Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 29 november 2005 heeft het College een nieuw besluit op bezwaar genomen. Intrekking en de terugvordering bijstand is beperkt gebleven tot de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 mei 2002. Gezamenlijke huishouding wegens het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning en de registratie op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Raad: Uit hetgeen (...) is overwogen volgt dat het College op goede gronden heeft aangenomen dat appellant gedurende de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 mei 2002 met betrokkene een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

Uitspraak



08/1976 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2008, 06/5314 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Goettsch, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2009. Voor appellant is verschenen mr. Goettsch. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden in de eerste plaats naar zijn uitspraak van 29 november 2005, 04/912 en 04/913 LJN AU7657. Hij voegt daaraan het volgende toe.

1.1. In de onder 1 genoemde uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het College in zijn besluit van 28 juni 2002 tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 30 november 2001 tot en met 2 mei 2002, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 7 januari 2003, ten onrechte heeft aangenomen dat appellant tijdens die periode met zijn ex-echtgenote mevrouw [A.B.] (hierna: [A.B.]) op haar adres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Daartoe heeft de Raad overwogen dat nu het huwelijk langer dan twee jaar geleden door echtscheiding was ontbonden, geen sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) en dat de voorhanden stukken onvoldoende aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat naast het gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van [A.B.] ook sprake is van wederzijdse zorg. De Raad heeft het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.2. Vervolgens heeft het College nader onderzoek verricht. In dat kader heeft mr. Goettsch in de loop van het jaar 2006 enkele malen schriftelijke inlichtingen over de woonomstandigheden en de financiële omstandigheden van appellant en [A.B.] aan de Gemeentelijke Sociale Dienst verstrekt. Daaruit is onder meer gebleken dat appellant en [A.B.] door de belastingdienst over het jaar 2002 als fiscale partners zijn aangemerkt. Uit dien hoofde heeft appellant over dat jaar in het kader van de heffing van inkomstenbelasting de heffingskorting voor de minst verdienende partner ontvangen.

1.3. Bij besluit van 30 augustus 2006 is aan appellant naar aanleiding van een nieuwe aanvraag bijstand toegekend met ingang van 27 juli 2006.

1.4. Bij besluit van 26 september 2006 heeft het College, ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 29 november 2005, een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is, voor zover in dit geding van belang, het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de intrekking en de terugvordering beperkt blijven tot de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 mei 2002. Aan de intrekking heeft het College ten grondslag gelegd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding wegens het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning en de registratie op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 september 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de inhoud van de voor dit geding van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft daarbij terecht geoordeeld dat in dit geval met toepassing van de Abw diende te worden beslist.

4.2. Niet in geschil is dat appellant en [A.B.] gedurende de hier van belang zijnde periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Verder staat tussen partijen vast appellant en [A.B.] over het jaar 2002 door de belastingdienst voor de heffing van inkomstenbelasting zijn aangemerkt als partners. Dat betekent dat sprake is van een registratie als gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 , Stb. 1997, 790 (hierna: Besluit). Een en ander brengt met zich dat op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de Abw een gezamenlijke huishouding van appellant met [A.B.] aanwezig wordt geacht.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat het in de zojuist genoemde bepaling van de Abw neergelegde rechtsvermoeden hier niet opgaat, omdat in dit geval in materieel opzicht helemaal geen sprake was van partnerschap en de destijds gemaakte fiscale keuze bovendien berust op een onjuist advies van de boekhouder van [A.B.]. Deze beroepsgrond van appellant treft geen doel. Het gaat hier om een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Het standpunt van het College dat sprake is van een registratie in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kan alleen met vrucht worden bestreden door het leveren van bewijs, bijvoorbeeld door middel van overlegging van een document afkomstig van de belastingdienst (zoals een gecorrigeerde aanslag over het jaar 2002), waaruit moet worden afgeleid dat niet langer sprake is van een fiscaal partnerschap - en daardoor ook niet langer van een registratie in de hiervoor bedoelde zin - over dat jaar. Ter zitting van de Raad heeft mr. Goettsch evenwel meegedeeld dat het fiscaal partnerschap van appellant en [A.B.] over het jaar 2002 niet meer ongedaan kan worden gemaakt.

4.4. Appellant heeft verder aangevoerd dat, zo al sprake zou zijn van een gezamenlijke huishouding van appellant met [A.B.], dan moet worden aangenomen dat in de hier van belang zijnde periode sprake was van een meerpersoonshuishouden aangezien in de woning van [A.B.] destijds tevens een vriendin van haar woonachtig was. De Raad heeft al eerder uitgesproken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2008, LJN BF 4588) dat zich de situatie kan voordoen waarin twee personen, getoetst aan de criteria van artikel 3, tweede lid, van de Abw , een gezamenlijke huishouding voeren, ook als nog een andere persoon in dezelfde woning hoofdverblijf heeft. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg die niet aanwezig is ten opzichte van die andere persoon. Ter zitting van de Raad is gebleken dat tussen appellant en [A.B.] enerzijds en tussen appellant en de vriendin van [A.B.] anderzijds een geheel andere verhouding bestond, waarbij van enige gemeenschappelijkheid in de laatstbedoelde relatie geen sprake was. Appellant heeft over de inwoning van de hiervoor bedoelde vriendin en de verbondenheid van die vriendin met [A.B.] te weinig feitelijke, verifieerbare gegevens ter onderbouwing van haar standpunt verstrekt. In dat verband is in ieder geval niet gesteld of gebleken dat [A.B.] met haar vriendin, anders dan met appellant, een fiscaal partnerschap had. De Raad komt tot de conclusie dat de aanwezigheid van een vriendin van [A.B.] in de betreffende woning niet in de weg staat aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding van appellant met [A.B.].

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het College op goede gronden heeft aangenomen dat appellant gedurende de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 mei 2002 met [A.B.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Appellant was derhalve over die periode geen zelfstandig subject van bijstand en had geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Uit het besluit van 26 september 2006 blijkt dat het College appellant niet verwijt dat hij het fiscaal partnerschap niet heeft gemeld. Appellant heeft terecht opgemerkt dat de rechtbank dit ten onrechte wel heeft aangenomen. Dat neemt niet weg dat het College op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw gehouden was tot intrekking van de bijstand over de in geding zijnde periode.

De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd geen dringende redenen in de zin van artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan het College bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de door appellant genoemde redenen niet zozeer zien op de gevolgen van de intrekking voor appellant zelf, maar vooral op het hiervoor besproken fiscaal partnerschap en op de gevolgen die de intrekking van de bijstand van appellant voor [A.B.] heeft gehad en nog heeft.

4.6. Het College was vervolgens tevens ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw gehouden om tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van

bijstand over te gaan. Evenals de rechtbank is de Raad niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw , zodat het College niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.7. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en C. van Viegen en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) B.E. Giesen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature