< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verzoeken tot verbetering van de geboorteakte. Betreft verzoek geslachtsnaamwijziging in verband met verschillende uitgangen van de twee dochters van partijen, die zowel de Nederlandse als de Poolse nationaliteit hebben, terwijl de ouders willen dat dochters allebei de geslachtsnaam met de vrouwelijke uitgang dragen. Verzoek van de ouders wordt toegewezen en van de OvJ wordt afgewezen. Rechtbank beslist zelf op verzoek omdat het verzoek al - mede naar aanleiding van het verzoek van de OvJ - aan de civiele rechter is voorgelegd en de ouders anders een onnodig en nogmaals kosten met zich meebrengende procedure moeten volgen.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

CIVIELE SECTOR

BESCHIKKING

Verzoek ex artikel 1: 24 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek

Beschikking in de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam,

verzoekende partij,

hierna te noemen: de officier van justitie,

tegen

1. [Voornaam] [Geslachtsnaam, verder aan te duiden als ‘de geslachtsnaam’, eindigend op a]-[Tweede Geslachtsnaam],

wonende te Amstelveen,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen: de moeder,

en

2. [Voornaam] [De geslachtsnaam eindigend op i],

wonende te Amstelveen,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen: de vader,

advocaat mr. M.L. Hamburger te Amstelveen.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1. de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amstelveen,

zetelende te Amstelveen,

hierna te noemen: de ambtenaar.

Procesverloop

Bij beschikking van deze rechtbank van 1 april 2009 heeft de rechtbank mr. M.L. Hamburger in de gelegenheid gesteld te reageren op de door de officier van justitie op 3 maart 2009 ingediende stukken. Bij beschikking van 6 mei 2009 heeft de rechtbank bepaald dat de vader en de moeder de geboorteakte van hun dochter [X] aan de rechtbank dienden te over te leggen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de op 13 mei 2009 ter griffie binnengekomen brief met bijlage van mr. Hamburger.

De rechtbank overweegt als volgt:

1.1. De rechtbank neemt over hetgeen zij heeft overwogen in haar beschikkingen van 1 april en 6 mei 2009.

De feiten

2.1. Aan de hand van de stukken is het volgende vast komen te staan:

[In] 2003 zijn de vader en de moeder te Amstelveen met elkaar gehuwd.

[In] 2004 is te Amstelveen geboren [Z] [de geslachtsnaam eindigend op a] (hierna mede: Z), dochter van partijen, van welke geboorte [in] 2004 is opgemaakt een geboorteakte die onder nummer [reeks 1] is ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente Amstelveen over het jaar 2004.

2.2. [In] 2007 is te Amsterdam geboren [X] [geslachtsnaam eindigend op i] (hierna mede: X), dochter van partijen, van welke geboorte [in] 2007 is opgemaakt een geboorteakte die onder nummer [reeks 2] is ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente Amsterdam over het jaar 2007.

2.3. [Z] en [X] hebben vanaf hun geboorte de Nederlandse en de Poolse nationaliteit.

Het verzoek

3. De officier van justitie verzoekt verbetering van de akte welke onder nummer [reeks 1] is ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente, aldus verstaat de rechtbank, Amstelveen over het jaar 2004, zijnde de geboorteakte van [Z], geboren [in] 2004 te Amstelveen, in die zin dat de geslachtsnaam van het kind wordt verbeterd van [de geslachtsnaam eindigend op a] in [de geslachtsnaam eindigend op i].

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

4.1. De vader en de moeder stellen dat het verzoek van de officier van justitie afgewezen dient te worden.

4.2. Bij wege van zelfstandig verzoek verzoeken de vader en de moeder verbetering van de geboorteakte van [X], geboren te Amsterdam [in] 2007, in die zin dat de geslachtsnaam van het kind wordt verbeterd van [geslachtsnaam eindigend op i] in [geslachtsnaam eindigend op a].

De officier van justitie

5.1. Ter onderbouwing van het verzoek voert de officier van justitie het volgende aan. [Z] bezit zowel de Poolse als de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 2 van de Wet conflictenrecht namen (hierna: WCN) is op kinderen met de Nederlandse nationaliteit Nederlands namenrecht van toepassing. De ambtenaar van de burgerlijke stand te Amstelveen heeft echter bij het opmaken van de geboorteakte Pools namenrecht in plaats van Nederlands namenrecht toegepast, waardoor de geslachtsnaam van [Z] de vrouwelijke uitgang ‘a’ heeft gekregen.

5.2. Artikel 1:5 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft aan dat de geslachtsnaamskeuze van de ouders in de geboorteakte dient te worden opgenomen. In het onderhavige geval staat een dergelijke keuze niet vermeld in de geboorteakte van het kind. Wanneer er geen geslachtsnaamkeuze is gedaan, dient de ambtenaar van de burgerlijke stand ingevolge artikel 1:5 lid 5 BW de geslachtsnaam van de vader in de geboorteakte op te nemen.

5.3. De officier van justitie heeft er voorts op gewezen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding betreffende de naam naar vreemd recht achter de geboorteakte kan hechten ingeval een kind tevens een andere nationaliteit bezit. Bij een dergelijke latere vermelding wordt de naam van het kind naar Nederlands recht niet gewijzigd.

De ambtenaar van de burgerlijke stand

6. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 2 WCN Nederlands namenrecht toegepast dient te worden ingeval een persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. De ouders kunnen niet bij de ambtenaar van de burgerlijke stand kiezen voor de toepassing van het recht van het land waarvan het kind tevens de nationaliteit bezit. Voor de ouders bestaat wel de mogelijkheid om bij de minister van Justitie een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam in te dienen. Volgens de ambtenaar van de burgerlijke stand blijkt niet uit de geboorteakte dat de vader en de moeder hebben gekozen voor de naam van de moeder. Ingevolge artikel 1:5 lid 4 BW moet een dergelijke keuze namelijk in de akte worden vermeld, hetgeen in het onderhavige geval niet zo is.

De vader en de moeder

7.1. De vader en de moeder (hierna mede: de ouders) hebben hun verweer en het door hen ingediende zelfstandig verzoek als volgt onderbouwd. Zij stellen dat er in de geboorteakte van [Z] geen sprake is van een onvolledigheid of misslag als bedoeld in artikel 1:24 BW, noch dat artikel 2 WCN van toepassing is.

7.2. De ouders verweren zich tegen de stelling van de officier van justitie en de ambtenaar van de burgerlijke stand dat bij de aangifte van [Z] niet uitdrukkelijk is gekozen voor de geslachtsnaam eindigend op de uitgang ‘a’. Zij stellen dat zij hebben aangegeven dat [Z] dezelfde geslachtsnaam als haar moeder zou dragen. Zij hebben zich bij het doen van de aangifte moeten legitimeren.

7.3. De ouders betogen dat uit zowel nationale als internationale jurisprudentie en regelgeving voortvloeit dat op de in artikel 2 WCN neergelegde hoofdregel uitzonderingen mogelijk zijn. Hierbij wordt verwezen naar twee uitspraken van de Rechtbank Haarlem van 22 juli 2008 (LJN BG0882) en van 5 augustus 2008 (LJN BF1973). In deze uitspraken wordt verwezen naar de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 2 oktober 2003 (C-148/02) waarin het Europese Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de artikelen 12 en 17 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-verdrag) zo moeten worden uitgelegd dat de overheid van een lidstaat niet mag weigeren een gunstig gevolg te geven aan een

verzoek tot naamsverandering met betrekking tot minderjarige kinderen die in een bepaalde staat verblijven en een dubbele nationaliteit, die van die staat en van een tweede lidstaat,

bezitten wanneer dat verzoek tot doel heeft dat deze kinderen de naam kunnen dragen die zij zouden dragen op grond van het recht en de gebruiken van de tweede lidstaat. De ouders stellen zich op het standpunt dat artikel 2 WCN wegens strijd met de artikelen 12 en 17 van het EG-verdrag en de daaruit voor de burgers van de Europese Unie voortvloeiende rechten buiten beschouwing gelaten dient te worden.

7.4. Daarnaast stellen de ouders dat het voeren van een geslachtsnaam wordt gezien als een middel van persoonlijke identificatie, welk recht door artikel 8 van het EVRM wordt gewaarborgd. Dit is met name bepaald in een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 22 februari 1994 (NJ 1996, 12). Voorts zijn staten die partij zijn bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het Kind op grond van artikel 3 lid 1 in verbinding met artikel 7 lid 1 alsmede artikel 8 lid 1 van dit verdrag gehouden tot eerbiediging van het recht van het kind om zijn of haar identiteit te houden, met inbegrip van nationaliteit, naam en familiebetrekking, zoals wettelijk erkend, zonder onrechtmatige inmenging. De ouders menen dat er geen rekening wordt gehouden met de Poolse identiteit van het gezin wanneer de geslachtsnaam van hun kinderen volgens Nederlands recht wordt bepaald. De ouders achten dit in strijd met artikel 8 van het Verdrag inzake de rechten van het Kind . Zij verwijzen hieromtrent naar een uitspraak van het Gerechtshof ‘s- Hertogenbosch van 27 januari 2004 (LJN AO2510).

7.5. De ouders hebben aangegeven voornemens te zijn om in de toekomst terug te keren naar Polen. Zij wensen dat hun dochters zowel over een Pools als een Nederlands paspoort beschikken. Voor de Poolse staat dienen zij een geslachtsnaam te dragen die in overeenstemming is met de grammaticale regels aldaar. Indien de dochters de naam [geslachtsnaam eindigend op i] dragen, bestaat er strijd met de in Polen bestaande grammaticale regels. De ouders hebben bemerkt dat [X] vanwege de mannelijke geslachtsnaam die zij draagt niet opgenomen kan worden in het geboorteregister van Polen en dat zij niet in aanmerking komt voor een onvoorwaardelijk definitief Pools paspoort. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat hun dochters problemen zullen ondervinden indien zij een geslachtsnaam met een mannelijke uitgang dragen. Dienaangaande hebben de ouders een verklaring van de directeur van een Poolse scholengemeenschap overgelegd waaruit volgt dat kinderen in dat geval gepest zullen worden.

7.6. De ouders stellen dat, wanneer de achternaam van [Z] eerst wordt gewijzigd zoals door de officier van justitie is verzocht en zij vervolgens op grond van artikel 3a van het Besluit geslachtsnaamswijziging bij de minister van Justitie een verzoek tot wijziging van de achternaam van [Z] in moeten dienen, zij een onnodig omslachtige en kostbare procedure dienen te voeren. Volgens de ouders draagt [Z] immers nu reeds de door hen gewenste achternaam met als uitgang ‘a’. De ouders verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 5 augustus 2008 (LJN BF1973) en de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 januari 2004 (LJN AO2510).

7.7. Voorts verzoeken zij de rechtbank om de achternaam van [X] op grond van artikel 1:24 BW in verbinding met artikel 3a van het besluit Geslachtsnaamswijziging te wijzigen. De hierboven beschreven procedure waarbij de minister van Justitie wordt verzocht de achternaam van [X] te wijzigen achten de ouders onnodig omslachtig en kostbaar.

7.8. Ter zitting hebben de ouders verklaard dat zij het niet wenselijk achten dat hun dochters in Polen een achternaam naar Pools recht dragen en in Nederland een achternaam naar Nederlands recht en dat zij aldus twee verschillende achternamen hebben. Dit kan in de toekomst tot praktische problemen leiden. Bovendien is het gebruikelijk dat iedereen één achternaam heeft.

Beoordeling

8.1. Artikel 2 WCN bepaalt dat de geslachtsnaam en de voornaam van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit, ongeacht de vraag of hij nog een andere nationaliteit heeft, bepaald worden door het Nederlandse interne recht. Dit geldt ook indien vreemd recht van toepassing is op de familierechtelijke betrekkingen waarvan het ontstaan of het tenietgaan gevolg kan hebben voor de geslachtsnaam.

8.2. Indien de ouders van een bipatride kind hechten aan de geslachtsnaam naar het recht van de andere dan de Nederlandse nationaliteit (hierna: de tweede nationaliteit) staan voor hen de volgende mogelijkheden open.

Artikel 3 WCN

Op grond van artikel 3 WCN kunnen personen die de nationaliteit van meer dan één Staat bezitten, de ambtenaar van de burgerlijke stand verzoeken aan hun geboorteakte een latere vermelding toe te voegen van de naam die zij voeren in overeenstemming met het recht van een van die Staten, dat niet is toegepast ingevolge artikel 1, tweede lid, of artikel 2 van de ze wet. Het kind heeft dan twee verschillende achternamen en ter bevestiging daarvan kan een verklaring van verscheidenheid van familienamen worden afgegeven.

Artikel 3a Besluit geslachtsnaamswijziging

Artikel 1:7 lid 1 BW bepaalt dat de geslachtsnaam van een persoon, op zijn verzoek of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning kan worden gewijzigd. Het vijfde lid bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht. Met ingang van 2009 geldt een tarief van € 487,50 (KB van 20 januari 2009, Stb. 2009, 24)

8.3. Bij KB van 25 mei 2004 (Stb 2004, 239) is naar aanleiding van het arrest van het Europese Hof van Justitie Garcia Avello tegen Belgie van 2 oktober 2003 (C-148/02) artikel 3a sub b ingevoegd in het Besluit geslachtsnaamwijziging. Op verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger wordt de geslachtsnaam van een minderjarig kind gewijzigd in de geslachtsnaam naar het recht van een staat waarvan het kind de nationaliteit bezit, indien het kind naast de Nederlandse nationaliteit een andere nationaliteit bezit, een en ander met inachtneming van de artikelen 12, eerste lid, en 17 van het EG-verdrag en, waar mogelijk, van de gelijkheid van geslachtsnaam van minderjarige kinderen van dezelfde ouders die tot hetzelfde gezin behoren.

8.4. Het betreft hier dus de wijziging van de geslachtsnaam die het kind naar Nederlands recht heeft, in de geslachtsnaam – zo de ouders dat wensen – naar het recht van de tweede nationaliteit, in dit geval het Poolse recht. Er is in dat geval geen sprake meer van verscheidenheid van geslachtsnamen. Zowel naar Nederlands recht als naar het recht van de tweede nationaliteit heeft het kind dan de naam volgens het recht van de tweede nationaliteit, de Poolse.

8.5. Zowel [Z] als [X] hebben sinds hun geboorte de Nederlandse alsmede de Poolse nationaliteit. De rechtbank is niet gebleken dat de ouders bij de aangifte van de geboorte hebben gekozen voor de achternaam van de moeder nu hiervan niet op de voet van artikel 1:5 lid 4 BW een akte van naamskeuze is opgesteld. In beginsel diende de ambtenaar van de burgerlijke stand, gezien het in artikel 2 WCN bepaalde, dan ook Nederlands recht toe te passen ten aanzien van de geslachtsnaam van [Z] en [X].

8.6. De rechtbank overweegt voorts als volgt. Het door de ouders aangehaalde arrest van het

Europese Hof van Justitie Garcia Avello tegen België betreft een prejudiciële beslissing over de uitleg van de artikelen 12 en 17 van het EG-verdrag. Aanleiding voor deze prejudici ële procedure was de weigering van de Belgische minister van Justitie om van twee polypatride kinderen (met de Belgische en Spaanse nationaliteit) de geslachtsnaam naar Belgisch recht te wijzigen in de geslachtsnaam naar Spaans recht. Daardoor behield ieder kind twee verschillende achternamen. De Belgische staat achtte de weigering gerechtvaardigd door het zwaarwegende algemene belang dat iedereen in een land op dezelfde wijze zijn familienaam verkrijgt. In deze zaak overweegt het Europese Hof van Justitie dat de artikelen 12 en 17 van het EG-verdrag zo moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de overheid van een lidstaat weigert een gunstig gevolg te geven aan een verzoek om naamsverandering met betrekking tot minderjarige kinderen die in een Staat verblijven en de nationaliteit van die lidstaat en een tweede lidstaat bezitten, wanneer dat verzoek tot doel heeft dat de kinderen de naam kunnen dragen die zij zouden dragen op grond van het recht en de gebruiken van de tweede lidstaat. Ten aanzien van een verscheidenheid van namen in verschillende lidstaten overweegt het Europese Hof van Justitie in deze uitspraak dat een dergelijke verscheidenheid van namen voor de betrokkenen ernstige ongemakken in hun beroeps- en privé-leven kan veroorzaken, met name doordat zij zich in een lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, moeilijk kunnen beroepen op akten of documenten die zijn opgesteld onder de naam die wordt erkend in een andere lidstaat waarvan zij eveneens de nationaliteit bezitten. De rechtbank verwijst in dit verband voorts naar het arrest van 14 oktober 2008 (Grunkin en Paul, zaaknummer C-353/06), waarin het Europese Hof van Justitie overweegt dat de betrokkene bij een verscheidenheid van familienamen het risico loopt twijfel aan zijn identiteit te moeten wegnemen en verdenkingen van een valse verklaring te moeten weerleggen, die worden ingegeven door het verschil tussen zijn twee familienamen. Voorts zal met betrekking tot verklaringen, certificaten en diploma’s en alle andere documenten die blijk geven van een recht, een verschil in familienaam twijfel doen ontstaan aan de echtheid van de overgelegde documenten of aan de waarheidsgetrouwheid van de daarin vermelde gegevens.

8.7. In navolging van het Europese Hof van Justitie is de rechtbank van oordeel dat verscheidenheid van namen voor [Z] en [X] ernstige ongemakken kan veroorzaken. De rechtbank acht om die reden artikel 3 WCN in strijd is met artikel 12 en 17 EG- verdrag.

8.8. Vorengenoemde uitspraak van het Europese Hof van Justitie heeft, zoals gezegd, geleid tot een wijziging van het Besluit geslachtsnaamswijziging in die zin dat de geslachtsnaam van een minderjarig kind op grond van artikel 3a lid 1 onder b kan worden gewijzigd – kort gezegd - in de geslachtsnaam naar het recht van een staat waarvan het kind de nationaliteit bezit, indien het kind naast de Nederlandse nationaliteit een andere nationaliteit bezit.

8.9. Met betrekking tot het verzoek van de Officier van Justitie tot wijziging van de geslachtsnaam van [Z] op grond van artikel 1:24 BW overweegt de rechtbank als volgt.

De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft erop gewezen dat de ouders na toewijzing van het verzoek van de officier van justitie een wijzigingsverzoek op grond van artikel 3a, lid 1, onder b van het Besluit geslachtsnaamswijziging bij de minister van Justitie kunnen indienen. De rechtbank is met de ouders van oordeel dat dit een onnodige en kostbare procedure is die om die reden in het onderhavige geval in strijd is met de artikelen 12 en 17 EG (vergelijk Rechtbank Haarlem 5 augustus 2008, LJN BF1973).

8.10. Met betrekking tot het verzoek van de ouders de geslachtsnaam van [X] te wijzigen - de rechtbank begrijpt op grond van artikel 1:7 BW - overweegt de rechtbank als volgt. In beginsel doet de mogelijkheid een verzoek tot geslachtsnaamwijziging in te dienen op grond van artikel 3, eerste lid, onder a van het Besluit geslachtsnaamwijziging recht aan de eisen van de artikelen 12 en 17 van het EG-verdrag. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het een eenvoudige procedure is die partijen zonder advocaat kunnen entameren. Echter, partijen hebben thans deze zaak al – mede naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie – aan de (civiele) rechter voorgelegd. In dat geval is de rechtbank van oordeel dat, indien het verzoek van de ouders wordt afgewezen tengevolge waarvan zij op grond van artikel 3a van het Besluit geslachtsnaamswijziging een verzoek bij de minister van Justitie in moeten dienen, de ouders een onnodige en nogmaals kosten met zich brengende procedure moeten volgen. Bij haar beslissing zelf te beslissen op het verzoek van de ouders neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 3a, eerste lid, onder b van het Besluit geslachtsnaamswijziging de minister geen beleidsvrijheid geeft. Het verzoek dient door de minister te worden ingewilligd indien aan de eisen is voldaan (vergelijk Rechtbank Haarlem 5 augustus 2008, LJN BF1973). Uiteindelijk zal dus de geslachtsnaam van [X] [de geslachtsnaam eindigend op a] zijn.

8.11. Gezien het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de officier van justitie, strekkende tot verbetering van de geboorteakte van [Z] afwijzen en het verzoek van de vader en de moeder tot wijziging van de geboorteakte van [X] toewijzen.

BESLISSING:

De rechtbank:

- wijst het verzoek van de officier van justitie af;

- gelast dat de in het register van geboorten van de gemeente Amsterdam over het jaar 2007 voorkomende akte nummer [reeks 2] betreffende

[X],

geboren te Amsterdam [in] 2007,

wordt verbeterd in die zin dat de geslachtsnaam wordt verbeterd in [de geslachtsnaam eindigend op a].

Deze beschikking is gegeven door mr. E.E.V. Lenos, voorzitter tevens kinderrechter, mr. M.A Vermeulen en mr. H.P.E. Has, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.E.P. Honing, griffier, op 23 september 2009..


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature