< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zutphen (hierna: het college) aan stichting Stichting Zorg- wooncentrum Den Bouw (hierna: Den Bouw) vrijstelling verleend voor het vernieuwen en uitbreiden van het woonzorgcentrum op het perceel Abersonplein 9 te Warnsveld (hierna: het perceel) en herinrichting van de omgeving daarvan.

Uitspraak



201000374/2/H1.

Datum uitspraak: 12 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) respectievelijk om de opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van die wet ) hangende de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting Het Oude Dorp, gevestigd te Warnsveld,

2. de stichting Stichting Zorg- wooncentrum Den Bouw, gevestigd te Warnsveld,

3. het college van burgemeester en wethouders van Zutphen,

4. [verzoeker sub 4A], [verzoeker sub 4B] en [verzoeker sub 4C], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 december 2009 in zaken nrs. 08/1053, 08/1054 en 08/1192 in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 4A],

2. [verzoeker sub 4B] en [verzoeker sub 4C],

3. de stichting Stichting Het Oude Dorp,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zutphen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zutphen (hierna: het college) aan stichting Stichting Zorg- wooncentrum Den Bouw (hierna: Den Bouw) vrijstelling verleend voor het vernieuwen en uitbreiden van het woonzorgcentrum op het perceel Abersonplein 9 te Warnsveld (hierna: het perceel) en herinrichting van de omgeving daarvan.

Bij besluit van 12 november 2007 heeft het college aan Den Bouw bouwvergunning verleend voor het bouwen van een zorg-wooncentrum en appartementen op het perceel.

Bij onderscheiden besluiten van 6 juni 2008 heeft het college de door de stichting Stichting Het Oude Dorp (hierna: Het Oude Dorp), [verzoeker sub 4A], [verzoeker sub 4B] en [verzoeker sub 4C] (hierna: [verzoekers sub 4]) daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en ten behoeve van het project ontheffing verleend.

Bij uitspraak van 23 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) de door Het Oude Dorp en [verzoekers sub 4] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 6 juni 2008 vernietigd en het college opgedragen nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij uitspraak van 23 december 2009 in zaak nr. 09/1855 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de voorzieningenrechter) de bij besluit van 12 november 2007 verleende bouwvergunning geschorst, voor zover die betrekking heeft op gebouw B.

Tegen de uitspraak van de rechtbank hebben Het Oude Dorp bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2010, Den Bouw bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2010, het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2010, en [verzoekers sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 13 januari 2010, hebben [verzoekers sub 4] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het verzoek ter behandeling doorgezonden naar de Raad van State. Bij dezelfde brief als waarmee hoger beroep is ingesteld heeft Het Oude Dorp de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2010, heeft Den Bouw de voorzitter verzocht de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening op te heffen. Bij dezelfde brief als waarmee hoger beroep is ingesteld heeft het college de voorzitter verzocht de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 4 februari 2010, waar Het Oude Dorp, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de stichting, [verzoekers sub 4], vertegenwoordigd door mr. D. Pool, het college, vertegenwoordigd door E.P. Langenbach en P.A.J. van Dijk, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en Den Bouw, vertegenwoordigd door mr. H.P.J.G. Berkers en A.H.J.M. Hartman en M.R.R. Joppe, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bouwplan, dat bestaat uit een viertal gebouwen, aangeduid met de letters A, B, C en D, is in strijd met de bestemmingsplannen "Den Bouw 1988" en "Warnsveld 1978". Om realisering ervan toch mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend. Voorts heeft het krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, van de Bouwverordening Zutphen ontheffing verleend van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel.

2.3. De verzoeken van het college en Den Bouw strekken ertoe om hangende het hoger beroep bij de Afdeling de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening op te heffen, bij welke voorziening de bij besluit van 12 november 2007 verleende bouwvergunning, voor zover die betrekking heeft op gebouw B, is geschorst.

De verzoeken van Het Oude Dorp en [verzoekers sub 4] strekken tot schorsing van de bij besluit van 12 november 2007 verleende bouwvergunning, voor zover die betrekking heeft op de gebouwen A, C en D.

2.4. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid vrijstelling en ontheffing heeft kunnen verlenen, maar heeft de besluiten op bezwaar vernietigd, omdat het college naar het oordeel van de rechtbank het welstandsadvies van het Gelders Genootschap van 13 augustus 2007 niet, althans niet zonder meer, aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen en het college zijn standpunt dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd.

2.5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 29 april 2009 in zaak nr. 200805218/1) dient de welstandscommissie zich te richten naar de ten tijde van het uitbrengen van het welstandsadvies geldende planologische bouwmogelijkheden, hetgeen betekent dat zij bij haar beoordeling zowel de op dat moment geldende bestemmingsplannen als eventueel verleende vrijstellingen moet respecteren. Voor deze zaak brengt dit naar het oordeel van de voorzitter met zich dat, nu de vrijstelling op 12 juni 2007 is verleend en het advies van het Gelders Genootschap dateert van 13 augustus 2007, de beoordeling of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand dient te geschieden met inachtneming van de bouwmogelijkheden die de bestemmingsplannen "Den Bouw 1988" en "Warnsveld 1978" en de verleende vrijstelling bieden. Daarbij is van wezenlijke betekenis dat de geldende bestemmingsplannen dit bouwplan met deze schaal en omvang vrijwel geheel mogelijk maken, zodat geen grond aanwezig is voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de vrijstelling in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling niet mocht worden verleend. Dat de maatvoering van de gebouwen A, B, C en D rechtens geoorloofd is, moet derhalve naar het oordeel van de voorzitter als een gegeven worden beschouwd bij de toetsing van het bouwplan aan de Welstandsnota gemeente Warnsveld van april 2004. Tegen die achtergrond bestaat voorshands geen aanleiding voor de conclusie dat uiteindelijk zal blijken dat geen bouwvergunning voor het bouwplan, al dan niet enigszins aangepast, in verband met de te stellen welstandseisen kan worden verleend. Dit leidt de voorzitter tot het oordeel dat aan de belangen van Den Bouw om, hangende het hoger beroep, de bouwactiviteiten voort te kunnen zetten, zodat de bouw van nieuwe woonruimte voor haar cliënten geen verdere vertraging oploopt, meer gewicht dient te worden toegekend dan aan de belangen van Het Oude Dorp en [verzoekers sub 4] bij het stilleggen van die activiteiten. Gelet hierop, ziet de voorzitter aanleiding de verzoeken van het college en Den Bouw op na te melden wijze toe te wijzen en die van Het Oude Dorp en [verzoekers sub 4] af te wijzen. Daarbij geldt dat voor zover bouwactiviteiten worden verricht voordat de verleende vrijstelling, ontheffing en bouwvergunning in rechte onaantastbaar zijn, dat voor eigen risico geschiedt.

2.6. De voorzitter merkt op dat het voorgaande er niet aan afdoet dat het college gehouden is met inachtneming van de aangevallen uitspraak binnen de daarvoor geldende termijn nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren te nemen, in welk kader een nader advies van het Gelders Genootschap kan worden gevraagd. Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht , kunnen die besluiten bij de beoordeling van de hoger beroepen worden betrokken.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. Redelijke toepassing van artikel 41, vierde en vijfde lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan Den Bouw en het college wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. heft de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening, inhoudende schorsing van de bij het besluit van 12 november 2007 verleende bouwvergunning, voor zover die betrekking heeft op gebouw B, op;

II. wijst de verzoeken van de stichting Stichting Het Oude Dorp en [verzoekers sub 4] af;

III. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan de stichting Stichting Zorg- wooncentrum Den Bouw het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) terugbetaalt;

bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan het college van burgemeester en wethouders van Zutphen het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2010

457.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature