< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft de minister het verzoek van [wederpartij] tot wijziging van de geslachtsnaam van haar dochter van [appellant sub 2] in [wederpartij] afgewezen.

Uitspraak



200907951/1/H3.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Justitie, en

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 september 2009 in zaak nr. 09/390 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft de minister het verzoek van [wederpartij] tot wijziging van de geslachtsnaam van haar dochter van [appellant sub 2] in [wederpartij] afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2008 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 december 2008 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De minister heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 23 oktober 2009. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 20 november 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. S.L. de Koning, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. J.J. van Vliet, advocaat te Nijmegen, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. E.M.C. Tinneveld, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken, bedoeld in het eerste en tweede lid, en het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit), wordt, op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed.

Ingevolge het tweede lid is ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 3°, wordt het verzoek afgewezen indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.

Ingevolge artikel 6 kan een verzoek tot geslachtsnaamswijziging dat niet op een van de voorgaande artikelen kan worden gebaseerd worden ingewilligd, indien de verzoeker aantoont dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden.

2.2. De dochter van [wederpartij] is geboren op 26 augustus 2002. De buitenhuwelijkse samenleving tussen [appellant sub 2] en [wederpartij] is geëindigd op 30 maart 2003.

2.3. De minister en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat is voldaan aan de in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 3 °, van het Besluit opgenomen voorwaarde dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd. De minister voert aan dat het in dat artikel genoemd e 'vierde deel' berekend moet worden over de periode tussen de geboorte van het kind en de aanvang van de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, zijnde de periode tussen de geboorte van het kind en de datum van indiening van het verzoekschrift minus vijf jaren. Volgens zowel de minister als [appellant sub 2] heeft [appellant sub 2] meer dan een vierde deel van de genoemde periode in gezinsverband met het kind samengeleefd.

2.3.1. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 3 °, van het Besluit kan, hoewel [appellant sub 2] heeft geweigerd in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van het kind, het verzoek toch worden toegewezen, indien [wederpartij] aantoont dat [appellant sub 2] en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd. De periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding betreft, zoals de minister terecht stelt, in dit geval de periode tussen de geboorte van het kind en de aanvang van de termijn van verzorging en opvoeding. Tussen partijen is thans niet in geschil dat de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit, is aangevan gen op 30 maart 2003. Nu het kind op 26 augustus 2002 is geboren, liep de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding derhalve van 26 augustus 2002 tot 30 maart 2003. Niet in geschil is dat [appellant sub 2] gedurende deze gehele periode met het kind in gezinsverband heeft samengeleefd. Derhalve heeft [appellant sub 2] meer dan een vierde deel van deze periode met het kind samengeleefd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is dan ook niet voldaan aan de in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 3 °, van het Besluit opgenomen voorwaarde. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat een verzoek om geslachtsnaamswijziging niet kan worden afgewezen op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit.

2.4. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van de minister van 9 december 2008 beoordelen, voor zover dit bespreking behoeft.

2.5. [wederpartij] heeft betoogd dat het handhaven van de achternaam [appellant sub 2] in strijd komt met het belang van haar dochter. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft zij daarmee beoogd een beroep te doen op artikel 6 van het Besluit. Het in bezwaar en beroep aangevoerde valt evenwel slechts te lezen als een betoog in het kader van artikel 3 en niet in het kader van artikel 6 van het Besluit, zodat laatstgenoemde bepaling, waarvoor, naar de minister heeft gesteld, een aparte procedure bestaat, in het kader van dit geding niet aan de orde kan zijn.

2.6. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 2] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 september 2009 in zaak nr. 09/390;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

97-640.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature