Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Artikel 3, derde lid, van de Militaire Ambtenarenwet (MAW) 1931 bepaalt in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb , dat de beslistermijn zes maanden bedraagt, indien een of meer belanghebbenden, getuigen of deskundigen zich om redenen van dienst buiten Nederland bevinden. Uit het schrijven aan de rechtbank van de gemachtigde van eiser de dato 21 juli 2009 blijkt dat eiser sinds oktober 2008 niet meer woonachtig is in het buitenland. Dit maakt dat de bijzondere beslistermijn van artikel 3, derde lid, van de MAW , geen toepassing vindt.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/2227 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiser], woonplaats kiezende te Utrecht, eiser,

gemachtigde mr. [A],

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Op 27 maart 2009 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld, gericht tegen het door verweerder niet (tijdig) nemen van een besluit naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank de dato 7 januari 2009, AWB 07/9568 MAWKLU.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Namens eiser is hierop bij brief van 21 juli 2009 gereageerd.

II OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:54 van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

Na te hebben kennis genomen van de stukken, acht de rechtbank in dit geval termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:54 van de Awb uitspraak te doen.

In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is geregeld dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk wordt gesteld.

Artikel 3, derde lid, van de Militaire Ambtenarenwet (MAW) 1931 bepaalt in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb , dat de beslistermijn zes maanden bedraagt, indien een of meer belanghebbenden, getuigen of deskundigen zich om redenen van dienst buiten Nederland bevinden.

Uit het schrijven aan de rechtbank van de gemachtigde van eiser de dato 21 juli 2009 blijkt dat eiser sinds oktober 2008 niet meer woonachtig is in het buitenland. Dit maakt dat de bijzondere beslistermijn van artikel 3, derde lid, van de MAW , geen toepassing vindt. De termijn waarbinnen verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar had moeten nemen wordt derhalve bepaald door artikel 7:10 van de Awb , en bedraagt zes weken.

Gezien de verzenddatum van de rechtbankuitspraak op 7 januari 2009, is de uiterste beslisdatum gelegen op 18 februari 2009. Verweerder heeft op 16 maart 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Eiser heeft daarom geen belang meer bij zijn beroep en dient niet ontvankelijk verklaard te worden.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. Het hoger beroep is weliswaar eerst ingesteld op 26 maart 2009, dus nadat de nieuwe beslissing op bezwaar is genomen, maar de beslissing op bezwaar is eerst op 11 juni 2009 aan de gemachtigde van eiser bekend gemaakt. Dit brengt mee dat het beroep niet ten onrechte is ingesteld.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 80,50 (1 punt voor het beroepschrift; waarde per punt € 322,-- en wegingsfactor 0,25).

De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiser het betaalde griffierecht ad € 150,-- dient te vergoeden.

III BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 150,--, vergoedt.

Veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 80,50 welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. E. Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op

20 augustus 2009, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Badermann.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature