< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag om een woonvoorziening in de vorm van een vloeraanpassing van de doucheruimte, omdat betrokkene bij het betrekken van de woning in 2005 had kunnen voorzien dat de opstap in de badkamer problemen zou gaan opleveren. Procesbelang erfgenamen. Algemeen gebruikelijkheid. Het College is er niet in geslaagd aan te tonen dat de Stichting, die de serviceflat exploiteert, krachtens wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen gehouden is om de in geding zijnde badkamervloer te egaliseren door het wegnemen van drempels. Dit betekent, dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de daartoe strekkende aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager. Vernietiging bestreden besluit en aangevallen uitspraak. De Raad voorziet zelf en wijst de aangevraagde voorziening toe tot een bedrag van € 998,-- te vermeerderen met BTW.

Uitspraak



08/1537 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 januari 2008, 07/2013 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft [v. M.], wonende te [plaatsnaam], hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene is hangende het hoger beroep overleden. Appellanten hebben het geding voortgezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2009. Voor appellanten is mr. Maakal verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Olthof, werkzaam bij de gemeente Heerenveen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkene, geboren op [datum] 1924, woonde met haar echtgenoot vanaf 1 november 2005 in een gelijkvloers appartement in de serviceflat Oranjewoud te Heerenveen. In verband met beperkingen in onder meer haar mobiliteit heeft betrokkene op 11 oktober 2006 bij het College op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een aanvraag om een woonvoorziening in de vorm van een vloeraanpassing van de doucheruimte ingediend.

1.3. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg desgevraagd op 16 november 2006 onderzoek verricht waarover aan het College advies is uitgebracht. Blijkens de onderzoeksbevindingen was betrokkene bekend met onder meer evenwichtsstoornissen en was zij anderhalve maand tevoren gevallen. Geconstateerd is dat in de doucheruimte een hoge opstap van 18 cm aanwezig was en dat de vloer van het douchegedeelte 7 cm hoger lag dan de rest van de badkamer. Betrokkene was niet in staat om veilig de hoge opstap te nemen.

1.4. Het College heeft de aanvraag bij besluit van 7 december 2006 afgewezen op de grond dat betrokkene bij het betrekken van de woning in 2005 had kunnen voorzien dat de opstap in de badkamer problemen zou gaan opleveren.

1.5. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 december 2006.

2.1. Het College heeft betrokkene bij brief van 11 juli 2007 kennis gegeven van zijn besluit om het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2006 ongegrond te verklaren. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat algemeen gebruikelijk mag worden geacht dat de bewoners van een serviceflat in de woonruimte beschikken over de nodige voorzieningen die in hun omstandigheden gebruikelijk zijn, zoals de afwezigheid van drempels. Indien een serviceflat niet (meer) voldoet aan de woonbehoeften van de oudere bewoners, is niet het College, maar de woningeigenaar gehouden deze voorzieningen aan te bieden. Het College heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat betrokkene er zelf voor had gekozen om te verhuizen naar een niet adequate woning. De gevolgen van die keuze kunnen niet op het College worden afgewenteld.

2.2. Namens betrokkene heeft [v. M.], directeur van de [naam Stichting], beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juli 2007.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juli 2007 ongegrond verklaard. Zij heeft onder meer geoordeeld dat de aangevraagde woonvoorziening moet worden beschouwd als algemeen gebruikelijk voor de persoon van de aanvrager. Daarbij is in aanmerking genomen dat blijkens het verhandelde op de zitting een drempel als hier in geding in een nieuwe serviceflat niet meer aangebracht zou worden en dat het voor de hand ligt dat in het kader van (groot) onderhoud, gelet op de gebruikelijke uitrustingsniveaus van serviceflats, de nog in de woning aanwezige drempels worden verwijderd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene met haar verhuizing naar een serviceflat gekozen heeft voor een woonvorm die de aanwezigheid van adequate voorzieningen bij afnemende mobiliteit impliceert. Ten slotte heeft de rechtbank het standpunt van het College dat betrokkene is verhuisd naar een voor haar voorzienbaar inadequate woning verworpen, omdat dit niet uit de medische advisering blijkt.

3.1. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten stellen zich op het standpunt dat het egaliseren van de badkamervloer geen algemeen gebruikelijke voorziening is voor een persoon als betrokkene. Zij menen voldoende procesbelang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling, nu de aangevraagde voorziening feitelijk is aangebracht op basis van voorfinanciering door de woningeigenaar.

3.2. Het College heeft in hoger beroep aangevoerd dat het procesbelang is komen te vervallen, nu betrokkene en haar echtgenoot inmiddels zijn overleden. Het College persisteert bij zijn standpunt dat het egaliseren van de badkamervloer in de wooneenheden van een serviceflat een algemeen gebruikelijke voorziening is waarvoor geen zorgplicht bestaat ingevolge de Wvg. Voorts bestaat daarvoor geen zorgplicht, nu betrokkene er zelf voor gekozen heeft om te verhuizen naar een inadequate woning.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verwerpt het standpunt van het College dat appellanten geen procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het tussen partijen bestaande geschil. Hij heeft daartoe vastgesteld dat, om betrokkene niet de dupe te laten worden van wat feitelijk een geschil is over de bekostiging van de gevraagde voorziening tussen het College en de Stichting, de Stichting de gevraagde voorziening, ten bedrage van € 998,-- exclusief BTW, heeft voorgefinancierd.

4.2.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van woonvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg daartoe bij verordening regels vaststelt.

4.2.2. In de gemeente Heerenveen is aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg bedoelde regelingsopdracht voldaan door vaststelling van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Heerenveen (hierna: Verordening).

4.2.3. Artikel 1.2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat geen voorziening wordt toegekend indien deze voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is.

4.2.4. Artikel 2.4 van de Verordening bepaalt (voor zover van belang):

“De bepalingen van hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing op het treffen van voorzieningen aan (…) specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.”

4.2.5. De Raad ontleent aan de toelichting bij artikel 2.4 van de Verordening dat bij woongebouwen die specifiek op gehandicapten en ouderen gericht zijn, zeker voor gemeenschappelijke ruimten, mag worden verwacht dat rekening is gehouden met de specifieke kenmerken van de doelgroep waarvoor zij bestemd zijn. Dit betekent volgens die toelichting dat voorzieningen in die algemene ruimten niet ten laste van de Wvg kunnen worden gebracht. Specifieke voorzieningen in het eigen woongedeelte kunnen volgens die toelichting wel voor vergoeding in aanmerking komen, tenzij het gaat om voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten bij nieuwbouw aangebracht kunnen worden en wanneer het gaat om een gebouw dat is gerealiseerd vanaf de negentiger jaren.

4.2.6. Hoofdstuk 2 van de Verordening betreft de bepalingen voor woonvoorzieningen. Ingevolge artikel 2.1 van de Verordening kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van (onder andere) een woningaanpassing.

4.3. De Raad stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat het in geding zijnde appartementengebouw Oranjewoud in 1967 in opdracht van de gemeente Heerenveen is gebouwd, dat de eigendom thans berust bij de Stichting en dat de Stichting het als serviceflat exploiteert. Het gebouw wordt in hoofdzaak bewoond door ouderen, maar er geldt geen leeftijdsgrens. Evenmin wordt een specifieke indicatie verlangd. De Raad moet het er onder deze omstandigheden voor houden dat appartementengebouw Oranjewoud geen gebouw is als bedoeld in artikel 2.4 van de Verordening, zodat dit artikel, zijnde een verbijzondering van de algemene gebruikelijkheidsnorm van artikel 1.2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening, in dit geval niet van toepassing is.

4.4. Met betrekking tot de vraag of de aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening overweegt de Raad het volgende. Voor de uitleg van het begrip “algemeen gebruikelijk” bij de beoordeling van aanvragen om een woonvoorziening verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 20 december 2006, LJN AZ5998 en 3 juni 2009, LJN BI9087. De Raad heeft daarin overwogen dat indien op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld, dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners, zoals ouderen, ter zake van een voorziening onmiskenbaar niet voldoet aan de voor een dergelijke woning op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen geldende vereisten en bovendien wordt aangetoond dat de aangevraagde voorziening bij het wel voldoen aan die vereisten niet nodig zou zijn, die voorziening in beginsel moet worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk in de zin van een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 2 van de Wvg. De Raad ziet geen reden om daarover anders te oordelen wanneer het gaat om woningen die niet specifiek bestemd zijn voor een specifieke groep bewoners, zoals ouderen, maar die in de praktijk wel in hoofdzaak door ouderen of gehandicapten worden bewoond.

4.5. De Raad stelt blijkens het verhandelde ter zitting vast dat het College er niet in is geslaagd aan te tonen dat de Stichting krachtens wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen gehouden is om de in geding zijnde badkamervloer te egaliseren door het wegnemen van drempels. Dit betekent, dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de daartoe strekkende aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager.

4.6. De Raad is verder van oordeel dat het standpunt van het College dat betrokkene naar een inadequate woning is verhuisd in hoger beroep niet meer ter beoordeling kan staan. De rechtbank heeft dat standpunt in de aangevallen uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen en het College heeft daar geen hoger beroep tegen ingesteld.

4.7. Uit hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het beroep gegrond dient te worden verklaard, dat de beslissing op bezwaar van 11 juli 2007 dient te worden vernietigd wegens strijd met de wet en dat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, omdat het beroep tegen dat besluit daarin ongegrond is verklaard. De Raad acht termen aanwezig om zelf in de zaak te voorzien als bedoeld in 8:74, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en te bepalen dat de aangevraagde voorziening wordt toegewezen tot een bedrag van € 998,-- te vermeerderen met BTW.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van de erven. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 11 juli 2007;

Wijst de aangevraagde woonvoorziening toe en bepaalt dat het College aan de erven

€ 998,-- dient te betalen, te vermeerderen met BTW;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van de erven tot een bedrag van in totaal € 644,--;

Bepaalt dat het College aan de erven het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

mm


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature