< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verzoek tot verwijdering van gegevens uit de systemen BPS en HKS van de politie Brabant Zuid-Oost. Gegevens zijn daarin opgenomen in verband met de verdenking van strafbare feiten, waarvan eiser in hoger beroep is vrijgesproken. Weigering Korpsbeheerder.

De rechtbank oordeelt dat verweerder met het enkel vermelden van het doel van het BPS en de enkele constatering dat vrijspraak niet zonder meer de verwijdering van gegevens uit het HKS tot gevolg heeft, de weigering om eisers gegevens te verwijderen niet overeenkomstig het tweede lid van artikel 28 van de Wpg met redenen heeft omkleed. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om toegespitst op dit specifieke geval te motiveren waarom het verder bewaren van eisers gegevens ter zake dienend is voor het doel van de verwerking, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 28 van de Wpg . Vernietiging bestreden besluit.

De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover het de weigering betreft om eisers gegevens uit het BPS te verwijderen, in stand. Het verder bewaren van eisers gegevens in het BPS is in ieder geval gerechtvaardigd in verband met het onderzoek naar aanleiding van de aangiften die eiser heeft gedaan tegen de aangeefster van de strafbare feiten waarvoor hij destijds is vervolgd, alsmede de klacht die eiser heeft ingediend ter zake het tijdens het strafrechtelijk onderzoek gevoerde verhoor.

De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, waar het de weigering betreft om de gegevens van eiser uit het HKS te verwijderen, in stand te laten. Niet alsnog is gebleken dat het verder bewaren van eisers gegevens in het HKS ter zake dienend is in verband met doel van de verwerking. Gelet op de onherroepelijke vrijspraak van eiser kan van recidive geen sprake zijn. Dat eiser is vrijgesproken omdat het gerechtshof niet overtuigend bewezen achtte dat eiser de ten laste gelegde feiten had begaan en dat er mogelijk nieuwe feiten naar voren zouden kunnen komen, vormt voorts op zichzelf genomen en zonder concrete aanwijzingen voor dergelijke nieuwe feiten - onvoldoende grond voor het verder bewaren van eisers gegevens.

Uitspraak



RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/214

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2010

inzake

[eiser],

te Helmond,

eiser,

tegen

de Korpsbeheerder van de Politie Brabant Zuid-Oost,

verweerder,

[gemachtigden].

Procesverloop

Bij brief van 3 december 2008 heeft eiser verweerder - onder meer - verzocht om diverse over hem opgeslagen gegevens, zoals DNA, foto's en vingerafdrukken, te verwijderen uit het Bedrijfsprocessensysteem (hierna: het BPS) en het Herkenningsdienstsysteem (hierna: het HKS) van de politieregio Brabant Zuid-Oost. Verweerder heeft eiser bij brief van 19 december 2008 medegedeeld dat aan vrijwel alle verzoeken van eiser geheel is voldaan en dat alle informatie in de informatiesystemen van verweerder daadwerkelijk is verwijderd en vernietigd, met uitzondering van de in het BPS en HKS opgenomen gegevens.

In een e-mailbericht van 3 januari 2009 heeft eiser verweerder vervolgens verzocht om een deel van de uitspraken uit de brief van 19 december 2008 te rectificeren, de over hem in het BPS en HKS opgenomen gegevens alsnog te verwijderen en de correspondentie tussen eiser en verweerder te vernietigen. Bij brief van 9 januari 2009 heeft verweerder medegedeeld aan deze verzoeken geen gevolg te geven.

Eiser heeft tegen de brief van 9 januari 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank. De zaak is behandeld ter zitting van 21 januari 2010. Eiser is ter zitting in persoon verschenen, vergezeld van zijn moeder. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is strafrechtelijk vervolgd voor het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige jongen. Na daarvoor aanvankelijk door de rechtbank te zijn veroordeeld, is eiser in hoger beroep door het gerechtshof 's-Hertogenbosch bij arrest van 13 augustus 2008 onherroepelijk vrijgesproken.

2. Bij brief van 3 december 2008 heeft eiser zich tot verweerder gewend met bovengenoemd verzoek tot verwijdering van zijn persoonlijke gegevens uit onder meer het BPS en HKS.

3. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, worden in het BPS de ambtshandelingen en -verrichtingen van politieambtenaren opgenomen. In het HKS worden gegevens opgenomen van verdachten tegen wie proces-verbaal is opgemaakt ter zake van strafbare feiten.

4. Bij brief van 19 december 2008 heeft verweerder op het verzoek van eiser gereageerd en - voor zover hier van belang en samengevat - medegedeeld dat de over eiser in het BPS en HKS opgenomen gegevens naar aanleiding van eisers vrijspraak weliswaar zijn aangepast, maar niet zullen worden verwijderd.

5. Gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 28, eerste lid, van de Wet politiegegevens (hierna: de Wpg), is de rechtbank van oordeel dat deze brief van verweerder van 19 december 2008 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), waartegen direct beroep bij rechtbank open staat. In artikel 28, eerste lid, van de Wpg is immers - voor zover hier van belang - bepaald dat degene aan wie kennis is gegeven van hem betreffende politiegegevens, de verantwoordelijke schriftelijk kan verzoeken deze te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt, en de beslissing op een dergelijk verzoek geldt ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wpg als een besluit in de zin van de Awb. Op grond van de laatstgenoemde bepaling is artikel 7:1 van de Awb niet van toepassing.

6. De reactie van eiser op dit besluit, te weten het e-mailbericht van eiser aan verweerder van 3 januari 2009, moet dan ook worden aangemerkt als een beroepschrift. Verweerder had dat beroepschrift ingevolge artikel 6:15 van de Awb aan de rechtbank moeten doorzenden. Ingevolge artikel 6:15, derde lid, van de Awb is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Dit brengt met zich dat het beroepschrift tijdig is ingediend.

7. Het voorgaande leidt er toe dat thans het besluit van 19 december 2008 ter toetsing voorligt.

8. De brief van verweerder van 9 januari 2009, voor zover deze brief betrekking heeft op de weigering eisers gegevens uit het BPS en HKS te verwijderen, moet naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een nadere motivering van het besluit van 19 december 2008. Voor zover deze brief betrekking heeft op het verzoek van eiser om de in het besluit van 19 december 2008 gedane uitspraken te rectificeren en op het verzoek om alle correspondentie tussen eiser en verweerder te vernietigen, bevat deze brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu van een publiekrechtelijke rechtshandeling geen sprake is. De rechtbank is derhalve onbevoegd om kennis te nemen van het beroep dat tegen deze brief is gericht.

9. Aan de orde is derhalve de vraag of verweerders besluit van 19 december 2008 tot weigering de gegevens van eiser uit het BPS en het HKS te verwijderen de rechterlijke toets kan doorstaan. In dat verband stelt de rechtbank vast dat ingevolge het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de Wpg de weigering om aan het verzoek tot verwijdering van gegevens te voldoen met redenen moet zijn omkleed. In het onderhavige geval is deze weigering niet deugdelijk gemotiveerd.

10. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat zij de oorspronkelijke - in het kader van het tegen eiser ingestelde strafrechtelijk onderzoek - verkrijging en verwerking van eisers gegevens, die volgens verweerder heeft plaatsgevonden op grond van het bepaalde in de artikelen 8 en 13 van de Wpg , als rechtmatig aanmerkt. Dat eiser nadien door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch is vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, maakt niet dat de verwerking van eisers gegevens thans alsnog als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Voorts stelt de rechtbank voorop dat uit een vrijspraak niet zonder meer hoeft voort te vloeien dat alle gegevens van degene die is vrijgesproken uit het BPS en HKS moeten worden verwijderd.

11. Dit laat onverlet dat voldaan moet zijn aan de voorwaarde dat de verdere bewaring van de gegevens van degene die is vrijgesproken ter zake dienend moet zijn voor het doel van de verwerking, zoals bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wpg .

12. Eiser heeft in beroep gemotiveerd gesteld dat er geen doel is gediend met het verder bewaren van zijn gegevens. Daarbij heeft hij gewezen op zijn belang bij verwijdering van zijn gegevens en heeft hij onder meer naar voren gebracht dat hij psychisch lijdt onder het verder bewaren van zijn persoonlijke gegevens in de systemen van de politie, omdat dit voor hem een straf vormt, terwijl hij onherroepelijk is vrijgesproken, en dat zijn vrijspraak voor hem weinig tot geen waarde heeft, zolang zijn persoonlijke gegevens bij de politie bewaard blijven.

13. In het bestreden besluit heeft verweerder volstaan met de mededeling dat in het BPS de bij eisers personalia opgenomen verwijzing "verdachte" is gewijzigd in "onverdacht persoon" en dat een aanvullende mutatie is opgenomen met daarin het arrest waarbij eiser is vrijgesproken, en dat in het HKS is aangegeven dat de afloop in deze zaak "vrijspraak" betreft. Het verder bewaren van eisers gegevens in deze systemen heeft verweerder uitsluitend gemotiveerd door ten aanzien van het BPS op te merken dat dit een systeem betreft waarin verantwoording van de door haar verrichte ambtshandelingen wordt opgenomen en door ten aanzien van het HKS op te merken dat volledige verwijdering slechts plaats vindt bij specifieke sepotcodes en vrijspraak, waarbij onomstotelijk vast staat dat het feit niet door de betreffende persoon kan zijn gepleegd, en dat dit niet geldt bij vrijspraak wegens gebrek aan bewijs. Met het enkel vermelden van het doel van het BPS en de enkele constatering dat vrijspraak niet zonder meer de verwijdering van gegevens uit het HKS tot gevolg heeft, heeft verweerder de weigering om eisers gegevens uit het BPS en HKS te verwijderen niet overeenkomstig het tweede lid van artikel 28 van de Wpg met redenen omkleed. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om toegespitst op dit specifieke geval te motiveren waarom het verder bewaren van eisers gegevens als ter zake dienend voor het doel van de verwerking moet worden aangemerkt.

14. Dit motiveringsgebrek wordt niet gerepareerd door de nadere motivering van het besluit van 19 december 2008 bij de brief van 9 januari 2009, nu verweerder ook daarin heeft volstaan met het standpunt dat in het BPS en HKS, na aanpassing van die systemen in de hiervoor genoemde zin, feitelijk geen onjuiste of niet ter zake dienende informatie meer is opgenomen. In deze brief is derhalve evenmin ingegaan op de vraag waarom in dit specifieke geval het verder bewaren van eisers gegevens als ter zake dienend voor het doel van de verwerking moet worden aangemerkt.

15. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de Wpg in samenhang met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.

16. Gegeven de nadere motivering van het bestreden besluit in het verweerschrift van 24 maart 2009, in het aanvullend verweerschrift van 26 mei 2009 en ter zitting, ziet de rechtbank, mede uit oogpunt van proceseconomie, reden om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bezien of aanleiding bestaat om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Daarbij zal de rechtbank onderscheid maken tussen de weigering om de gegevens van eiser te verwijderen uit het BPS enerzijds en de weigering om de gegevens van eiser te verwijderen uit het HKS anderzijds.

17. Ten aanzien van het BPS heeft verweerder naar voren gebracht dat op grond van het bepaalde van artikel 13, vierde lid, van de Wpg in het Privacyreglement Bedrijfsprocessensysteem van de politieregio Brabant Zuid- Oost (hierna: het Privacyreglement BPS), vastgesteld op 20 juni 1994, een schriftelijke vastlegging heeft plaatsgevonden van onder meer het doel ten behoeve waarvan de gegevens in het BPS verder worden verwerkt, de categorieën personen over wie gegevens ten behoeve van dat doel verder worden verwerkt en welke gegevens over deze personen worden opgenomen. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B en C, van het Privacyreglement BPS zijn volgens verweerder de relevante doelen neergelegd. Dit artikellid luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

Het register heeft tot doel de informatievoorziening in het kader van de uitvoering van artikel 2 van de Politiewet 1993 mogelijk te maken en bevat daartoe in het bijzonder de volgende modules:

(...)

B. een Gebeurtenissenmodule (artikelen 7 tot en met 9 ), met als specifiek doel het kunnen beschikken over gegevens ten behoeve van de afhandeling en verantwoording van gebeurtenissen - incidenten en acties - waar de politie, in het kader van haar taakstelling, bij is betrokken of betrokken is geweest.

C. een Processen-verbaal en rapportenmodule (artikelen 10 tot en met 12 ), met als specifiek doel het kunnen beschikken over gegevens ten behoeve van:

a. de opsporing en vervolging van verdachten van strafbare feiten, de hulpverlening in voorkomende gevallen dan wel de handhaving van de openbare orde;

b. de verantwoording van strafvorderlijke, administratieve- en andere ambtelijke handelingen.

(...)

18. Verweerder acht, met inachtneming van het Privacyreglement BPS, het verder bewaren van eisers gegevens ter zake dienend in verband met de vier afzonderlijke aangiften die eiser van smaad, laster en het doen van valse aangifte heeft gedaan tegen de aangeefster van de ontuchtige handelingen waarvoor hij destijds is vervolgd, alsmede in verband met de klacht die eiser heeft ingediend ter zake het tijdens het strafrechtelijk onderzoek gevoerde studioverhoor.

19. De rechtbank volgt verweerder hierin. Vast staat dat eiser op 17 april 2007, 29 mei 2007, 3 oktober 2008 en 24 maart 2009 aangifte heeft gedaan tegen de aangeefster van de ontuchtige handelingen, de moeder van de minderjarige jongen. Ter zitting is gebleken dat deze aangiften nog niet definitief zijn afgehandeld. Voorts heeft verweerder weliswaar de klacht die eiser op 17 april 2009 had ingediend tegen drie medewerkers van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, die betrekking had op het door hen afgenomen studioverhoor, afgehandeld, maar eiser heeft inmiddels, zo is ter zitting gebleken, ter zake een klacht ingediend bij de Nationale Ombudsman. Aangenomen moet worden dat een gedegen onderzoek naar aanleiding van deze aangiften en klacht zeer moeilijk zou zijn zonder de mogelijkheid eisers gegevens in het BPS te raadplegen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verder bewaren van deze gegevens in ieder geval gerechtvaardigd is in verband met onderzoek naar aanleiding van eisers aangiften en klacht. Aan de voorwaarde dat de verdere bewaring van de gegevens ter zake dienend moet zijn voor het doel van de bewerking in de zin van artikel 28, eerste lid, van de Wpg is ten aanzien van het BPS derhalve voldaan.

20. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 december 2008, voor zover het de weigering betreft om eisers gegevens uit het BPS te verwijderen, in stand blijven.

21. Ten aanzien van het HKS heeft verweerder naar voren gebracht dat het verder bewaren van eisers gegevens onder meer is gebaseerd op één van de doelstellingen neergelegd in het Privacyreglement Herkenningsdienst van de politieregio Brabant Zuid-Oost (hierna: het Privacyreglement HKS), zoals vastgesteld op 9 maart 2005, namelijk de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Privacyreglement HKS neergelegde doelstelling van het vaststellen van de mate van recidive van verdachten van misdrijven. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een registratie van de gegevens van eiser (nog) van belang kan zijn voor het geval jegens eiser over de periode rond de aangifte een vergelijkbare verdenking zou ontstaan of indien na de beslissing nieuwe bezwaren zouden rijzen. Opname van de gegevens kan volgens verweerder tevens dienstig zijn voor de vraag of sprake is van een ten aanzien van één en dezelfde persoon, dan wel wisselende personen, terugkerend (gedrags)persoon.

22. De rechtbank stelt vast dat laatstgenoemd standpunt van verweerder een letterlijke weergave betreft van de overwegingen van het gerechtshof 's-Gravenhage in de door verweerder aangehaalde en overgelegde beschikking van 24 maart 2009. Bedoelde overwegingen van het gerechtshof hebben evenwel betrekking op een geheel andere zaak dan hier aan de orde is en verweerder kan deze overwegingen derhalve niet zonder meer gebruiken in de onderhavige zaak. De beschikking van het gerechtshof betrof immers een sepot wegens een gebrek aan bewijs, waarbij de grond voor verdenking nog niet was vervallen. Er is derhalve sprake van een wezenlijk verschil met de onderhavige zaak, waarin eiser onherroepelijk is vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen en niet is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

23. Gelet op de onherroepelijke vrijspraak van eiser kan van het opnieuw plegen van een strafbaar feit, van recidive, geen sprake zijn. Dat eisers gegevens zouden moeten worden bewaard in verband met het vaststellen van de mate van recidive, zoals verweerder betoogt, volgt de rechtbank daarom niet. Verweerder kan derhalve niet de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Privacyreglement HKS neergelegde doelstelling van het vaststellen van de mate van recidive van verdachten van misdrijven aan het verder bewaren van eisers gegevens in het HKS ten grondslag leggen.

24. Voorts valt niet zonder meer in te zien met welk ander doel de gegevens van eiser verder in het HKS bewaard zouden moeten blijven. Verweerder heeft er weliswaar op gewezen dat eiser is vrijgesproken omdat het gerechtshof niet overtuigend bewezen achtte dat eiser de ten laste gelegde feiten had begaan, naar verweerder stelt wegens gebrek aan bewijs, en dat er mogelijk nieuwe feiten naar voren zouden kunnen komen, maar dit vormt - op zichzelf genomen en zonder concrete aanwijzingen voor dergelijke nieuwe feiten - onvoldoende grond voor het verder bewaren van eisers gegevens. Dat er mogelijk anderen zijn die het slachtoffer zijn geworden van ontuchtige handelingen door eiser heeft verweerder eerst ter zitting naar voren gebracht en in het geheel niet onderbouwd. Dit vormt derhalve thans onvoldoende grond voor het verder bewaren van eisers gegevens in het HKS.

25. Gelet op het voorgaande, is niet alsnog gebleken dat het verder bewaren van eisers gegevens in het HKS ter zake dienend is in verband met doel van de verwerking. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, waar het de weigering betreft om de gegevens van eiser uit het HKS te verwijderen, in stand te laten. Voorts is onvoldoende duidelijk in hoeverre verweerder de hiervoor genoemde grond voor het verder bewaren van eisers gegevens in het HKS nog zal kunnen concretiseren, voor zover verweerder na vernietiging nog aan deze grond wenst vast te houden. Daarom bestaat evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal derhalve een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

26. De rechtbank acht, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte reiskosten, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb). Het bedrag van deze kosten wordt, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpb , in samenhang met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, vastgesteld op € 10,80, te weten de kosten van een dagretour Eindhoven-'s-Hertogenbosch, tweede klasse.

27. Tevens acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de verletkosten van eiser, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van het Bpb en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb . De rechtbank acht, in aanmerking genomen de reisduur per openbaar vervoer Eindhoven-'s-Hertogenbosch (retour) en de duur van de zitting, een bedrag van € 50,96, overeenkomend met vier uren tegen een tarief van € 12,74 (het uurloon van eiser), redelijk.

28. Ten slotte zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 145,00 dient te vergoeden.

29. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van 13 januari 2009, gericht tegen de brief van 9 januari 2009;

- verklaart het beroep van 3 januari 2009, gericht tegen het besluit van 19 december 2008, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 december 2008;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, voor zover het betreft de weigering om de gegevens van eiser uit het BPS te verwijderen;

- bepaalt dat verweerder, voor zover het betreft de weigering om de gegevens van eiser uit het HKS te verwijderen, een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 145,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op een totaalbedrag van € 61,76.

Aldus gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in tegenwoordigheid van

drs. J.A. Meijer-Habraken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2010.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature