< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft de Raad van toezicht van de orde van advocaten in het arrondissement Arnhem het verzoek van [appellant], advocaat te [woonplaats], om ontheffing te verlenen voor het gebruik van de kantoornaam "[naam appellant] Advocaten" afgewezen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



200906085/1/H3.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 juli 2009 in zaak nr. 07/4678 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft de Raad van toezicht van de orde van advocaten in het arrondissement Arnhem het verzoek van [appellant], advocaat te [woonplaats], om ontheffing te verlenen voor het gebruik van de kantoornaam "[naam appellant] Advocaten" afgewezen.

Bij brief van 23 april 2007 heeft [appellant] hiertegen bezwaar gemaakt bij de Raad van toezicht. Bij brief van 9 mei 2007 heeft de Raad van toezicht dit bezwaarschrift op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doorgezonden naar de Algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten ter behandeling als administratief beroepschrift.

Bij besluit van 24 september 2007 heeft de Algemene raad het administratief beroep van [appellant] ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 september 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.

De Algemene raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 september 2009 heeft de Raad van toezicht, die door de Afdeling op de voet van artikel 8:26 van de Awb in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 2 februari 2010 heeft de Algemene raad nadere stukken ingediend.

Bij brief van 10 februari 2010 heeft [appellant] nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2010, waar [appellant] in persoon, de Algemene raad, vertegenwoordigd door mr. M.E. Veenboer, senior medewerker bezwaar en beroep van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten, en de Raad van toezicht, vertegenwoordigd door mr. R.J.A. Dil, deken van de orde van advocaten in het arrondissement Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Advocatenwet stelt het college van afgevaardigden verordeningen vast in het belang van de goede uitoefening van de praktijk. Het college stelt voorts de nodige verordeningen vast betreffende de huishouding en de organisatie van de Nederlandse orde van advocaten.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, zijn de verordeningen verbindend voor de leden van de orde, alsmede voor bezoekende advocaten volgens het bepaalde in artikel 16d, tweede lid, en in artikel 16 f.

Ingevolge het tweede lid mogen de verordeningen geen bepalingen inhouden omtrent punten waarin door of krachtens de wet is voorzien, noch treden in aangelegenheden die zich tengevolge van het uiteenlopen der omstandigheden in de arrondissementen niet lenen voor algemene voorzieningen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Samenwerkingsverordening 1993 (Stcrt. 1993, 193; hierna: de verordening) wordt onder samenwerkingsverband verstaan: iedere samenwerking waarin de deelnemers voor gezamenlijke rekening en risico praktijk uitoefenen of te dien aanzien de zeggenschap dan wel de eindverantwoordelijkheid met elkaar delen.

Ingevolge artikel 4 is het de advocaat slechts toegestaan een samenwerkingsverband aan te gaan of te laten voortbestaan:

a. met andere in Nederland ingeschreven advocaten;

b. met andere niet in Nederland ingeschreven advocaten, mits is voldaan aan het bepaalde in artikel 5;

c. met leden van een andere beroepsgroep, die daartoe door de Algemene raad is erkend overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, vermijdt de advocaat in zijn optreden naar buiten dat een onjuiste, misleidende of onvolledige voorstelling van zaken wordt gegeven ten aanzien van enige vorm van samenwerking waarbij hij is betrokken, een samenwerkingsverband daaronder begrepen.

Ingevolge het tweede lid is het de advocaat die geen samenwerkingsverband onderhoudt, verboden de praktijk te voeren onder een gemeenschappelijke naam of een zodanige benaming dat daardoor een samenwerkingsverband wordt gesuggereerd. In geval de gemeenschappelijke naam voorheen werd gevoerd door een inmiddels niet meer bestaand samenwerkingsverband, kan de Raad van toezicht van dit verbod ontheffing verlenen onder door deze te stellen voorwaarden, ter voorkoming van misleiding van het publiek.

2.2. Ter zitting heeft [appellant] zijn in hoger beroep aangevoerde grond, inhoudende dat de rechtbank heeft miskend dat de Raad van toezicht ten onrechte niet op zijn bezwaarschrift heeft besloten en dit ten onrechte ter behandeling als administratief beroepschrift naar de Algemene raad heeft doorgestuurd, ingetrokken.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard en het besluit van 24 september 2007 vernietigd omdat de Algemene raad de bevoegdheid tot ontheffingverlening te beperkt heeft opgevat. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten omdat zij de opvatting van de Algemene raad deelt dat de kantoornaam "[appellant] Advocaten" de schijn van een samenwerkingsverband heeft en dat deze schijn onvoldoende kan worden weggenomen door het stellen van de ontheffingsvoorwaarde van plaatsing van een voetnoot op eisers briefpapier of andere schriftelijke communicatievormen, inhoudende dat het om een eenmanszaak gaat.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 7, tweede lid, van de verordening onverbindend is omdat de Handelsnaamwet al in het onderwerp van naamgeving voorziet. Hij verwijst hiervoor onder meer naar de komende invoering van titel 7.13 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens [appellant] heeft de Algemene raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 7, tweede lid, van de verordening niet hetzelfde doel heeft als de Handelsnaamwet.

2.4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met artikel 7 van de verordening wordt beoogd dat de advocaat in zijn optreden naar buiten dient te vermijden dat hij een onjuiste voorstelling geeft ten aanzien van de samenwerking waarbij hij is betrokken. Met de Handelsnaamwet wordt beoogd misleiding als gevolg van het gebruik van een handelsnaam ten aanzien van de eigendom van een onderneming alsmede de rechtsvorm daarvan te voorkomen. De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat artikel 7, tweede lid, van de verordening geen bepalingen bevat over een onderwerp waarin reeds door of krachtens de Handelsnaamwet is voorzien. De toekomstige invoering van titel 7.13 van het Burgerlijk Wetboek maakt dit niet anders.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Hij voert aan dat de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat van de ontheffingsmogelijkheid van artikel 7, tweede lid, van de verordening nooit gebruik kan worden gemaakt. Het is volgens [appellant] onduidelijk in welke gevallen ontheffing kan worden verleend nu de Raad van toezicht ter zake geen beleid voert. Voorts stelt hij dat veel advocatenkantoren namen voeren die misleidend zijn.

2.5.1. Vaststaat dat [appellant] sinds 2002 geen samenwerkingsverband meer onderhoudt als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de verordening, zodat het verbod van de eerste volzin van artikel 7, tweede lid, van de verordening op hem van toepassing is. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat door het voeren van de naam "[appellant] Advocaten" een samenwerkingsverband wordt gesuggereerd omdat deze naam suggereert dat meer dan één advocaat op het kantoor werkzaam is. Aangezien [appellant] deze naam wenst te blijven voeren, was hij gehouden ontheffing aan te vragen.

Dat, naar [appellant] stelt, veel advocatenkantoren namen gebruiken die zijns inziens misleidend zijn, maakt dit niet anders. Ingevolge artikel 8 van de verordening is een samenwerkingsverband in zijn optreden naar buiten verplicht een gemeenschappelijke naam te voeren en mag deze naam niet misleidend zijn. Dit artikel staat toe dat een gemeenschappelijke naam de naam van een of meer natuurlijke personen vermeldt die nu niet meer aan het samenwerkingsverband deelnemen maar vroeger wel. De verordening verplicht een samenwerkingsverband niet een gemeenschappelijke naam te voeren die alle namen van de aan dat verband deelnemende advocaten vermeldt. Voor zover hierdoor een onderscheid wordt gemaakt tussen de naamgeving voor samenwerkingsverbanden van advocaten en de advocaat die geen samenwerkingsverband voert, vloeit dit onderscheid rechtstreeks voort uit de verordening, die op dit punt niet onverbindend kan worden geoordeeld.

De bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing is van discretionaire aard. Anders dan [appellant] betoogt, is de Raad van toezicht niet verplicht beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de uitoefening van deze bevoegdheid. Ter zitting heeft de Raad van toezicht gesteld dat het denkbaar is dat ontheffing wordt verleend in een overgangssituatie van tijdelijke aard. Gelet op dit standpunt, dat naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk is, bestaat geen grond voor het oordeel dat van de bevoegdheid tot ontheffingverlening nooit gebruik kan worden gemaakt. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de Raad van toezicht niet in redelijkheid de door [appellant] gevraagde ontheffing heeft kunnen weigeren, nu [appellant] een ontheffing wenst te krijgen voor onbepaalde tijd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in dit geval de schijn van een samenwerkingsverband onvoldoende kan worden weggenomen door het stellen van voorwaarden aan de ontheffingverlening, zoals plaatsing van een voetnoot op eisers briefpapier of andere schriftelijke communicatievormen, inhoudende dat het om een eenmanszaak gaat. De stelling van [appellant] dat de Raad van toezicht niet optreedt tegen andere advocaten die geen samenwerkingsverband voeren maar wel het woord advocaten in hun naam gebruiken kan niet leiden tot het door hem beoogde resultaat, nu niet is gebleken dat de Raad van toezicht aan deze advocaten wel ontheffing heeft verleend.

Het betoog van [appellant] faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

512.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature