< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 27 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) vergunning verleend voor het oprichten van een windturbinepark bij het verkeersknooppunt Hattemerbroek.

Uitspraak



200808402/1/R2.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de stichting Stichting Ever Green, gevestigd te Wapenveld, gemeente Heerde,

3. de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem, gevestigd te Hattem,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) vergunning verleend voor het oprichten van een windturbinepark bij het verkeersknooppunt Hattemerbroek.

Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het college de hiertegen ingediende bezwaren gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2008, de stichting Stichting Ever Green (hierna: de stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2008, en de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem (hierna: de vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 1], de stichting, de vereniging, het college en [vergunninghoudster], hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1a], de vereniging en [vergunninghoudster] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak no. 200806507/1R1 ter zitting behandeld op 4 januari 2010, waar [appellant sub 1a], bijgestaan door mr. J. Veltman, advocaat te Groningen, en ir. S. Nijhuis, de vereniging, vertegenwoordigd door haar [secretaris] en haar [voorzitter], de stichting, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.A. Freriks, advocaat te Breda en mr. P. Tillie, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek, vertegenwoordigd door S. Keijzer, M. Tijssen, W.J. Korte en mr. ing . A.P.J. Timmermans en [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door drs. E.J.M. de Graaf, ir. J.P.M. van Veelen en drs. H.A.M. Prinsen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog nadere stukken in het geding gebracht.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

2. Overwegingen

Het geschil

2.1. In geschil is de bij het bestreden besluit in stand gebleven vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 voor het oprichten van zeven windturbines in lijnopstelling, met elk een vermogen van ongeveer twee megawatt, bij het verkeersknooppunt Hattemerbroek. De windturbines hebben een ashoogte van 80 tot 105 meter en een rotordiameter van ongeveer 90 meter. De afstand tussen de afzonderlijke windturbines is ongeveer 400 meter. De locatie van het beoogde windturbinepark bevindt zich op een afstand van ongeveer 1,5 kilometer van de uiterwaarden van de IJssel, ongeveer 2,5 kilometer van de Veluwe, ongeveer 11 kilometer van het Drontermeer en ongeveer 11,5 kilometer van het Vossemeer.

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Nbw 1998 kan tegen een besluit op grond van deze wet een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb , is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

2.2.1. Het college stelt zich in de onderhavige beroepsprocedure op het standpunt dat de stichting en de vereniging niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit omdat, kort samengevat, de locatie van het windturbinepark geen deel uitmaakt van hun werkgebied.

Het college stelt zich voorts op het standpunt dat [appellanten sub 1], evenmin als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt nu zij allen wonen buiten de milieu-invloedsfeer van het windturbinepark van ongeveer 420 meter rondom de locatie.

2.2.2. De stichting stelt zich volgens haar statuten ten doel het behoud van de karakteristieke dorps- en landschappelijke waarden van Wapenveld en omstreken, de flora en fauna op en rond het Ennerveld in het bijzonder. De feitelijke werkzaamheden van de stichting bestaan uit het voeren van overleg met de Gelderse Milieufederatie over de inrichting van het Heerdese deel van het Centraal Veluws Natuurgebied en deelname aan klankbordgroepen met betrekking tot diverse ruimtelijke ontwikkelingen in Heerde.

De Afdeling stelt vast dat de locatie van het windturbinepark geen deel uitmaakt van Wapenveld of diens omstreken en evenmin is gelegen op of rond het Ennerveld. Gelet hierop kan de stichting niet worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb . Het college heeft de stichting derhalve ten onrechte ontvangen in bezwaar. Het beroep van de stichting is om die reden gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de stichting alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in bezwaar.

2.2.3. De vereniging heeft blijkens haar statuten als doel het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het fysieke milieu, met het oog op een goede kwaliteit van het milieu als voorwaarde voor de gezondheid en het welbevinden van de mens, ook van de toekomstige generaties, alsmede met het oog op de zorg voor ecosystemen, natuur en landschap ten behoeve van de mens maar ook uit respect voor het milieu als een waarde in zichzelf. Het werkgebied betreft Noord-Oost Veluwe, in het bijzonder de gemeente Hattem, aldus de statuten. Blijkens het jaarverslag 2007 en de folder van de vereniging, stelt de vereniging educatieve natuurprojecten op met scholen, fungeert zij als gesprekspartner van de gemeente omtrent ruimtelijke ontwikkelingen, stuurt zij actief aan op herstel en behoud van landschapselementen en geeft zij voorlichting over diverse uiteenlopende onderwerpen aangaande het milieu.

De locatie van het windturbinepark ligt wat betreft 3 van de 7 windturbines in de gemeente Hattem, waardoor de ruimtelijke uitstraling van het windturbinepark zich in ieder geval over een deel van de gemeente Hattem zal uitstrekken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de vereniging door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij gezien de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt, zodat de vereniging als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.2.4. [appellanten sub 1] (hierna: in enkelvoud [appellant sub 1]) wonen binnen een straal van 1500 meter van de locatie van het windturbinepark en hebben zicht op deze locatie. Gezien de ruimtelijke uitstraling van de windturbines, door de hoogte daarvan en de plaatsing in het vlakke open landschap, is de Afdeling van oordeel dat hun belang, ondanks de betrekkelijk grote afstand van hun woningen tot de windturbines, rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken, zodat zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt.

Toetsingskader

2.3. Bij beschikking van 8 augustus 1995 is het gebied "IJsseluiterwaarden" aangewezen als staatsnatuurmonument. Het omvat onder meer de deelgebieden Fortmond en Windesheim. Het gebied is op 24 maart 2000, 25 april 2003 en 30 januari 2004 onder de naam "IJssel" aangewezen als speciale beschermingszone (hierna: sbz) als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna de Vogelrichtlijn). Blijkens deze aanwijzingsbesluiten is het gebied onder meer van betekenis voor de kleine zwaan, wilde zwaan, kolgans, grauwe gans en smient. Daarnaast is het gebied aangemeld als sbz als bedoeld in de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna; de Habitatrichtlijn). Bij beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004 is het gebied geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had het ontwerpbesluit Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel" ter inzage gelegen, maar was het nog niet als zodanig aangewezen. Het gebied "Veluwe" is op 24 maart 2000 aangewezen als sbz op grond van de Vogelrichtlijn. Blijkens het aanwijzingsbesluit is dit gebied van belang voor de wespendief, nachtzwaluw, ijsvogel, zwarte specht, boomleeuwerik, duinpieper en grauwe klauwier. Van dit gebied maken deel uit de voormalige beschermde natuurmonumenten "Leemputten bij Staverden" en "Mosterdveen". Het gebied "Veluwe" is in 2003 aangemeld als sbz in de zin van de Habitatrichtlijn. Bij beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004 is het gebied "Veluwe" geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had het ontwerpbesluit Natura 2000-gebied "Veluwe" ter inzage gelegen, maar was het nog niet als zodanig aangewezen. Bij beschikking van 22 juni 1998 is het gebied "Drontermeer" aangewezen als staatsnatuurmonument. Op 24 maart 2000 is het gebied aangewezen als sbz op grond van de Vogelrichtlijn. Op dezelfde datum zijn bij afzonderlijke besluiten het "Veluwemeer" en het "Wolderwijd en Nuldernauw" aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn. Blijkens deze aanwijzingsbesluiten zijn deze gebieden onder meer van betekenis voor de kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, smient en diverse eendensoorten. In 2003 is het gebied tezamen met het "Veluwemeer" en het "Wolderwijd" (gedeeltelijk) aangemeld als sbz als bedoeld in de Habitatrichtlijn. Bij beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004 is het gebied geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio onder meer vanwege de meervleermuis. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had het ontwerpbesluit Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren" ter inzage gelegen, maar was het nog niet als zodanig aangewezen. Bij beschikking van 22 juni 1998 is het "Vossemeer" als staatsnatuurmonument aangewezen. Op 24 maart 2000 is het gebied "Ketelmeer en Vossemeer" aangewezen als sbz op grond van de Vogelrichtlijn. Blijkens dit aanwijzingsbesluit is het gebied onder meer van betekenis voor de kleine zwaan. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had het ontwerpbesluit Natura 2000-gebied "Ketelmeer en Vossemeer" ter inzage gelegen, maar was het nog niet als zodanig aangewezen.

2.3.1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van bestreden besluit en voor zover hier van belang, is het verboden om zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, van het college van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19e, aanhef en onder a, van de Nbw 1998, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van bestreden besluit en voor zover hier van belang, houdt het college van gedeputeerde staten bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied.

Artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van bestreden besluit en voor zover hier van belang, bepaalt dat voor nieuwe projecten of andere handelingen waarover het college een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, neemt en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, de initiatiefnemer, alvorens het college een besluit neemt, een passende beoordeling voor het gebied maakt, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel V, eerste lid, van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Nbw 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen, gelden de besluiten van de minister houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

2.3.2. In artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, gelden zodra een gebied op de lijst van gebieden van communautair belang is geplaatst.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in het vierde lid, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

Bij zijn arrest van 7 september 2004, in zaak C-127/02 (AB 2004, 365), heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor dat gebied.

Voorts heeft het Hof voor recht verklaard dat een passende beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor het betrokken gebied meebrengt dat, voordat voor dit plan of project toestemming wordt verleend, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. De bevoegde nationale autoriteiten geven, op basis van de passende beoordeling van de gevolgen voor het betrokken gebied, in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, slechts toestemming voor deze activiteit wanneer zij de zekerheid hebben verkregen dat de activiteit geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn.

2.3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 oktober 2007, in zaak no. 200700603/1, bevat artikel 19d van de Nbw 1998 voldoende elementen die een interpretatie van deze bepaling conform artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn mogelijk maken.

De uit artikel 19d van de Nbw 1998 voortvloeiende verplichtingen strekken derhalve mede tot bescherming van de Habitatrichtlijngebieden "Veluwe", "Veluwemeer" en het "Wolderwijd" (gedeeltelijk) voor zover deze gebieden zijn aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn.

Barrièrewerking van het windturbinepark en cumulatie

2.4. [appellant sub 1] en de vereniging betogen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de trek van ganzen en andere vogelsoorten in relatie met de sbz "Uiterwaarden IJssel", de sbz "Veluwe", de sbz "Ketelmeer en Vossemeer" en de sbz "Drontermeer". In dit verband wijzen zij er op dat de windturbines door de wijze van opstelling op het grondgebied van de gemeente Oldebroek enerzijds en de gemeente Hattem anderzijds als een fuik werken waardoor een toename van vogelslachtoffers zal ontstaan. Verder betoogt [appellant sub 1] dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar cumulatieve effecten van het windturbinepark met andere plannen of projecten.

2.4.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op het in opdracht van [vergunninghoudster] door Bureau Waardenburg opgestelde rapport 'Beoordeling van knelpunten voor vogels van Windmolenpark Hattem-Oldebroek: Verslechterings- en verstoringstoets in het kader van de Nbw 1998' van 31 januari 2007 (hierna: het rapport). Uit het rapport heeft het college afgeleid dat de effecten op de kwalificerende vogelsoorten van de sbz "Uiterwaarden IJssel" verwaarloosbaar zijn. Daarnaast heeft het college zich bij het bestreden besluit gebaseerd op de notitie van Bureau Waardenburg van 25 april 2008 (hierna: de notitie) die een aanvulling is op het rapport.

2.4.2. In hoofdstuk 4 van het rapport worden onder meer verstoring, het aanvaringsrisico en de barrièrewerking van windturbines voor vogels beschreven. Daarin wordt gesteld dat er tot nu toe geen aanwijzingen zijn dat verliezen door aanvaringen met windturbines effect hebben op populatieniveau en dat tot dusver uit onderzoeken niet naar voren is gekomen dat één lijn van windturbines leidt tot het onbereikbaar of onbruikbaar worden van rust- of foerageergebieden. Om barrièrewerking te minimaliseren moeten windparken zo ontworpen worden dat lange lijnopstellingen van turbines voorkomen worden of op bepaalde afstanden met openingen onderbroken worden. In hoofdstuk 5 van het rapport dat mede is gebaseerd op recente watervogeltelgegevens van SOVON staat dat zich groepen van enkele honderden grauwe ganzen en kolganzen voornamelijk ophouden in de uiterwaarden van de IJssel en dat de belangrijkste ganzenslaapplaatsen zich bevinden in deze uiterwaarden, op het Zwartemeer, op het Vossemeer en op het Drontermeer. De verwachting is dat tijdens slaaptrek nauwelijks ganzen de locatie van het windturbinepark zullen passeren. In hoofdstuk 8 van het rapport wordt geconcludeerd dat het verstoringseffect op andere soorten niet-broedvogels, waaronder eenden en kieviten die de locatie van het windturbinepark gebruiken als foerageer- of rustgebied, ook als zeer gering wordt ingeschat, aangezien deze soorten niet in belangrijke aantallen worden vastgesteld en/of de omgeving voldoende alternatieve foerageer- en/of rustmogelijkheden biedt. In de notitie staat dat geen vliegbewegingen over het beoogde windturbinepark te verwachten zijn van de kwalificerende vogelsoorten, waaronder de kleine zwaan, van de sbz "Veluwe", de sbz "Drontermeer" en de sbz "Ketelmeer en Vossemeer".

2.4.3. De Afdeling is van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het rapport en de notitie voldoende objectieve gegevens bevat voor de conclusie dat kan worden uitgesloten dat het beoogde windturbinepark afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor de kwalificerende vogelsoorten van met name de sbz "Uiterwaarden IJssel". In het rapport zijn verschillende gegevens en onderzoeken omtrent het aanvaringsrisico en de barrièrewerking van windturbines voor vogelsoorten opgesomd en wordt het voorkomen van aantallen kwalificerende soorten van met name de sbz "Uiterwaarden IJssel" genoemd, maar het rapport maakt niet inzichtelijk - bijvoorbeeld aan de hand van duidelijke tabellen - dat deze gegevens en onderzoeken op systematische wijze met elkaar in verband zijn gebracht. De notitie biedt in dit opzicht geen verduidelijking ten opzichte van het rapport. Verder wordt in het rapport noch in de notitie ingegaan op de mogelijke fuikwerking van de in geding zijnde windturbines voor kwalificerende vogelsoorten. Deze fuikwerking kan ontstaan, omdat de vergunning ertoe strekt dat drie op het grondgebied van de gemeente Hattem in één lijn te plaatsen windturbines haaks staan op de vier op het grondgebied van de gemeente Oldebroek in één lijn te plaatsen windturbines. Daarnaast staat in de notitie dat een cumulatieonderzoek met andere projecten en plannen niet heeft plaatsgevonden, omdat die effecten niet te verwachten zouden zijn. In het verweerschrift verwijst het college met betrekking tot mogelijke cumulatieve effecten naar de briefnotitie van Bureau Waardenburg van 28 mei 2008 (hierna: briefnotitie) inzake het beoogde windturbinepark Kampen N50-Zuid. Uit de briefnotitie blijkt echter niet dat met concrete feitelijke gegevens onderbouwd onderzoek naar cumulatieve effecten heeft plaatsgevonden. Bovendien acht de Afdeling niet op voorhand uitgesloten dat geen cumulatieve effecten voor kwalificerende vogelsoorten te verwachten zijn vanwege de invloed van de Hanzelijn en het bedrijventerrein Hattemerbroek.

2.4.4. Gelet op het voorgaande heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998 nodig is voor het verlenen van de gevraagde vergunning. De beroepen van [appellant sub 1] en de vereniging zijn reeds hierom gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Gelet op deze uitkomst behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 1] en de vereniging geen bespreking. De Afdeling merkt nog op dat het college bij het opnieuw beslissen op bezwaar ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Nbw 1998 gehouden is te beslissen in overeenstemming met het college van gedeputeerde staten van Overijssel, omdat de sbz "Uiterwaarden IJssel" - waarop de vergunningaanvraag onder meer ziet - mede is gelegen in de provincie Overijssel. Verder dient het college bij het opnieuw voorzien acht te slaan op artikel 2a van de Nbw 1998.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van de stichting te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] en de vereniging is niet gebleken van andere proceskosten in de voorliggende zaak dan de proceskosten die zijn gemaakt in de uitspraak van heden in de zaak nr. 200806507/1/R1 en die in die uitspraak worden vergoed.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting Ever Green gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 9 oktober 2008, kenmerk 2007-006487, voor zover de stichting Stichting Ever Green ontvangen is in haar bezwaar tegen het besluit van 27 september 2007;

III. verklaart het bezwaar van de stichting Stichting Ever Green niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 9 oktober 2008, kenmerk 2007-006487;

V. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], en de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem gegrond;

VI. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 9 oktober 2008, kenmerk 2007-006487, in zoverre;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de stichting Stichting Ever Green voor de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) aan de stichting Stichting Ever Green en ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) aan de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

12.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature