< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 6 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 16 januari 2009 ter inzage gelegd.

Uitspraak



200901071/1/M2.

Datum uitspraak: 2 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Bont voor Dieren, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 16 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Bont voor Dieren (hierna: Bont voor Dieren) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2009, waar Bont voor Dieren, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door E.P.G.M. Peeters-Claassen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen.

2. Overwegingen

Geur

2.1. Ter zitting heeft Bont voor dieren de beroepsgrond, inhoudende dat het college ten onrechte de afstandseis van 200 meter - die ingevolge de tabel van bijlage 2 bij de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: de Regeling geurhinder) ten aanzien van een woning aan de [locatie 2], [gemeente], geldt - met 25 meter heeft verminderd, ingetrokken.

2.2. Bont voor Dieren betoogt voorts dat het college het aspect geurhinder wat betreft een woning aan de [locatie 3], [gemeente], ten onrechte heeft beoordeeld op de voet van artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder). Hierdoor is het college volgens haar ten onrechte ervan uitgegaan dat de in voormelde bepaling gestelde afstandseis van 50 meter van toepassing is. Hiertoe voert zij aan dat deze bepaling geen toepassing vindt met betrekking tot de inrichting omdat daarin pelsdieren worden gehouden en daarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Volgens Bont voor Dieren had het college ingevolge artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet geurhinder, in samenhang gelezen, toepassing moeten geven aan het bepaalde in bijlage 2 bij de Regeling geurhinder wat betreft het vaststellen van de aan te houden afstand met betrekking tot de woning aan de [locatie 3].

2.2.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning aan de [locatie 3] op een afstand van 170 meter tot de inrichting is gelegen zodat aan de voor deze woning volgens het college geldende afstandseis van 50 meter wordt voldaan. Wat betreft deze afstandseis heeft het college zich gebaseerd op de ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder geldende minimale afstandseis van 50 meter met betrekking tot bedrijven waar dieren worden gehouden, als bedoeld in deze bepaling.

2.2.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, bedraagt in afwijking van het eerste lid de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object:

a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de afstand of de geuremissiefactor voor pelsdieren in afwijking van het eerste lid vastgesteld bij ministeriële regeling.

In artikel 3 van de Regeling geurhinder is bepaald dat de afstand, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet is opgenomen in bijlage 2.

2.2.3. Nertsen zijn pelsdieren die onder de in artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder genoemde dieren van een diercategorie vallen waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld. Dit is niet anders wanneer sprake is van een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij.

2.2.4. Ingevolge bijlage 2 bij de Regeling geurhinder, zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit, moet buiten de bebouwde kom bij het aangevraagde en vergunde veebestand van 7600 nertsen een minimale afstand van 200 meter worden aangehouden. Vast staat dat een emissiearm huisvestingssysteem is aangevraagd, zodat de afstand die op grond van de Regeling geurhinder met betrekking tot de woning aan de [locatie 3] moet worden aangehouden 175 meter bedraagt.

2.2.5. Het college is gezien bijlage 2 bij de Regeling geurhinder, zoals deze ten tijde van het bestreden besluit gold, ten onrechte met betrekking tot de woning aan de [locatie 3] niet uitgegaan van een vereiste afstand van 175 meter.

2.2.6. De beroepsgrond slaagt.

2.3. Nu het aspect geurhinder bepalend is voor het antwoord op de vraag of de vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.4. Op 16 april 2009 is de Regeling tot wijziging van de Regeling geurhinder in werking getreden (Stcrt. 2009, 70). Vanwege het ontbreken van overgangsrecht is, voor zover hier van belang, de aldus gewijzigde Regeling geurhinder van toepassing op elk besluit dat na deze datum wordt genomen.

Ingevolge bijlage 2 bij de Regeling geurhinder (nieuw), onder 4, sub b, voor zover hier van belang, bedraagt de afstand tot een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.

2.5. Niet in geschil is dat de woning aan de [locatie 3] een geurgevoelig object is dat deel uitmaakt van een andere veehouderij en dat deze woning buiten de bebouwde kom is gelegen op een afstand van 170 meter tot de inrichting. Nu de ingevolge bijlage 2 bij de Regeling geurhinder (nieuw), onder 4, sub b, met betrekking tot deze woning geldende afstandseis van ten minste 50 meter niet wordt overschreden is in de Wet geurhinder in samenhang gelezen met de Regeling geurhinder (nieuw) geen grond gelegen voor weigering van de vergunning wegens het niet voldoen aan de thans op grond daarvan geldende afstandseis ten aanzien van de woning aan de [locatie 3].

2.6. Gezien het vorenstaande is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, tenzij er overigens een grond voor vernietiging van het bestreden besluit aanwezig is en de Afdeling van oordeel is dat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

Luchtkwaliteit

2.7. Bont voor dieren heeft de beroepsgrond dat het college bij de beoordeling van de emissie van fijn stof, zijnde zwevende deeltjes, (hierna: PM10) in strijd met de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (Richtlijn 1999/30/EG) een aftrek voor zeezout heeft toegepast, ter zitting ingetrokken.

2.8. Bont voor dieren betoogt dat het college wat betreft het aspect PM10 ten onrechte een beoordeling heeft verricht binnen het toetsingskader van het Besluit luchtkwaliteit 2005. In plaats daarvan had het college volgens haar een beoordeling moeten verrichten binnen het toetsingskader van titel 5.2 van de Wet milieubeheer.

2.9. Het college heeft in het bestreden besluit beoordeeld of wat betreft de emissie van PM10 vanuit de inrichting de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 voor PM10 gestelde grenswaarden worden overschreden. Het college heeft geconcludeerd dat dit niet het geval is.

2.9.1. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden (Stb. 2007, 414). Bij deze wet is het Besluit luchtkwaliteit 2005 ingetrokken en is titel 5.2 van de Wet milieubeheer over luchtkwaliteitseisen in werking getreden. Uit het overgangsrecht van de Wet van 11 oktober 2007 volgt dat deze wet van toepassing is op het bestreden besluit omdat dit is genomen na de inwerkingtreding van deze wet.

Aangezien in het bestreden besluit het Besluit luchtkwaliteit 2005 als toetsingskader is gehanteerd, is het besluit in strijd met titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond slaagt.

2.10. De Afdeling ziet aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand kunnen worden gelaten.

2.10.1. De Afdeling stelt vast dat de in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer voor PM10 gestelde grenswaarden gelijk zijn aan de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 voor PM10 gestelde grenswaarden. De Afdeling ziet daarin aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, omdat inhoudelijk het in dit verband door het college in het kader van het Besluit luchtkwaliteit 2005 gehanteerde toetsingskader niet verschilt van het bedoelde toetsingskader op grond van de Wet milieubeheer.

2.11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis van 6 januari 2009;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis tot vergoeding van bij de stichting Stichting Bont voor Dieren in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis aan de stichting Stichting Bont voor Dieren het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hulst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009

402.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature