< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft zeer onvoorzichtig gehandeld door met zijn vrachtwagen met oplegger een bocht naar rechts te maken, waardoor een ernstig verkeersongeval heeft plaatsgevonden tengevolge waarvan de twaalfjarige [X] is komen te overlijden. Verdachte heeft aan het verkeer deelgenomen met een vrachtwagen met niet goed afgestelde rechter buitenspiegels, die bovendien vervuild waren. Hij heeft het slachtoffer niet gezien terwijl de bocht genomen werd en heeft het slachtoffer met zijn vrachtwagen in de bocht ‘ingesloten’. Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze gedragingen van verdachte schuld op in de zin van artikel 6 WVW 1994 . [..] Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel verdachte met dit zeer onvoorzichtig handelen niet welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen. De schuld van verdachte bestaat dan ook niet in roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, tweede lid, WVW 1994 .

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/611322-09

Datum uitspraak: 26 februari 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 12 februari 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.C. Banning en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Arnhem, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2009 te Zoetermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtwagen met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de Eerste Stationsstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte, heeft aldaar

- gereden terwijl door de (rechter) spiegels van voornoemd motorrijtuig niet de vereiste wettelijke zichtvelden op grondniveau werden weergegeven, immers door een gordijn (welke in de cabine voor het (rechter)portierraam van voornoemd motorrijtuig aanwezig was) en/of de (foutief) afgestelde (rechter)spiegels werd het niet waarneembare gedeelte op grondniveau rechts naast het motorrijtuig (in plaats van de wettelijke 25 centimeter) vergroot tot 384 centimeter, althans tot meer dan de wettelijke 25 centimeter (waardoor verkeer dat zich rechts naast en/of rechts achter het motorrijtuig bevond niet, althans niet optimaal waarneembaar was), en/of

- gereden terwijl het zicht in de (rechter) spiegels werd belemmerd doordat deze (in ernstige mate) waren vervuild, en/of

- onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie ter plaatse, immers heeft hij, verdachte, een fietser die zich op de Eerste Stationsstraat naast, althans rechts achter hem, verdachte, bevond, niet (tijdig) gezien, en/of

- (vervolgens) bij het naar rechts afslaan teneinde de Karel Doormanlaan op te rijden, voornoemde fietser niet voor laten gaan en/of geen voorrang verleend, en/of

- bij het naar rechts afslaan de bak van de oplegger in de bocht steeds meer richting voornoemde fietser gedraaid waardoor deze fietser werd ingesloten en ten val is gekomen en waardoor deze fietser (vervolgens) door hem, verdachte, is overreden, en/of

waardoor deze fietser, genaamd [X] werd gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 januari 2009 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig (vrachtauto met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de Eerste Stationsstraat, als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte, heeft aldaar

- gereden terwijl door de (rechter) spiegels van voornoemd motorrijtuig niet de vereiste wettelijke zichtvelden op grondniveau werden weergegeven, immers door een gordijn (welke in de cabine voor het (rechter)portierraam van voornoemd motorrijtuig aanwezig was) en/of door de (foutief) afgestelde (rechter)spiegels werd het niet waarneembare gedeelte op grondniveau rechts naast het motorrijtuig (in plaats van de wettelijke 25 centimeter) vergroot tot 384 centimeter, althans tot meer dan de wettelijke 25 centimeter (waardoor verkeer dat zich rechts naast en/of rechts achter het motorrijtuig bevond niet, althans niet optimaal waarneembaar was), en/of

- gereden terwijl het zicht in de (rechter) spiegels werd belemmerd doordat deze (in ernstige mate) waren vervuild, en/of

- onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie ter plaatse, immers heeft hij, verdachte, een fietser die zich op de Eerste Stationsstraat naast, althans rechts achter hem, verdachte, bevond, niet (tijdig) gezien, en/of

- (vervolgens) bij het naar rechts afslaan teneinde de Karel Doormanlaan op te rijden, voornoemde fietser niet voor laten gaan en/of geen voorrang verleend, en/of

- bij het naar rechts afslaan de bak van de oplegger in de bocht steeds meer richting voornoemde fietser gedraaid waardoor deze fietser werd ingesloten en ten val is gekomen en waardoor deze fietser (vervolgens) door hem, verdachte, is overreden, en/of waardoor voornoemde fietser, genaamd [X], werd gedood, en/of

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastlegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich zodanig zou hebben gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander werd gedood (primair) of verdachte zou zich zodanig hebben gedragen dat er gevaar op de weg wordt veroorzaakt (subsidiair).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan. Verdachte heeft - zakelijk weergegeven - roekeloos gereden, waardoor sprake is van grove schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994), aldus het openbaar ministerie.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde nu verdachte het slachtoffer ook niet had kunnen zien indien de spiegels van de vrachtwagencombinatie wel goed afgesteld waren en niet uit het proces-verbaal is gebleken dat verdachte de verkeersdeelnemers wegens vervuiling van de buitenspiegels niet kon zien. Zo blijkt, volgens de raadsman, uit de reconstructie onder meer dat de testpersoon wel zichtbaar was in de vervuilde rechterbuitenspiegels. Tevens heeft de raadsman geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde, nu het gedrag van verdachte niet als gevaarzettend kan worden beschouwd.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af .1

Op 20 januari 2009 omstreeks 16.45 uur reed verdachte met zijn vrachtwagen met oplegger op de Eerste Stationsstraat te Zoetermeer. Hij reed richting de kruising van de genoemde straat met de Oranjelaan en de Karel Doormanlaan.2 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de hoogte was van de verkeerssituatie bij dit kruispunt. De verkeerslichten sprongen op rood, waarop verdachte is gestopt. Toen het verkeerslicht op groen sprong, is verdachte opgetrokken en rechts afgeslagen. Hierbij zou verdachte volgens zijn verklaring in de vier rechter buitenspiegels van de vrachtwagen hebben gekeken, waarbij hij geen fietser waarnam. Nadat verdachte de bocht had genomen en de oplegger bijna achter de vrachtwagen zat, keek verdachte weer in de rechter buitenspiegels om de bocht na te controleren. Op dat moment zag verdachte ter hoogte van de laatste achteras een fiets omhoog springen, waarop verdachte zijn vrachtwagen direct tot stilstand heeft gebracht. Verdachte is uitgestapt en zag een jongen achter zijn oplegger liggen, half op het fietspad en half op de stoep.3

Het slachtoffer is om 17.13 uur in het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam overleden ten gevolge van het letsel dat hij had opgelopen bij het verkeersongeval.4

Getuige [getuige 1] stond met zijn personenauto achter de vrachtwagen van verdachte op de Eerste Stationsstraat. Hij zag dat er twee fietsers aan de rechterzijde van de vrachtwagen langs kwamen fietsen. Op het moment dat de vrachtwagen bezig was met rechtsaf slaan, zag [getuige 1] dat één van de twee fietsers zich aan de rechterkant van de vrachtwagen bevond. Die fietser sloeg ook rechtsaf en zat 1,5 meter bij de oplegger vandaan. De bak van de oplegger draaide naar rechts waardoor de fietser steeds meer werd ingesloten. Op een gegeven moment pakte de bak van de oplegger de bagagedrager van de fiets waardoor de fietser ten val kwam. [getuige 1] zag vervolgens dat de vrachtwagen met zijn achterste drie wielen over de benen van de jongen heen reed.5

Ook Getuige [getuige 2] heeft het ongeval gezien. Hij reed met zijn motor vanaf de Karel Doormanlaan in de richting van de Willem de Zwijgerlaan te Zoetermeer. Hij zag de vrachtwagen van verdachte rechtsaf slaan de Karel Doormanlaan in. [Getuige 2] zag een jongen op een fiets welke aan de rechterkant van de vrachtwagen door de bocht ging. De jongen werd richting de stoep geduwd door de vrachtwagen. [getuige 2] zag dat de jongen van zijn fiets stapte. Vervolgens blokkeerde de vrachtwagen het zicht van [getuige 2] op de jongen. Daarna zag hij de jongen op de grond liggen.6

Uit de door de politie uitgevoerde Verkeersongevalsanalyse is gebleken dat de verplichte rechter buitenspiegels niet het vereiste wettelijke zichtveld op grondniveau weergaven. Het niet waarneembare gedeelte op grondniveau rechts naast de vrachtwagen was in plaats van de wettelijke 25 centimeter vergroot tot ongeveer 384 centimeter. Dat betekent dat de rechter buitenspiegels niet volgens het Voertuigenreglement 1994 waren afgesteld.

Voorts is uit de Verkeersongevalanalyse gebleken dat de spiegelglazen van de rechter buitenspiegels ernstig vervuild waren, waardoor het zicht in deze spiegels aanzienlijk was afgenomen.7

Op 25 januari 2009 hebben verbalisanten op de plaats van het ongeval een reconstructie uitgevoerd.8 Daaruit is - voor zover hier van belang - naar voren gekomen dat verdachte tijdens het maken van de bocht in de richting van de Karel Doormanlaan het slachtoffer

- niet kon waarnemen met de spiegelafstelling zoals aangetroffen;

- mogelijk niet waargenomen heeft met de spiegelafstelling volgens de wettelijke norm, met vervuiling op de rechter buitenspiegelglazen;

- kon waarnemen met de spiegelafstelling volgens de wettelijke norm en met schoongemaakte rechter buitenspiegelglazen.9

Voor het vaststellen van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994 zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. De rechtbank overweegt in dat kader het volgende.

Uit het voorgaande blijkt - samengevat - dat verdachte aan het verkeer heeft deelgenomen met een vrachtwagen met niet goed afgestelde rechter buitenspiegels, die bovendien vervuild waren. Hij heeft het slachtoffer niet gezien terwijl de bocht genomen werd en heeft het slachtoffer met zijn vrachtwagen in de bocht ‘ingesloten’.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze gedragingen van verdachte schuld op in de zin van artikel 6 WVW 1994 . Verdachte heeft hiermee zeer onvoorzichtig gehandeld. De rechtbank neemt daarbij naast de hiervoor omschreven feitelijk gang van zaken mede in aanmerking dat op verdachte als beroepschauffeur, die een zeer zwaar voertuig bestuurde, een extra zware verantwoordelijkheid rustte om met goed afgestelde en schone spiegels aan het verkeer deel te nemen en daarbij nog meer dan gewone verkeersdeelnemers alert te zijn in het verkeer. Dat geldt eens temeer binnen de bebouwde kom, waar het - naar algemene ervaringsregels leren - in veel gevallen lastig manoeuvreren is met vrachtwagens. Verdachte kende bovendien de situatie ter plaatste.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel verdachte met dit zeer onvoorzichtig handelen niet welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen. De schuld van verdachte bestaat dan ook niet in roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, tweede lid, WVW 1994 .

De door de verdediging slechts vragenderwijs opgeworpen punten – waaraan de verdediging ook geen conclusies heeft verbonden - leiden niet tot een ander oordeel en behoeven geen (verdere) bespreking.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 20 januari 2009 te Zoetermeer als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een vrachtwagen met oplegger, daarmede rijdende over de weg, de Eerste Stationsstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig als volgt te handelen:

hij, verdachte, heeft aldaar

- gereden terwijl door de rechterspiegels van voornoemd motorrijtuig niet de vereiste wettelijke zichtvelden op grondniveau werden weergegeven, immers door de foutief afgestelde rechterspiegels werd het niet waarneembare gedeelte op grondniveau rechts naast het motorrijtuig in plaats van de wettelijke 25 centimeter vergroot tot 384 centimeter, waardoor verkeer dat zich rechts naast en/of rechts achter het motorrijtuig bevond niet, althans niet optimaal waarneembaar was, en/of

- gereden terwijl het zicht in de rechter spiegels werd belemmerd doordat deze in ernstige mate waren vervuild, en

- onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie ter plaatse, immers heeft hij, verdachte, een fietser die zich op de Eerste Stationsstraat naast, althans rechts achter hem, verdachte, bevond, niet gezien, en

- bij het naar rechts afslaan de bak van de oplegger in de bocht steeds meer richting voornoemde fietser gedraaid waardoor deze fietser werd ingesloten en ten val is gekomen en waardoor deze fietser vervolgens door hem, verdachte, is overreden, en

waardoor deze fietser, genaamd [X], werd gedood.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde. Susbidiair heeft de raadsman verzocht, indien de rechtbank een rijontzegging zal opleggen, om deze rijontzegging te laten gelden voor uitsluitend vrachtwagens omdat verdachte afhankelijk is van personenautovervoer om bij zijn huidige werk te komen. Ten slotte merkt de raadsman op dat verdachte geen strafblad heeft.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straffen en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zeer onvoorzichtig gehandeld door met zijn vrachtwagen met oplegger een bocht naar rechts te maken, waardoor een ernstig verkeersongeval heeft plaatsgevonden tengevolge waarvan de twaalfjarige [X] is komen te overlijden. Dit buitengewoon trieste ongeval en de plotselinge dood van het jeugdige slachtoffer hebben - zo is tevens gebleken uit de verklaring ter terechtzitting van de moeder van het slachtoffer - diepe sporen nagelaten in het leven van de nabestaanden. Een straf in welke vorm dan ook kan niet opwegen tegen het geleden verlies.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De reden daarvoor is gelegen in de beslissing van de rechtbank dat er geen sprake is van roekeloosheid, dat met een hogere straf wordt bedreigd dan het wel door de rechtbank bewezenverklaarde zeer onvoorzichtig handelen. Dit neemt niet weg dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. De rechtbank zal er verder rekening mee houden dat ook verdachte door het gebeuren is aangeslagen, met zijn jonge leeftijd en met het feit dat hij blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 16 september 2009 niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank een werkstraf van de maximale duur passend en geboden. Voorts zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden dat hij zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten

De rechtbank acht, gezien de aard en de ernst van het feit, als bijkomende straf een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. De rechtbank houdt ook hier rekening met het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank beoogt hiermee verdachte ervan te doordringen voortaan in het verkeer de grootst mogelijke voorzichtigheid te betrachten.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 ;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

bepaalt, dat die straf, groot 2 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte tenslotte tot:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 18 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. A.H.Th. de Boer, voorzitter,

L. Alwin en J. Lely, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Heidinga, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2010.

Mr. J. Lely is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Waar in dit vonnis wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het ambtsedig, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakte proces-verbaal van politie Haaglanden met nummer PL1551/2009/1234-46/ (ongenummerd).

2 Proces-verbaal van verhoor betrokkene d.d. 20 januari 2009 (PL/1551/2009/1234-3); proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2009 (PL1551/2009/1234-33).

3 Proces-verbaal van verhoor betrokkene d.d. 20 januari 2009 (PL/1551/2009/1234-3).

4 Proces-verbaal d.d. 10 juli 2009 (PL1551/2009/1234-47); ander geschrift: Het verslag betreffende een niet natuurlijke dood.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 20 januari 2009 (PL1551/2009/1234-1).

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 20 januari 2009 (PL1551/2009/1234-4).

7 Proces-verbaal Verkeersongevalsananlyse d.d. 24 april 2009, p. 6 van 13 (PL1551/2009/1234).

8 Proces-verbaal van Reconstructie d.d. 24 april 2009, p. 1-10 (PL1551/2009/1234).

9 Proces-verbaal Reconstructie d.d. 24 april 2009, p. 7 van 10 (PL1551/2009/1234).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature