< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Beëindiging recht op ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek. Ook de psychische klachten van appellant leveren geen beperkingen op voor het eigen werk, nu in dit werk geen aperte psychische belasting aan de orde is. De enkele verwijzing naar afspraken met diverse artsen en specialisten ter onderbouwing van het standpunt dat appellant meer beperkt moet worden geacht dan door het Uwv is aangenomen, acht de Raad onvoldoende.

Uitspraak



08/7157 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 oktober 2008, 08/2385 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 februari 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Bissessur. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als lader en losser van containers toen hij zich voor dit werk per 14 maart 2007 ziek heeft gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Tijdens het laatste spreekuur van 22 november 2007 heeft de arts W. van Santen appellant per 26 november 2007 hersteld verklaard voor zijn werk als lader en losser van containers. Bij besluit van 22 november 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 26 november 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen het besluit van 22 november 2007 gerichte bezwaar van appellant is, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts P. Momberg, bij besluit van 4 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant – onder verwijzing naar de gronden in beroep – aangevoerd dat hij niet geschikt is voor zijn werk als lader losser van containers nu uit diverse medische rapporten blijkt dat hij hevige pijnklachten en psychische beperkingen heeft en tevens allergisch is voor stof, rook, gassen en dampen. Ter onderbouwing heeft appellant naast medische informatie die al in beroep is overgelegd, een reeks afsprakenkaarten – ziende op afspraken bij diverse artsen en specialisten – overgelegd met betrekking tot de periode juli 2007 tot en met februari 2010.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaarverzekerings)arts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de arts Van Santen appellant lichamelijke en psychisch heeft onderzocht, waarbij zij op de hoogte was van de sinds 1993 bestaande longklachten en de operatie aan de rechterhand op 25 september 2007. Uit de medische kaart, gezien in het licht van de door appellant ingevulde praktische werkomschrijving van 18 november 2007, blijkt dat deze arts een voldoende duidelijk beeld had van de aard en de zwaarte van de functie van lader en losser van containers. Er moesten veel dozen worden getild met een gewicht van circa 25 kilogram, echter gezien de omvang van het product werd dit samen met een collega gedaan. Van Santen heeft geconcludeerd dat, nu er geen sprake is van een dusdanig krachtverlies, appellant geacht moet worden zijn laatst verrichte werk te kunnen verrichten. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Momberg appellant op het spreekuur van 1 februari 2008 ook lichamelijk en psychisch onderzocht, waarbij zij de aanwezige informatie van de behandelend psychiater, longarts, anesthesioloog en huisarts heeft meegewogen. Op grond van deze informatie – waaruit onder meer blijkt dat sprake is van een status na pleuritis tubercolosa rechts waarvoor medicamenteuze optimalisatie – en haar eigen onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er bij appellant in het licht van de aard en de zwaarte van zijn eigen werk geen objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld. Er is geen sprake van een verminderde beweeglijkheid of verminderde spierkracht waardoor hij zijn taken in het eigen werk niet zou kunnen verrichten. Ook de psychische klachten van appellant leveren geen beperkingen op voor het eigen werk, nu in dit werk geen aperte psychische belasting aan de orde is, aldus Momberg. De in hoger beroep overgelegde medische informatie kan niet tot een ander oordeel leiden nu deze – gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Momberg van 3 maart 2008 – geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. Daarbij tekent de Raad aan dat de informatie die ziet op de periode juni 2003 tot en met februari 2005, zoals het Uwv terecht heeft betoogd, geen directe betrekking heeft op de hier in geding zijnde datum, te weten 26 november 2007. De enkele verwijzing naar afspraken met diverse artsen en specialisten ter onderbouwing van het standpunt dat appellant meer beperkt moet worden geacht dan door het Uwv is aangenomen, acht de Raad in het licht van het bovenstaande onvoldoende.

4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 26 november 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

CVG


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature