Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Anders dan verweerder heeft gesteld, betreft deze brief niet slechts een bevestiging voor een afspraak voor het indienen van een verzoek tot naturalisatie. De zinsnede ‘in overleg met de heer van de Stadswinkel geef ik hierbij te kennen dat wij uw verzoek voor de aanvraag van de Nederlandse Nationaliteit voor 1 april hebben ontvangen.’ kan niet anders worden opgevat dan dat wordt medegedeeld, dat eiser zijn verzoek tot naturalisatie vóór 1 april 2007 heeft ingediend.

Voor zover, gelet op artikel 2, tweede lid, van de RWN , gelezen in samenhang met artikel 3, eerste en derde lid, van het BVVN , deze brief al niet kan worden aangemerkt als een door hem ondertekend schriftelijk verzoek tot naturalisatie betoogt eiser met succes dat met deze brief bij hem de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij werd geacht zijn verzoek toen te hebben ingediend. Uit de brief van 30 maart 2007 valt niet anders af te leiden, dan dat daarmee is beoogd het verzoek tot naturalisatie onder de werking van de tot 1 april 2007 geldende regelgeving te brengen, ondanks de omstandigheid dat met eiser geen afspraak kon worden gemaakt voor het indienen van zijn verzoek vóór 1 april 2007, en zo eiser tegemoet te komen. Gelet hierop en op de overige in rechtsoverweging 4.4 genoemde omstandigheden en in aanmerking genomen de ter uitvoering van de RWN en daarop gebaseerde regelgeving aan het ROC en de burgemeester gegeven taken, heeft eiser er dan ook op mogen vertrouwen dat hij met de door hem voor ontvangst ondertekende brief met daarin de hiervoor weergegeven zinsnede werd geacht zijn verzoek tot naturalisatie te hebben ingediend vóór 1 april 2007, zodat op zijn verzoek de tot die datum geldende regelgeving van toepassing zou zijn.

Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat eiser om die reden er niet langer op heeft aangedrongen om, en derhalve heeft nagelaten, vóór 1 april 2007 een schriftelijk verzoek tot naturalisatie in te dienen. Dat voor het indienen van een verzoek tot naturalisatie een afspraak moet worden gemaakt neemt niet weg, dat eiser moet worden geacht op 30 maart 2007, toen hij in persoon in de Stadswinkel aanwezig was, een schriftelijk verzoek tot naturalisatie te hebben kunnen indienen en dat hem daartoe ook de gelegenheid had moeten worden geboden. Aan het zogenoemde dispositievereiste is dan ook voldaan.

Dat eiser bij brief van 10 december 2007 aan verweerder te kennen heeft gegeven bereid te zijn om, in overeenstemming met de regelgeving zoals die vanaf 1 april 2007 geldt, de toets gesproken Nederlands alsnog af te leggen, doet er niet aan af dat hij op 30 maart 2007 gerechtvaardigd vertrouwen heeft ontleend aan de hem toen verstrekte brief en op grond daarvan vóór 1 april 2007 geen schriftelijk verzoek tot naturalisatie heeft ingediend. Met de brief van 10 december 2007 heeft eiser dan ook niet het recht verwerkt aanspraak te maken op dat gerechtvaardigde vertrouwen.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/2120 RWNL

Uitspraak in het geding tussen

Eiser, wonende te Schiedam,

gemachtigde mr. P.R.Y. Yuen, advocaat te Rotterdam

en

de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.W. van der Berg.

I Ontstaan en loop van de procedure

1 Op 18 juni 2007 heeft eiser een verzoek tot naturalisatie ingediend. Bij besluit van

6 augustus 2008 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2 Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser beroep ingesteld.

3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. L.Y. Wong, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Als tolk is verschenen mw. …..

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) worden, behoudens in de bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen gevallen, verklaringen en verzoeken in persoon afgelegd en ingediend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de RWN wordt met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN komt - voor zover hier van belang - slechts voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, alsmede van de Nederlandse staatsinrichting en maatschappij en hij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen.

Ingevolge artikel 23, eerste lid van de RWN , kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

1.2 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets (hierna: het BNT) - voor zover hier van belang - beschikt een verzoeker over voldoende kennis van de taal, van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN , indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de Nederlandse samenleving kan functioneren.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het BNT - voor zover hier van belang - wordt aan de hand van een naturalisatietoets vastgesteld of de verzoeker beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 2, derde lid van het BNT, zoals dit artikel luidde tot 1 april 2007, omvat de toets van de kennis van de taal een onderzoek naar

a. spreekvaardigheid;

b. luistervaardigheid;

c. schrijfvaardigheid en

d. leesvaardigheid.

Met ingang van 1 april 2007 is artikel 2, derde lid van het BNT in die zin gewijzigd dat daaraan is toegevoegd:

e. in Nederland: gespreksvaardigheid.

Ingevolge artikel 4 van het BNT - zoals dit artikel luidde tot 1 april 2007 - is de verzoeker, die kan aantonen door een belemmering niet in staat te zijn een of meer van de toetsonderdelen, genoemd in artikel 2, derde lid, en het toetsonderdeel staatsinrichting en maatschappij af te leggen, ontheven van de verplichting om het desbetreffende toetsonderdeel af te leggen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het BNT - geldend van af 1 april 2007 - wordt het verzoek niet afgewezen om de reden dat de naturalisatietoets niet is behaald, indien ten genoegen van verweerder is aangetoond dat a. de verzoeker door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet binnen vijf jaar in staat is de naturalisatietoets te behalen of b. indien het op grond van door de verzoeker geleverde inspanningen voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is de naturalisatietoets te behalen.

Ingevolge artikel 6 van het BNT kunnen - voor zover hier van belang - bij ministeri ële regeling ter uitvoering van het BNT nadere regels worden gesteld.

1.3 Ingevolge artikel 3, derde lid, van de tot 1 april 2007 geldende Regeling Naturalisatietoets kan, indien verzoeker een beroep doet op ontheffing van een of meerdere onderdelen van de naturalisatietoets, de burgemeester hem verwijzen naar het Regionaal Opleidingen Centrum van Amsterdam te Amsterdam (hierna: het ROC) ter advisering of verzoeker in staat is of op termijn in staat zal zijn de naturalisatietoets of onderdelen daarvan af te leggen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de met ingang van 1 april 2007 in werking getreden Regeling naturalisatietoets Nederland heeft geen verplichting tot het afleggen van de naturalisatietoets op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van het besluit uitsluitend de verzoeker, die ongeletterd is in de eigen en de Nederlandse taal, en van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, waaronder mede wordt verstaan aantoonbaar geleverde inspanning om zich te alfabetiseren in de Nederlandse taal, niet meer kan worden verwacht dat hij binnen een tijdsbestek van vijf jaar de schriftelijke vaardigheden in het Nederlands zal beheersen op het in deze Regeling gewenste niveau, en die de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering met succes heeft afgelegd.

1.4 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het BVVN), voor zover hier van belang, zijn tot het in ontvangst nemen naturalisatieverzoeken in Nederland de burgemeesters bevoegd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het BVVN, voor zover hier van belang, worden naturalisatieverzoeken in persoon afgelegd of ingediend.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van het BVVN wordt het verzoek op schrift gesteld en door de betrokkene of, in voorkomend geval, door zijn wettelijke vertegenwoordiger of gemachtigde ondertekend.

1.5 Ingevolge artikel 8 van het Besluit van 3 januari 2007, houdende wijziging van het Besluit naturalisatietoets, het Besluit inburgering en het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap in verband met de invoering van de Wet inburgering en de aanwijzing van het inburgeringsexamen als naturalisatietoets in Nederland (Staatsblad 2007, 15) is dit besluit van toepassing op verzoeken om verlening van het Nederlanderschap die op of na 1 april 2007 zijn ingediend.

2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser het verzoek om naturalisatie op

18 juni 2007 heeft ingediend zodat de met ingang van 1 april 2007 geldende regelgeving op het verzoek van toepassing is. De afwijzing van het verzoek is niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel aangezien geen sprake is van een gerechtvaardigde verwachting dat eiser vóór 1 april 2007 het verzoek om naturalisatie heeft ingediend.

Eiser komt op grond van de overgelegde documenten en aangevoerde omstandigheden niet in aanmerking voor vrijstelling dan wel ontheffing van het inburgeringsexamen. Eiser heeft geen resultatenbrief van de IB-groep overgelegd waaruit blijkt dat hij is geslaagd voor het afleggen van de toets gesproken Nederlands, als vereist ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Regeling naturalisatietoets Nederland. Eiser heeft dan ook in onvoldoende mate aangetoond dat hij ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Voorts is er geen reden eiser te ontheffen van de verplichting tot het afleggen van het inburgeringsexamen omdat geen medisch advies inburgeringsexamen aanwezig is waaruit blijkt dat eiser door een lichamelijke of psychische belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet in staat is om binnen vijf jaar het inburgeringsexamen af te leggen.

3 Eiser voert aan dat de datum van 19 maart 2007 in aanmerking dient te worden genomen als datum van indiening van zijn verzoek tot naturalisatie. Eiser stelt daartoe dat hij zich immers op 19 maart 2007, voorzien van de benodigde documenten en het advies van het ROC van 16 maart 2007, heeft gewend tot de gemeente Schiedam om zijn naturalisatieverzoek in te dienen. Op 30 maart 2007 heeft eiser, om zeker te stellen dat hij zijn verzoek tijdig - vóór 1 april 2007 - had ingediend, desgevraagd van een medewerker van de Stadswinkel van de gemeente Schiedam een bevestiging ontvangen dat zijn verzoek voor de aanvraag van de Nederlandse nationaliteit vóór 1 april 2007 was ontvangen. Eiser mocht er gelet op de brief van 30 maart 2007 op vertrouwen dat verweerder zijn verzoek zou beoordelen aan de hand van de bepalingen van de RWN, zoals die golden tot 1 april 2007.

Eiser voert voorts aan dat hij krachtens de regelgeving zoals deze tot 1 april 2007 gold in aanmerking komt voor ontheffing van de naturalisatietoets. Volgens eiser voldoet hij aan alle tot 1 april 2007 geldende vereisten voor naturalisatie. Eiser heeft daarbij gewezen op de verklaring van het ROC van 16 maart 2007 dat uit het op 14 maart 2007 verrichte haalbaarheidsonderzoek naturalisatietoets blijkt dat eiser niet in staat is binnen de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst getelde termijn de naturalisatietoets te behalen. Subsidiair beroept eiser zich op ontheffing van het inburgeringsexamen wegens medische gronden. Eiser heeft al het mogelijke gedaan om de benodigde onderzoeksresultaten te verkrijgen, doch is in bewijsnood komen te verkeren nu verweerder het onderzoek van de door de gemeente aangewezen keuringsarts niet afdoende acht en een op advies van de keuringsarts aangevraagd neuropsychologisch onderzoek niet kan worden verricht bij eiser omdat hij geen Nederlands spreekt.

4 De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1 Met ingang van 1 april 2007 zijn bovenvermelde artikelen 2 en 4 van het BNT, de artikelen die - kortgezegd - zien op de naturalisatietoets en de ontheffing van onderdelen daarvan, gewijzigd en is de Regeling naturalisatietoets vervangen door de Regeling naturalisatietoets Nederland. De wijziging is van toepassing op verzoeken tot naturalisatie die op of na 1 april 2007 zijn ingediend. Concreet betekent dit dat een ieder die op of na 1 april 2007 een naturalisatieverzoek indient en de verklaring van het haalbaarheidsonderzoek kan overleggen, ook de toets gesproken Nederlands van het inburgeringsexamen zal moeten afleggen.

4.2 Tussen partijen is in geschil of op eisers verzoek tot naturalisatie de regelgeving van vóór 1 april 2007, dan wel de met ingang van 1 april 2007, geldende regelgeving van toepassing is.

4.3 Het ROC heeft naar aanleiding van het haalbaarheidsonderzoek naturalisatietoets op 16 maart 2007 aan eiser een verklaring afgegeven inhoudende dat eiser niet in staat is om de naturalisatietoets met goed gevolg af te leggen. Daarbij heeft het ROC eiser in een begeleidende brief aangeraden om vanwege de wijziging van de regelgeving per 1 april 2007 vóór die datum bij zijn gemeente zijn aanvraag voor de Nederlandse nationaliteit te doen.

De rechtbank gaat voorts uit van de volgende door verweerder niet weersproken feiten:

Op 19 maart 2007 heeft eiser zich, in gezelschap van een vriend, …., en voorzien van de brief van het ROC, het advies en de onderzoeksresultaten, gewend tot de gemeente Schiedam met een verzoek om naturalisatie.

Tijdens dit bezoek op 19 maart 2007 heeft een medewerker van de gemeente Schiedam het telefoonnummer van eisers vriend genoteerd en eiser de mededeling gedaan nader bericht van de gemeente af te wachten.

Op 30 maart 2007 heeft eiser zich opnieuw tot de gemeente Schiedam gewend en is op zijn verzoek diezelfde dag door een medewerker van de Stadswinkel van de gemeente Schiedam, een brief afgegeven met de volgende inhoud:

“In vervolg op uw bezoek aan de Stadswinkel in week 12, deel ik u mede dat er vooralsnog geen mogelijkheid is geweest om telefonisch met u contact op te nemen ten behoeve van het maken van een afspraak voor de aanvraag van de Nederlandse nationaliteit.

In overleg met de heer …….van de Stadswinkel geef ik u hierbij te kennen dat wij uw verzoek voor de aanvraag van de Nederlandse Nationaliteit voor 1 april hebben ontvangen.

Er zal zo spoedig mogelijk met u een afspraak worden gemaakt waarin de voor u van toepassing zijnde procedure zal worden besproken en waarbij tevens getoetst zal worden of u aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de Nederlandse Nationaliteit voldoet.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”

Eiser heeft deze brief ter plaatse ondertekend.

Vast staat voorts dat de gemeente Schiedam bij brief van 15 juni 2007 een afspraak voor het aanvragen van de Nederlandse Nationaliteit op 18 juni 2007 heeft bevestigd en dat eiser op 18 juni 2007 bij de Afdeling Stadswinkel van de gemeente Schiedam een formulier ‘Verzoek om naturalisatie tot Nederlander ‘ heeft ondertekend en de legeskosten heeft betaald.

4.4 Gelet op de hiervoor weergegeven brief van 30 maart 2007 is aannemelijk, dat eiser zich op 19 maart 2007 op advies van het ROC tot de gemeente Schiedam heeft gewend met de bedoeling vóór 1 april 2007 een verzoek tot naturalisatie in te dienen en dat hij daartoe op 30 maart 2007 opnieuw in de Stadswinkel is geweest. Aannemelijk is tevens, dat eiser er op 30 maart 2007 bij de medewerker van de Stadswinkel op heeft aangedrongen dat hem een schriftelijk bewijsstuk zou worden verstrekt, waaruit zou blijken dat hij vóór

1 april 2007 in de Stadswinkel was geweest om zijn verzoek tot naturalisatie in te dienen, en dat om die reden aan hem op 30 maart 2007 door ….. van de Stadswinkel de door eiser voor ontvangst ondertekende brief van 30 maart 2007 is afgegeven. Anders dan verweerder heeft gesteld, betreft deze brief niet slechts een bevestiging voor een afspraak voor het indienen van een verzoek tot naturalisatie. De zinsnede ‘in overleg met de heer

…….. van de Stadswinkel geef ik hierbij te kennen dat wij uw verzoek voor de aanvraag van de Nederlandse Nationaliteit voor 1 april hebben ontvangen.’ kan niet anders worden opgevat dan dat wordt medegedeeld, dat eiser zijn verzoek tot naturalisatie vóór 1 april 2007 heeft ingediend.

4.5 Voor zover, gelet op artikel 2, tweede lid, van de RWN , gelezen in samenhang met artikel 3, eerste en derde lid, van het BVVN , deze brief al niet kan worden aangemerkt als een door hem ondertekend schriftelijk verzoek tot naturalisatie betoogt eiser met succes dat met deze brief bij hem de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij werd geacht zijn verzoek toen te hebben ingediend. Uit de brief van 30 maart 2007 valt niet anders af te leiden, dan dat daarmee is beoogd het verzoek tot naturalisatie onder de werking van de tot 1 april 2007 geldende regelgeving te brengen, ondanks de omstandigheid dat met eiser geen afspraak kon worden gemaakt voor het indienen van zijn verzoek vóór 1 april 2007, en zo eiser tegemoet te komen. Gelet hierop en op de overige in rechtsoverweging 4.4 genoemde omstandigheden en in aanmerking genomen de ter uitvoering van de RWN en daarop gebaseerde regelgeving aan het ROC en de burgemeester gegeven taken, heeft eiser er dan ook op mogen vertrouwen dat hij met de door hem voor ontvangst ondertekende brief met daarin de hiervoor weergegeven zinsnede werd geacht zijn verzoek tot naturalisatie te hebben ingediend vóór 1 april 2007, zodat op zijn verzoek de tot die datum geldende regelgeving van toepassing zou zijn.

Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat eiser om die reden er niet langer op heeft aangedrongen om, en derhalve heeft nagelaten, vóór 1 april 2007 een schriftelijk verzoek tot naturalisatie in te dienen. Dat voor het indienen van een verzoek tot naturalisatie een afspraak moet worden gemaakt neemt niet weg, dat eiser moet worden geacht op

30 maart 2007, toen hij in persoon in de Stadswinkel aanwezig was, een schriftelijk verzoek tot naturalisatie te hebben kunnen indienen en dat hem daartoe ook de gelegenheid had moeten worden geboden. Aan het zogenoemde dispositievereiste is dan ook voldaan.

Dat eiser bij brief van 10 december 2007 aan verweerder te kennen heeft gegeven bereid te zijn om, in overeenstemming met de regelgeving zoals die vanaf 1 april 2007 geldt, de toets gesproken Nederlands alsnog af te leggen, doet er niet aan af dat hij op 30 maart 2007 gerechtvaardigd vertrouwen heeft ontleend aan de hem toen verstrekte brief en op grond daarvan vóór 1 april 2007 geen schriftelijk verzoek tot naturalisatie heeft ingediend. Met de brief van 10 december 2007 heeft eiser dan ook niet het recht verwerkt aanspraak te maken op dat gerechtvaardigde vertrouwen.

5 Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder ten onrechte althans in strijd met het vertrouwensbeginsel het verzoek van eiser getoetst aan de met ingang van 1 april 2007 geldende regelgeving en eiser tegengeworpen dat niet is gebleken dat hij is geslaagd voor de toets gesproken Nederlands. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. Bij zijn nieuw te nemen besluit dient verweerder uit te gaan van een door eiser vóór 1 april 2007 ingediend verzoek tot naturalisatie.

6. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van het beroep, vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,--;

5 bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 150,-- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. G. Buijtenhek, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 22 maart 2010.

Rechtsmiddel

Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiser wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature