 lid 6 aanhef en onder g van de statuten van [A] Management vereiste voorafgaande goedkeuring van haar algemene vergadering van aandeelhouders, aldus mede verantwoordelijk te achten voor de gang van zaken, waaraan niet afdoet dat - zoals de onderzoeker signaleert en kan worden aangenomen - zij zich mogelijk in een aan [D] feitelijk ondergeschikte positie hebben bevonden.

3.8 De conclusie kan op basis van het verslag naar het oordeel van de Ondernemingskamer dan ook slechts zijn dat de verkoop en overdracht van de aandelen van [A] Management in haar dochtervennootschappen en deelnemingen - en daarmee in feite de gehele onderneming van [A] Corporate Development en [A] Management - aan de door [D] beheerste Caute Investments Ltd. en met name de voorwaarden waarop en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en mede in het licht van hetgeen eerder omtrent de (vooraarden van de) overname door [D] van de trustactiviteiten van de ‘[A]-vennootschappen’ tussen [A] en [D] was besproken, heeft te gelden als wanbeleid.”

De Ondernemingskamer heeft vervolgens – onder meer – het bestuursbesluit van [AMH] tot verkoop en levering van de [AMH]-vennootschappen aan Caute Ltd. vernietigd. [A], [B] en [C] zijn, bij wijze van voorziening, door de Ondernemingskamer ontslagen als bestuurders van [AMH].

2.12. In de loop van 2007 is een groot aantal cliëntvennootschappen van Caute overgegaan naar andere trustkantoren, waaronder FTC en ICM. Contactpersoon bij de overdracht aan ICM was [I].

2.13. Bij beslissing van 3 augustus 2007 van de Ondernemingskamer is als bestuurder van [AMH] benoemd drs. [L].

2.14. Een e-mail van [K] aan ICM en [E] met een kopie aan [D] van 29 oktober 2007, luidt voor zover van belang, als volgt:

“Beste [I],

Is er morgen iemand aanwezig in het kantoor te Amsterdam Zuid-Oost? Ik laat graag, een groot deel, van de volgende dossiers afleveren:

(…)

Beste [E],

Zou jij de BV de instructie willen geven de volgende dossiers over te dragen aan ICM?”

2.15. Nadat bij beschikking van 27 november 2007 de aanwijzing van [L] als bestuurder is beëindigd, is bij beschikking van 12 december 2007 [A] met onmiddellijke ingang benoemd als enig bestuurder van [AMH].

2.16. De beschikking van de Ondernemingskamer van 12 december 2007 luidt, voor zover voor deze procedure van belang, als volgt:

“In zijn verslag van 1 december 2007 heeft drs. [L] er voorts op gewezen dat veel klanten van met name Caute (…) de relatie met deze vennootschap intussen hadden opgezegd en hun portefeuille elders hebben ondergebracht, ook bij instellingen waarbij [D] op enige wijze is betrokken. In dat verslag is voorts onder meer te lezen: “Bij het vertrek van de klanten bij Caute is de actieve, initiërende, medewerking van [D] evident”.

2.17. Ter terechtzitting van 2 januari 2008 heeft Caute ICM in kort geding gevorderd, primair dat alle bestuurswisselingen waarbij ICM als bestuurder van de cliëntvennootschappen in de plaats is getreden van Caute ongedaan worden gemaakt, subsidiair dat al die bestuurswisselingen ongedaan worden gemaakt waarvan ICM niet een identificeerbare instructie van de Ultieme Beneficial Owner ( hierna UBO) kan overleggen, meer subsidiair dat een deugdelijke instructie van de UBO wordt overgelegd. Daarnaast vorderde Caute dat alle dossiers waarin ICM niet binnen de gevorderde termijn aan het bevel of onvolledig aan het gevorderde bevel voldeed, een gelijktijdige veroordeling tot onvoorwaardelijke medewerking aan het ongedaan maken van de bestuursoverdracht in die dossiers, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.18. Bij vonnis van 10 april 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer overwogen:

“4.2. De primaire en subsidiaire vordering vragen een (gedeeltelijke) constitutieve beslissing waarvoor een kort geding zich niet leent. Alleen daarom zijn deze vorderingen al niet toewijsbaar. Daar komt nog bij dat de cliëntvennootschappen, waarvan volgens Caute de bestuurswisselingen ongedaan gemaakt moeten worden, in dit kort geding geen partij zijn, zodat met betrekking tot deze vennootschappen ook geen beslissing kan worden genomen.

(…)

4.4. Weliswaar valt ICM niet te verwijten dat (de voormalig bestuurders van) Caute van de aan haar overgedragen cliëntvennootschappen geen stukken heeft behouden, maar dat neemt niet weg dat, daar waar dossiers van Caute naar ICM zijn gegaan, ICM gehouden is aan te tonen dat zij deze dossiers rechtmatig onder zich houdt. Van ICM kan dan ook worden verlangd dat zij, van de aan haar overgedragen cliëntvennootschappen, aan Caute afgeeft een deugdelijke instructie van de UBO, althans diens bevoegde vertegenwoordiger, houdende de uitdrukkelijke wens tot benoeming van ICM in plaats van Caute als nieuw trustkantoor en tot benoeming van ICM als bestuurder van de desbetreffende cliëntvennootschap in plaats van Caute. De daartoe strekkende meer subsidiaire vordering zal dan ook worden toegewezen. (-)”

2.19. In het hoger beroep tegen dit vonnis heeft het hof Amsterdam in zijn arrest van 9 december 2008 arrest het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en daartoe, voor zover in deze zaak van belang, het volgende overwogen:

“4.3. Voldoende aannemelijk is dat ICM eraan heeft meegewerkt dat een zeer groot deel van het cliëntenbestand van Caute naar haar kantoor is overgebracht en dat daarbij niet de in het maatschappelijk verkeer jegens Caute betamende zorgvuldigheid in acht is genomen.

Het hof wijst in dit verband op de - op zichzelf niet door ICM bestreden - inhoud van door Caute in eerste aanleg overgelegde producties waaruit blijkt hoe de plannen van [D] om de cliëntvennootschappen van Caute elders onder te brengen zich hebben ontwikkeld (zie bijvoorbeeld producties 8, 9 en 10) en hoe ICM daar gaandeweg bij betrokken is geraakt (zie bijvoorbeeld productie 11). Significant is met name de hoogst ongebruikelijke wijze waarop de desbetreffende cliëntdossiers in haar bezit zijn gekomen ( zie onder meer producties 12, 13, 14 en 15 van Caute in eerste aanleg) alsmede het feit dat ICM er kennelijk aan heeft meegewerkt dat de door Caute bij ING ten behoeve van cliëntvennootschappen aangehouden bankrekeningen op haar naam werden gezet (vgl. productie 21). (…)

4.5. Het standpunt van ICM dat de rechtmatigheid van haar opvolging reeds afdoende wordt gestaafd door overlegging van de aandeelhoudersbesluiten van de betrokken vennootschappen (strekkende tot benoeming van ICM tot bestuurder) wordt verworpen. ICM heeft bij memorie van antwoord/grieven erkend dat zij als trustkantoor de identiteit van de uiteindelijke belanghebbende (UBO) dient te kennen. Ter zitting van het hof heeft ICM voorts toegegeven dat aan een trustrelatie steeds een zogenoemde principal party agreement ten grondslag ligt, zoals Caute onder overlegging van een voorbeeld van een dergelijke overeenkomst (“contract of mandate”, prod. bij pleitnota deel I in eerste aanleg) van meet af aan ook heeft betoogd.

Gelet hierop acht het hof de beslissing van de voorzieningenrechter dat ICM in de gegeven omstandigheden gehouden is om aan te tonen dat de betrokken principal parties c.q. UBO’s met de overgang van de trustrelatie en daarmee gepaard gaande directiewisseling hebben ingestemd, juist.”

3. De vordering in conventie

3.1. ICM vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht zal verklaren (i) dat ICM vanaf haar benoeming als bestuurder door de aandeelhouders van de in de gewijzigde eis genoemde cliëntvennootschappen rechtsgeldig bestuurder is, althans is geweest, van die vennootschappen en (ii) dat ICM vanaf ontvangst daarvan met recht onder zich houdt, althans heeft gehouden, de dossiers van de in de gewijzigde eis genoemde vennootschappen;

B. Caute te veroordelen tot afgifte binnen twee werkdagen na betekening van het te wijzen vonnis van de cliëntdossiers van de in de gewijzigde eis genoemde vennootschappen, op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,-- per dag per dossier (waarbij een gedeelte van een dag geldt als een dag);

C. met veroordeling van Caute in de proceskosten aan de zijde van ICM, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis door Caute aan ICM zijn voldaan.

3.2. ICM stelt daartoe, samengevat, dat het besluit tot ontslag van Caute en de benoeming van ICM als bestuurder is gebeurd op verzoek van de aandeelhouder(s) van de betreffende cliëntvennootschappen. Aan haar is daartoe een volmacht verstrekt. In een voor dat doel uitgeschreven aandeelhoudersvergadering is vervolgens Caute ontslagen als bestuurder en is ICM benoemd. Een dergelijk ontslagbesluit is een besluit in de zin van artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aldus ICM. Dit artikel geeft de mogelijkheid de vernietiging van een besluit in te roepen. De termijn om de vernietiging in te roepen is een jaar en gaat lopen vanaf de dag, waarop hetzij aan een besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Caute was direct dan wel kort na de aandeelhoudersvergaderingen op de hoogte het besluit tot ontslag en benoeming. Caute heeft weliswaar vervolgens een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt, maar nimmer op grond van artikel 2:15 BW binnen de daarvoor bestaande termijn de beslissing vernietigd, waarmee de rechtsgeldigheid van de respectieve besluiten een feit zijn geworden.

3.3. Caute voert verweer, waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1. Caute vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van ICM tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat, althans te begroten door de rechtbank op de voet van artikel 6:97 BW , alsmede ICM te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot afgifte aan Caute van de in productie 12 bedoelde bescheiden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 10.000,- per dag/per incompleet dossier en tot zodanige maxima als de rechtbank zal oordelen, met veroordeling van Caute in de kosten van het geding.

4.2. Caute stelt dat ICM jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en/of ongerechtvaardigd is verrijkt door medewerking te verlenen aan [D] tot overdracht van het grootste deel van het cliëntenbestand van Caute, zonder noodzaak of vergoeding daartoe. Het overgrote deel van de overgegane cliëntvennootschappen was al jarenlang cliënt bij Caute. Er was geen enkel zakelijk motief om de relatie met Caute te verbreken. Aan het vertrek ligt geen duidelijke, identificeerbare instructie van de UBO ten grondslag en voor zover die er wel is, is de wens om over te stappen naar ICM het resultaat van een misleidende voorstelling van zaken. Die misleidende voorstelling van zaken is voorbereid door [D]. De wijze waarop de dossiers van Caute naar ICM zijn gegaan is het resultaat van een zorgvuldig voorbereide en uitgevoerde operatie van [D] en ICM tezamen, die aan ICM dan ook in gelijke mate behoort te worden toegerekend. Zo heeft ICM zich de dossiers laten overdragen zonder dat eerst duidelijk was of die overdracht geschiedde op de uitdrukkelijke wens van de UBO. Door ICM is bij de overdracht een opzettelijke fasering betracht om de toenmalige medebestuurders van Caute de heren [B] en [C] niet in de problemen te brengen.

4.3. Caute stelt subsidiair dat ICM op onrechtmatige wijze misbruik heeft gemaakt van de wanprestatie van [D] en de voormalige directie van Caute. Caute verwijst ter nadere onderbouwing naar hetgeen het hof in zijn arrest van 9 december 2008 in rechtsoverweging 4.3 heeft overwogen. Ter comparitie heeft [A] namens Caute nog verklaard dat hij begin 2007 direct contact heeft opgenomen met een aantal personen, waaronder [I], om hen te informeren over het zakelijk conflict wat zich binnen Caute tussen hem en [D] afspeelde in welk kader hij rekening hield met de mogelijkheid dat [D] zou trachten cliëntvennootschappen waar Caute het bestuur over voerde elders onder te brengen. Aan hen is toen door [A] verzocht daar geen medewerking aan te verlenen. [I] was en is adviseur van ICM. Caute biedt hiervan bewijs aan. Ten aanzien van de geleden schade stelt Caute dat deze nog onvoldoende inzichtelijk is. De waarde van de gehele structuur van [A] Management ( the Netherlands) B.V. is in augustus 2005 bepaald op € 1,1 miljoen.

4.4. ICM voert verweer, waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan.

5. De beoordeling

In conventie

5.1. Vooropgesteld wordt dat ICM ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat de gevorderde verklaring voor recht alleen ziet op de vraag of ICM rechtsgeldig als bestuurder is benoemd en niet op de vraag of de overdracht van de in het geding zijnde cliëntvennootschappen rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Nu in dit geval voor de rechtsgeldigheid van de besluiten tot benoeming van een nieuw bestuur, de overdracht van de trustrelaties in feite niet van belang is, komt de rechtbank in dit geding niet toe aan de beoordeling van de vraag die partijen (ook) verdeeld houdt en waar het verweer van Caute zich op richt, namelijk de vraag of die overdracht rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.

5.2. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 2:242 en 2:244 BW worden bestuurders van besloten vennootschappen bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna de AvA) benoemd en ontslagen. Een aandeelhouder kan zich bij volmacht laten vertegenwoordigen, artikel 2:227 lid 1 BW . Door ICM zijn de desbetreffende besluiten van de AvA overgelegd alsmede de volmachten waarin de betrokken cliëntvennootschappen ICM machtigen een AvA bijeen te roepen met als doel Caute te ontslaan als bestuurder en ICM te benoemen als opvolger. Het bestaan van deze besluiten is door ICM niet weersproken. Voor zover Caute heeft bedoeld aan te voeren dat dit besluit niet rechtsgeldig is, gaat dat verweer thans niet op. Caute had, binnen de in artikel 2:15 lid 5 BW genoemde termijn, de vernietiging van deze AvA-besluiten van elk van de betrokken cliëntvennoot-schappen kunnen en moeten inroepen, hetgeen zij heeft nagelaten. Dat de termijn van artikel 2:15 lid 5 BW inmiddels is verstreken is door Caute bij gelegenheid van de comparitie ook met zoveel worden erkend. De besluiten waarbij Caute werd ontslagen en ICM tot bestuurder is benoemd zijn dan ook rechtsgeldig (geworden). Ook ten aanzien van bestuurders in de vorm van een trustkantoor geldt immers dat zij ten aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen van een bestuurder vallen onder het wettelijk stelsel van boek 2 BW, zoals recent nog is bevestigd door het hof Amsterdam in een arrest van 21 juli 2009, JOR 2009, 314. Nu de benoeming van ICM tot bestuurder niet meer kan worden aangetast, moet ICM geacht worden vanaf het begin rechtsgeldig te zijn benoemd. De vordering genoemd onder 3.1 A is derhalve toewijsbaar.

5.3. Met betrekking tot de zogenoemde “cliëntdossiers” van de cliëntvennootschappen, zoals de administratie, de correspondentie en het fiscale dossier, brengt de omstandigheid dat ICM rechtsgeldig bestuurder is van een vennootschap met zich, dat ICM deze dossiers onder zich moet houden. Voor zover de vordering van ICM onder 3.1 B hierop betrekking heeft is die toewijsbaar. Caute heeft niet concreet betwist dat zij beschikt over de cliëntdossiers van de in de gewijzigde eis op dit punt genoemde vennootschappen. De termijn waarbinnen de cliëntdossiers dienen te worden afgegeven zal ruimer worden genomen dan is gevorderd, omdat een termijn van twee werkdagen erg kort is. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en aan een maximum worden gebonden, zoals hierna is opgenomen. Zoals ICM ook opmerkt (conclusie van eis onderdeel 7) ligt dat anders met betrekking tot de zogenoemde cliëntacceptatie dossiers. Op grond van artikel 18 Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren rust de verplichting om die dossiers te bewaren op het trustkantoor met wie de cliëntvennootschap een overeenkomst van trust heeft gesloten. Voor zover de vordering van ICM betrekking heeft op de cliëntacceptatiedossiers is die niet toewijsbaar.

5.4. De vordering in conventie kan derhalve worden afgedaan. Als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij zal Caute worden veroordeeld in de kosten van het geding. Die kosten worden tot op heden aan de zijde van ICM begroot als volgt:

- vast recht € 262,--

- dagvaardingexploot € 72,25

- salaris advocaat (dagvaarding, comparitie,

2 punten tarief II à € 452,--) € 904,--

totaal € 1.238,25

Tegen de gevorderde nakosten en de uitvoerbaarheid bij voorraad van de kostenveroordeling is geen verweer gevoerd zodat dit zal worden toegewezen.

In reconventie

5.5. Uit de vaststaande feiten kan worden afgeleid dat [D] al in maart 2006 het plan had om de cliënten van Caute bij andere trustkantoren onder te (laten) brengen. De aanleiding vormde een (zakelijk) geschil tussen [A] en hem. De kans bestond dat [A] (indirect) aandeelhouder van Caute zou worden en [D] wilde ervoor zorgen dat in dat geval er in ieder geval geen activiteiten meer zouden plaatsvinden in Caute.

5.6. Om zijn plan daadwerkelijk te kunnen uitvoeren was de medewerking van Caute vereist. [B], bestuurder van Caute, was al in maart 2006 op de hoogte gesteld van de plannen van [D]. Caute heeft, ook na het ontslag van [B] en [C] meegewerkt aan de overdracht van de dossiers. Over de positie van [B] en [C] heeft de Ondernemingskamer in de beschikking van 24 juli 2007 overwogen dat zij zich mogelijk in een aan [D] feitelijk ondergeschikte positie hebben bevonden.

5.7. Nu niet valt in te zien dat Caute bereid zou zijn om al haar activiteiten zo maar over te dragen, gaat de rechtbank, gelet op het voorgaande en de vastgestelde feiten, in dit geding ervan uit, nu daarover ook niets anders is gesteld of gebleken, dat [D] bij de door hem gewenste overdracht van de trustrelaties misbruik heeft gemaakt van zijn positie ten opzichte van [B] en [C] en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens Caute.

5.8. Voor de uitvoering van het plan van [D] was verder vereist dat andere trustkantoren deze relaties zouden overnemen. [D] heeft daartoe contact opgenomen met [E] met het verzoek na te gaan wie bereid zou zijn deze klanten over te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat een aantal vennootschappen niet bereid bleek om deze relaties onder deze omstandigheden over te nemen.

5.9. Caute verwijt ICM onder meer dat zij de trustrelaties van Caute zonder nader onderzoek heeft overgenomen. Anders dan Caute stelt, is de enkele omstandigheid dat de overdracht op een in de trustwereld hoogst ongebruikelijke wijze heeft plaatsgevonden, onvoldoende voor het oordeel dat ICM onrechtmatig heeft gehandeld. Van ICM behoefde enkel en alleen op basis van de wijze waarop de overdracht plaatsvond, niet te worden verwacht dat zij onderzoek deed of Caute daadwerkelijk deze dossiers wilde overdragen. Dit is echter anders indien er aanleiding was om te vermoeden dat er mogelijk iets met de overdracht aan de hand was. Daarvan is in ieder geval sprake als ICM op de hoogte was dan wel kon zijn van het plan van [D].

5.10. De bewijslast van de wetenschap bij ICM, dat [D] beoogde om Caute leeg te halen, rust in beginsel op Caute. De enkele omstandigheid dat ICM (in)direct contacten had (gehad) met [E], is gelet op de betwisting door ICM onvoldoende voor het oordeel dat ICM daadwerkelijk op de hoogte was van de situatie. Caute stelt in dat verband dat [A] telefonisch [I], als adviseur van ICM, op de hoogte heeft gesteld van de mogelijke plannen van [D]. Volgens [A] was het zijn verwachting, op basis van de beschikking van de ondernemingskamer in maart 2006, dat [D] Caute zou willen leeghalen en heeft hij daarom direct een aantal mensen, waaronder [I], gebeld om te zeggen dat zij daaraan niet moesten meewerken. Indien dit komt vast te staan gaat de rechtbank ervan uit dat ICM op de hoogte was van de onrechtmatige plannen van [D]. Weliswaar was [I] adviseur van ICM, maar hij was de enige contactpersoon namens ICM bij de overdracht van de dossiers. De handelwijze van [I] is in dat verband aan ICM toe te rekenen. De overdracht van de dossiers was feitelijk al dubieus te noemen, te meer nu Caute onweersproken heeft gesteld dat zo’n portefeuille veel geld waard is en zij geen vergoeding heeft ontvangen, doch met de waarschuwing van [A] aan [I] - indien bewezen - moet het ervoor worden gehouden dat ICM onrechtmatig jegens Caute heeft gehandeld. In dat geval heeft ICM immers willens en wetens geprofiteerd van de dubieuze opzet van [D].

5.11. [I] erkent dat het telefoongesprek met [A] heeft plaatsgevonden, maar betwist dat hij daarin van het gestelde op de hoogte is gebracht. Nu [I] zich een aantal jaren later nog wel kan herinneren dat dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden, maar hij vervolgens nalaat in te gaan op de vraag waar het telefoongesprek dan wel over ging, acht de rechtbank vooralsnog bewezen dat [I] in of omstreeks maart 2006 telefonisch op de hoogte is gebracht van de mogelijke plannen van [D]. ICM zal echter in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen geachte stelling dat [A] [I] telefonisch heeft gewaarschuwd voor de mogelijke praktijken van [D].

5.12. Indien ICM slaagt in dat tegenbewijs, zal de vordering tot vergoeding van de schade worden afgewezen. Voor het geval ICM daarin niet slaagt, wordt als volgt overwogen.

5.13. ICM stelt in haar verweer dat Caute heeft verzuimd haar schade te onderbouwen. Voldoende aannemelijk is echter geworden dat Caute als gevolg van het feit dat nagenoeg haar hele cliëntenbestand is overdragen, schade heeft geleden. De totale schade en eventuele matigingsgronden dienen echter nog nader in een schadestaatprocedure te worden vastgesteld.

5.14. Caute vordert verder, op straffe van een dwangsom, afgifte door ICM van de dossiers van de cliëntvennootschappen als genoemd in het dictum van het vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 10 april 2008. Caute baseert dit deel van haar vordering op de stelling dat ICM niet heeft kunnen aantonen dat zij deze dossiers rechtmatig in haar bezit heeft of heeft gehad. Uit hetgeen in conventie is overwogen en beslist volgt dat ICM de dossiers van de cliëntvennootschappen rechtmatig onder zich hield en er voor haar geen verplichting (meer) is om deze op basis van het vonnis van 10 april 2008 en/of de arresten van 9 december 2008 aan Caute ter hand te stellen. Dit is anders voor de cliëntacceptatiedossiers. Gelet op het feit dat over deze klanten inmiddels de directie wordt gevoerd door ICM en de trustrelatie feitelijk tussen hen bestaat, ziet de rechtbank geen aanleiding deze vordering toe te wijzen.

5.15. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor een akte aan de zijde van ICM. ICM kan daarbij opgeven hoe zij tegenbewijs wil leveren en, voor zover zij getuigen wil doen horen, met opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de maanden april, mei en juni 2010. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

6. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

6.1. verklaart voor recht dat ICM vanaf haar benoeming als bestuurder door de aandeelhouders van de hierna genoemde vennootschappen rechtsgeldig bestuurder is van die vennootschappen en dat ICM vanaf de ontvangst daarvan met recht onder zich houdt de dossiers van de volgende vennootschappen:

- Balater B.V.

- Nordice B.V.

- PR.I.M.E. B.V.

- Teeside Invest B.V.

- Heating Investments N.V.

- On Clinic Advanced Medical Institute B.V.

- Freckleton B.V.

- Robiano B.V.

- Ailesbury B.V.

- J.S. Control B.V.

- Caconda B.V.

- Mirode B.V.

- Fustian B.V.

- Fedsa Netherlands B.V.

- Taurus Contracting and Service B.V.

- Lofty B.V.

- W.O.P.E. Europe N.V.

- Schakelstraat Amsterdam Real Estate B.V.

- Chiamiamo B.V.

- Paulista B.V.

- Chennai B.V.

- Anwood Trading B.V.

- Bardufoss B.V.

- Ouspidor B.V.

- Tech & Style Investments B.V.

- Saturn Comet

- Virtus Investments B.V.

- Olifin B.V.

- Rementor B.V.

- Jubanto B.V.

- Kusamo Holding B.V.

- Steengied B.V.

- Shirla Investments B.V.

- [M] 70 N.V.

- Elemata B.V.

- Bimbury B.V.

- Spanish Investment Company B.V.

- Société Blaye B.V.

- Clacton Holdings B.V.

- Tulloch Holdings B.V.

- Lamartine Beheermaatschappij B.V.

- Aberour License B.V.

- Almorah Holdings B.V.

- Elmira Finance B.V.

- Silas Holdings B.V.

- Sy Holdings B.V.

- Lacarna Finance B.V.

- IFS License B.V.

- Artlit Biotech Services

- Harlington 2 B.V.

- Harlington 22 B.V.

- General Partners Berlington B.V.

- Nordic Terminals B.V.

- Jubilate Holding B.V.

- Maida Investment B.V.

- Snorko Holding B.V.

- Lorcan B.V.

- Marcosti B.V.

- Shanboley Holding B.V.

- International Medical Diagnostics B.V.

- Overton Holding B.V.

- Superfun B.V.

- Ossington B.V.

- [N] Holding B.V.

- Spaco Invest Amsterdam (S.I.A.) B.V.

- European Oceano Services B.V.

6.2. veroordeelt Caute tot afgifte binnen twee weken na betekening van dit vonnis van de cliëntdossiers van de hierna genoemde vennootschappen, op straffe van verbeurte van een aan ICM te betalen dwangsom van € 1.000,-- per dag (waarbij een gedeelte van een dag geldt als een dag) en per dossier, met een maximum van in totaal € 50.000,--:

- Heating Investments N.V.

- On Clinic Advanced Medical Institute B.V.

- Caconda B.V.

- Fustian B.V.

- W.O.P.E. Europe N.V.

- Paulista B.V.

- Bardufoss B.V.

- Jubanto B.V.

- Kusamo Holding B.V.

- Shirla Investmenst B.V.

- Marcosti B.V.

6.3. veroordeelt Caute in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van ICM begroot op € 1.238,25;

6.4. veroordeelt Caute in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 205,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

- te vermeerderen met de wettelijke rente over de genoemde bedragen met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

6.5. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.6. wijst af het meer af anders gevorderde;

in reconventie

6.6. laat ICM toe tot tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte stelling dat [I] in of omstreeks maart 2006 telefonisch op de hoogte is gebracht van de mogelijke plannen van [D];

- benoemt voor het geval getuigen zullen worden gehoord als rechter-commissaris mr. C.S. Schoorl;

6.7. verwijst de zaak naar de rol van 24 maart 2010 voor een akte aan de zijde van ICM in verband met hetgeen onder 5.15 is overwogen;

6.8. houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.A. Wildenburg, mr. C.S. Schoorl en mr. J.M. van Hall en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2010.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature