< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Berekening van opzegtermijn. Zoals de Raad heeft geoordeeld in de door partijen aangehaalde uitspraak van 27 april 2005, dient artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid bij de door de curator in acht te nemen opzegtermijn te worden betrokken. Ingevolge dat artikel moet worden bepaald welke opzegtermijn ten aanzien van betrokkene gold op 1 januari 1999 met toepassing van artikel 40, derde lid, van de Fw , zoals dat luidde tot 1 januari 1999. Zo deze termijn langer was dan zou volgen uit de toepassing van artikel 40, eerste lid, van de Fw , zoals dat artikellid luidde sedert 1 januari 1999, bleef deze langere (oude) opzegtermijn op grond van artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid op betrokkene van toepassing. Betrokkene werd [in] 1992 45 jaar en de dienstbetrekking heeft sedertdien tot 1 januari 1999 zes volle jaren geduurd.

De opzegtermijn volgens artikel 40, derde lid, van de Fw , zoals dat artikellid luidde tot 1 januari 1999, bedraagt derhalve 12 weken. Nu de opzegtermijn volgens artikel 40, eerste lid, van de Fw , sedert 1 januari 1999 is beperkt tot zes weken, is de eerstgenoemde opzegtermijn langer en blijft deze van toepassing. Het Uwv heeft derhalve de einddatum van de opzegtermijn correct vastgesteld op 9 april 2007.

Uitspraak



08/4627 WW

08/4628 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 juli 2008, 07/2557 en 07/6159 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 2 september 2009.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.F. Rozendaal-van de Ven, werkzaam voor De Unie, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2009. Namens appellant is mr. F.A. Put verschenen. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1947, was sedert 19 januari 1976 in dienst van (de rechtsvoorganger van) [naam werkgever]. Op 10 januari 2007 is de werkgever failliet verklaard. Bij brief van 15 januari 2007 heeft de curator in dat faillissement betrokkene ontslagen ‘met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn’.

1.2. Betrokkene heeft bij appellant een aanvraag gedaan om overneming van de betalingsverplichtingen van de werkgever in het kader van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 25 januari 2007 heeft appellant bij wijze van voorschot een uitkering in het kader van dat hoofdstuk (hierna ook: faillissements-uitkering) toegekend en heeft daarbij bepaald dat de opzegtermijn loopt tot 9 april 2007. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het thans bestreden besluit van 26 maart 2007 ongegrond is verklaard.

1.3. Bij besluit van 19 april 2007 heeft appellant een definitief standpunt ingenomen over de faillissementsuitkering. Appellant heeft vastgesteld dat betrokkene recht heeft op een uitkering van € 43.179,30. De periode waarop de uitkering betrekking heeft strekt zich volgens appellant uit tot en met 9 april 2007. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het thans bestreden besluit van 25 juli 2007 ongegrond is verklaard.

2. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen beide bestreden besluiten. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, die beroepen gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd. De rechtbank was van oordeel dat appellant op een onjuiste wijze toepassing had gegeven aan artikel XXI van de wet van 14 mei 1998,

Stb. 1998, 300 (hierna: Wet Flexibiliteit en zekerheid) en dat derhalve ook de berekening van de opzegtermijn onjuist was.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat op juiste wijze toepassing is gegeven aan het in artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid opgenomen overgangsrecht. De stellingen van appellant komen er op neer dat voor de bepaling van de juiste opzegtermijn in een geval als het onderhavige, bezien moet worden wat de opzegtermijn zou zijn geweest indien een opzegging door een curator op 1 januari 1999 overeen-komstig het tot die datum geldende artikel 40 van de Faillissementswet (Fw) zou hebben plaatsgevonden. Vervolgens moet dan worden bezien of die termijn langer is dan de termijn die geldt sedert de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 40 van de Fw , bij welke wijziging de opzegtermijn voor alle werknemers is gemaximeerd tot 6 weken. Aan de hand van dit criterium heeft appellant vervolgens gesteld dat de termijn van zes weken die was opgenomen in het oude artikel 40 Fw , ingevolge de verwijzing naar artikel 672, tweede lid, van Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek moest worden verlengd met zes weken, om welke reden de einddatum van de faillissementsuitkering, uitgaande van de aanzegging van het ontslag op 15 januari 2007, door appellant is gesteld op 9 april 2007.

3.2. Betrokkene heeft in verweer onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

27 april 2005, LJN AT5201, gesteld dat het in artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid neergelegde overgangsrecht meebrengt dat op de bepaling van de lengte van de opzegtermijn de voor betrokkene thans geldende Cao van toepassing is. Betrokkene was op 1 januari 1999 ouder dan 45 jaar. Uit de ten tijde in geding op hem van toepassing zijnde Cao volgt dan volgens hem dat voor hem een opzegtermijn van 18 maanden geldt.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Artikel 64, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW , voor zover hier van belang, luidt:

“Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk omvat (…) het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging, (…), met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden.”

4.2. Artikel 40, eerste lid, van de Fw luidt sedert de inwerkingtreding van de Wet Flexibiliteit en zekerheid per 1 januari 1999 als volgt:

“Werknemers in dienst van de gefailleerde kunnen de arbeidsovereenkomst opzeggen en hun kan wederkerig door de curator de arbeidsovereenkomst worden opgezegd, en wel met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande echter dat in elk geval de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met een termijn van zes weken.”

4.3. Artikel 40, derde lid, van de Fw , zoals dat gold tot 1 januari 1999, luidde als volgt:

“De curator kan de arbeidsovereenkomst in elk geval beëindigen door opzegging op een termijn van zes weken, welke termijn overeenkomstig artikel 672, tweede lid, van Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek wordt verlengd met betrekking tot werknemers die de leeftijd van 45 jaren, doch nog niet die van 65 jaren hebben bereikt.”

4.4. Artikel 672, leden één en twee, van boek 7, van het Burgerlijk Wetboek, luidden tot 1 januari 1999, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. (…) bedraagt de termijn van opzegging voor de werkgever ten minste zoveel weken als de arbeidsovereenkomst na de meerderjarigheid van de werknemer gehele jaren heeft geduurd (…), met dien verstande, dat uit dezen hoofde de opzegtermijn voor de werkgever ten hoogste 13 weken (…) zal bedragen.

2. De termijn van opzegging die krachtens lid 1 voor de werkgever geldt, wordt verlengd met een week voor elk vol jaar, gedurende hetwelk de werknemer na het bereiken van de leeftijd van 45 jaren bij hem in dienst is geweest; de duur van deze verlenging bedraagt evenwel ten hoogste 13 weken.”

4.5. Artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid luidt:

“Voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.”

4.6. Zoals de Raad heeft geoordeeld in de door partijen aangehaalde uitspraak van 27 april 2005, dient artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid bij de door de curator in acht te nemen opzegtermijn te worden betrokken. Ingevolge dat artikel moet worden bepaald welke opzegtermijn ten aanzien van betrokkene gold op 1 januari 1999 met toepassing van artikel 40, derde lid, van de Fw , zoals dat luidde tot 1 januari 1999. Zo deze termijn langer was dan zou volgen uit de toepassing van artikel 40, eerste lid, van de Fw , zoals dat artikellid luidde sedert 1 januari 1999, bleef deze langere (oude) opzeg-termijn op grond van artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid op betrokkene van toepassing. Betrokkene werd [in] 1992 45 jaar en de dienstbetrekking heeft sedert-dien tot 1 januari 1999 zes volle jaren geduurd.

De opzegtermijn volgens artikel 40, derde lid, van de Fw , zoals dat artikellid luidde tot 1 januari 1999, bedraagt derhalve 12 weken. Nu de opzegtermijn volgens artikel 40, eerste lid, van de Fw , sedert 1 januari 1999 is beperkt tot zes weken, is de eerstgenoemde opzegtermijn langer en blijft deze van toepassing. Appellant heeft derhalve de einddatum van de opzegtermijn correct vastgesteld op 9 april 2007.

4.7. Ten aanzien van de stellingen van betrokkene overweegt de Raad nog dat betrokkene, mede gelet op het voorgaande, miskent dat in het onderhavige geval sprake is van een opzegging tijdens faillissement waarvoor artikel 40, derde lid, van de Fw , zoals dat luidde tot 1 januari 1999 bepalend is, waarbij betrokkene tevens miskent dat uit artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid volgt dat er, ook al duurt het dienstverband na 1 januari 1999 voort, geen verdere opbouw meer plaatsvindt van de opzegtermijn volgens het recht zoals dat gold tot die datum.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond moeten worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M. Lammerse.

RH


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature