< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 6 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de strijdigheid op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) op te heffen door het volledig verwijderen van de overblijfselen van een noodwoning en een deels aangebrachte begane grondvloer.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



200904210/1/H1.

Datum uitspraak: 2 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Veere,

2. [appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Veere,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 7 mei 2009 in zaak nr. 08 598 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de strijdigheid op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) op te heffen door het volledig verwijderen van de overblijfselen van een noodwoning en een deels aangebrachte begane grondvloer.

Bij besluit van 2 juni 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 2 juni 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2009, en [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2009, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 6 juli 2009.

Het college en [appellant] hebben elk een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Spierdijk, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.M.E. Schieman, advocaat te Middelburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet aan de noodwoning op het perceel bouwwerkzaamheden zijn verricht, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2. Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Aagtekerke", voor zover thans van belang, mag gebruik van gebouwen, bestaand dan wel in uitvoering ten tijde van de vaststelling van dit plan en in strijd met dit plan, worden voortgezet.

Ingevolge het derde lid mogen gebouwen, die ten tijde van de vaststelling van dit plan bestaan en die in strijd zijn met dit plan, in geval van teniet gaan tengevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd, mits de afwijkingen ten aanzien van dit plan niet worden vergroot en de aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend binnen twee jaren na de dag waarop de calamiteit eindigde.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, mogen gebouwen, welke in strijd zijn met dit plan, gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd, mits de afwijkingen ten aanzien van dit plan naar aard en afmetingen niet zullen worden vergroot.

2.3. Vaststaat dat de noodwoning, die in het bestemmingsplan niet als zodanig is bestemd, onder het overgangsrecht van dat plan valt. Volgens [appellant] is ten gevolge van een storm in de nacht van 9 november 2007 de houten achterwand van de woning vernield. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat ten tijde van de bezichtiging door de rechtbank drie muren van de oorspronkelijke noodwoning onbeschadigd overeind stonden en het oorspronkelijke dak nog ter plaatse was. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het overgangsrecht de in geding zijnde bouwwerkzaamheden aan de noodwoning mogelijk maakt.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen of de storm van 9 november 2007 was aan te merken als een calamiteit. Voorts betoogt het college dat de rechtbank heeft miskend dat geen sprake is van gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van de bestaande noodwoning, als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften, aangezien de herstelwerkzaamheden aan de noodwoning leiden tot het ontstaan van een nieuwe woning. Ten slotte voert het college aan dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruiksovergangsrecht niet van toepassing is.

[appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit artikel 20, derde lid, van de planvoorschriften volgt dat de noodwoning, ook als deze niet geheel teniet is gegaan niettemin geheel mag worden vernieuwd.

2.4.1. Uit artikel 20, derde lid, van de planvoorschriften volgt dat algehele vernieuwing van een bouwwerk dat onder het overgangsrecht valt alleen is toegestaan in geval van een geheel tenietgaan daarvan ten gevolge van een calamiteit. Artikel 20, vierde lid, maakt slechts een gedeeltelijke vernieuwing en verandering van een bouwwerk mogelijk. Gelet op de tekst van de overgangsbepalingen is, anders dan [appellant] betoogt, bij een gedeeltelijk tenietgaan niet het derde, maar het vierde lid van toepassing. Nu vaststaat dat de noodwoning in de nacht van 9 november 2007 niet geheel teniet is gegaan vindt het derde lid reeds daarom geen toepassing. Gelet hierop behoefde de rechtbank niet uitdrukkelijk vast te stellen of de gestelde storm als calamiteit diende te worden aangemerkt.

Gelet hierop faalt het betoog van [appellant] en faalt het betoog van het college in zoverre.

2.4.2. Voor wat betreft de toepassing van artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften heeft de rechtbank overwogen dat binnen de grenzen van die bepaling herstel van de noodwoning in de oude toestand mogelijk moet worden geacht. Ten aanzien van de staat van de noodwoning blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de oorspronkelijke achtergevel en de oorspronkelijke begane grondvloer geheel zijn verwijderd, dat reeds gedeeltelijk een nieuwe vloer is gestort met een grotere omvang, dat de oorspronkelijke interne wanden zijn verwijderd en dat het in slechte staat verkerende dak slechts op zijn plaats blijft door middel van stempels. Gelet op de omvang en ingrijpendheid van de noodzakelijk te verrichten werkzaamheden om de woning in de oude toestand te herstellen, betreft het geen gedeeltelijke vernieuwing en verandering in de zin van artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften. Het college heeft terecht gesteld dat het resultaat van de werkzaamheden een nieuwe woning zou zijn. Dat bij de werkzaamheden aan de achtergevel de oorspronkelijke planken daarvan kunnen worden hergebruikt, maakt dit niet anders.

Voor de beantwoording van de vraag of voor het bouwen al dan niet vergunning kan worden verleend, zijn wat betreft het mogelijk van toepassing zijn van het overgangsrecht voorts uitsluitend de bepalingen die betrekking hebben op het bouwovergangsrecht van belang. Nu vaststaat dat de gegeven last uitsluitend betrekking heeft op illegaal bouwen en niet op strijdig gebruik, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het gebruiksovergangsrecht in dit geval niet van toepassing is.

Gelet op het vorenstaande is geen sprake van concreet zicht op legalisering en heeft het college [appellant] mogen gelasten de overblijfselen van de noodwoning en de deels aangebrachte begane grondvloer geheel te verwijderen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog van het college slaagt in zoverre.

2.5. Het hoger beroep van het college is gegrond. Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant] ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Veere gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 7 mei 2009 in zaak nr. 08 598;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009

392.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



∧ naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature