< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Terugvordering huurtoeslag over het jaar 2006. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden om op grond van het overgangsrecht Huursubsidiewet in de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in aanmerking te komen voor huurtoeslag over 2006.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 09/3570

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 9 maart 2010.

inzake

[Eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats],

tegen

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 juli 2009.

2. Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2008 heeft verweerder het recht op huurtoeslag van eiseres over het jaar 2006 definitief vastgesteld op nihil en de verleende voorschotten ten bedrage van in totaal € 1.810,- van eiseres teruggevorderd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder het verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 13 januari 2010. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar partner, [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr . drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij verweerder.

3. Overwegingen

Standpunt van verweerder

3.1 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in geval van eiseres, blijkens de aanslag inkomstenbelasting 2006, er over dat jaar sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen ten bedrage van € 424,-. Gelet hierop heeft eiseres op grond van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag geen recht op huurtoeslag. Evenmin kan eiseres recht op huurtoeslag ontlenen aan het in hoofdstuk 2, artikel I, elfde lid, van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Stb. 2005, 343; verder: Aanpassingswet Awir) opgenomen overgangsrecht Huursubsidiewet.

Standpunt van eiseres

3.2 Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Volgens haar heeft zij over het jaar 2006 recht op huurtoeslag. Zij heeft in dat verband naar voren gebracht dat zij na haar echtscheiding vanaf 1 mei 2005 in aanmerking kwam voor huursubsidie en dat er twee minderjarige kinderen tot haar huishouden behoorden. Eisers heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zij voldoet aan de voorwaarden van het eerdergenoemde overgangsrecht. Subsidiair heeft eisers aangevoerd dat een toetsing van haar vermogen aan de hand van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004 tot een onredelijke uitkomst zou leiden, gelet op de in 2005 gewijzigde gezinssituatie en de omstandigheden dat zij in 2004 had gekozen voor een fiscaal partnerschap met haar huidige ex-echtgenoot.

Geschil

3.3 Niet in geschil is dat eiseres op grond van artikel 7, derde lid, van de Awir , in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag geen recht heeft op huurtoeslag, daar bij haar over 2006 voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in aanmerking is genomen. In geschil is slechts de vraag of eiseres over het jaar 2006 recht op huurtoeslag kan ontlenen aan het overgangsrecht. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Wettelijk kader

3.4 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Huursubsidiewet (oud) wordt in die wet verstaan onder peiljaar: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Huursubsidiewet (oud) wordt in die wet verstaan onder rekenvermogen: het gezamenlijk vermogen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt onder vermogen verstaan: de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5. 2 van de Wet IB 2001 , met dien verstande dat die grondslag wordt bepaald zonder rekening te houden met de vrijstelling maatschappelijke beleggingen, bedoeld in afdeling 5.3 van die wet en de vrijstelling beleggingen in durfkapitaal, bedoeld in afdeling 5.3a van die wet.

Hoofdstuk 2, artikel I, elfde lid, van de Aanpassingswet Awir luidt als volgt.

Ten aanzien van de huurder die jonger is dan 65 jaar, aan wie over het subsidiejaar dat loopt van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006 huursubsidie is verstrekt en die in het daarvoor geldende peiljaar een rekenvermogen heeft van meer dan € 20.300,-, wordt, indien hij in een berekeningsjaar recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting als bedoeld in artikel 8.15 van de Wet IB 2001 , artikel 7, derde lid, van de Awir toegepast alsof hij in dat jaar recht zou hebben op tweemaal het heffingvrije vermogen als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van die wet. De vorige volzin is niet van toepassing in berekeningsjaren die volgen op een berekeningsjaar waarin met inachtneming van het in die volzin bepaalde, als gevolg van de toepassing van artikel 7, derde lid, van de Awir geen huurtoeslag is toegekend.

Beoordeling

3.5 Uit de toelichting bij het amendement dat heeft geleid tot hoofdstuk 2, artikel I, elfde lid, van de Aanpassingswet Awir blijkt dat is beoogd om bij wijze van overgangsmaatregel de vermogenstoets voor alleenstaande ouders te handhaven op het niveau van voor de inwerkingtreding van de Awir (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 765, nr. 13.).

Gelet op het vorenstaande en nu de begrippen “peiljaar” en “rekenvermogen” niet de Awir zijn opgenomen, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden uitgegaan van genoemde begrippen zoals gedefinieerd in de Huursubsidiewet (oud).

3.6 Eiseres is geboren in 1971. Vaststaat dat aan haar over het subsidiejaar van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006 huursubsidie is verstrekt en dat zij het berekeningsjaar, 2006, recht had op alleenstaande ouderkorting.

De rechtbank constateert echter dat het vermogen van eiseres, blijkens haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen in het voor voormeld subsidiejaar geldende peiljaar, 2004, minder bedroeg dan € 19.252,-, zijnde de voor dat jaar geldende heffingvrij vermogen op grond van artikel 5.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 . Dit brengt mee dat eiseres in 2004 geen rekenvermogen had van meer dan € 20.300,-. Hierbij wordt overwogen dat, gelet op de definitie van vermogen in artikel 4, derde lid, van de Huursubsidiewet (oud), eiseres niet gevolgd kan worden in haar betoog dat daar vermogen in de vorm van de overwaarde van de woning bij betrokken dient te worden.

Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiseres niet voldoet aan alle voorwaarden om op grond van het overgangsrecht in aanmerking te komen voor huurtoeslag, zodat het primaire betoog van eiseres faalt.

3.7 Uit het vorenstaande volgt evenzeer dat het geval eiseres geen situatie betreft die naar de bedoeling van de wetgever onder hoofdstuk 2, artikel I, elfde lid, van de Aanpassingswet Awir valt. De situatie van eiseres is niet zozeer ontstaan door de met de inwerkingtreding van de Awir gewijzigde vermogenstoets, maar komt voort uit gewijzigde persoonlijke omstandigheden, te weten haar echtscheiding en de omstandigheid dat eiseres in 2005 de helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning kreeg toebedeeld.

3.8 Het dwingendrechtelijke karakter van hoofdstuk 2, artikel I, elfde lid, van de Aanpassingswet Awir brengt mee dat er geen ruimte bestaat voor de door eiseres bepleite belangenafweging en evenmin grond bestaat voor de door haar voorgestane peiljaarverlegging.

Eiseres kan derhalve door de rechtbank niet gevolgd worden in haar subsidiaire standpunt.

Conclusie

3.9 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen en betogen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb .

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C Schuurman-Kleijberg, rechter, in tegenwoordigheid van J.M.A. Koster, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 9 maart 2010.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb , binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 9 maart 2010.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature