< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reiderland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 september 2008 ter inzage gelegd.

Uitspraak



200807943/1/M2.

Datum uitspraak: 23 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Milieufederatie Groningen, gevestigd te Groningen,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Reiderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reiderland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 september 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Milieufederatie Groningen (hierna: de milieufederatie) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2008, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 november 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De milieufederatie heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2009, waar de milieufederatie, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Wiarda en ing . R. Bolkesteijn, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] als partij gehoord, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2. Overwegingen

2.1. Vergunninghouder heeft aangevoerd dat de door de milieuvergunning aangevoerde grond dat vergunningverlening in strijd is met artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wet ammoniak) niet als zienswijze tegen het ontwerp van het besluit heeft ingediend. Voorts heeft hij aangevoerd dat de milieuvereniging aan haar grond tegen het niet opnemen van een grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de zienswijze een andere argumentatie ten grondslag heeft gelegd dan in beroep. Tevens voert vergunninghouder aan dat de milieuvereniging de grond dat ten onrechte geen controlevoorschrift is opgenomen met betrekking tot de gestelde geluidgrenswaarden niet als zienswijze tegen het ontwerp van het besluit heeft aangevoerd. Het beroep is volgens vergunninghouder in zoverre niet-ontvankelijk.

2.1.1. Genoemde beroepsgronden hebben betrekking op de besluitonderdelen ammoniak en geluid, waarover door de milieuvereniging zienswijzen naar voren zijn gebracht. In zoverre is er geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van het beroep.

2.2. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 9.000 vleesvarkens in een nieuw te bouwen stal.

2.3. De milieufederatie voert, kort weergegeven en voor zover hier van belang, aan dat de vergunning met toepassing van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij had moeten worden geweigerd vanwege gevolgen van de inrichting op de op 500 meter afstand gelegen Waddenzee, in het bijzonder de kwelders van het daarvan deel uitmakende gebied de Dollard.

2.3.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

In het derde lid is bepaald, voor zover hier van belang, dat in afwijking van het eerste lid een vergunning voor een gpbv-installatie - zoals in deze zaak aan de orde - wordt geweigerd indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

2.3.2. De Waddenzee is bij besluit van 8 november 1991 aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 79 /409/EG inzake het behoud van de vogelstand. Ingevolge artikel V, eerste lid, van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 2005, 195), geldt een dergelijke aanwijzing als besluit als bedoeld in artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998. De Waddenzee is daarom een ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd gebied, waarop het in de artikelen 19a en verder van de ze wet geregelde rechtsregime van toepassing is. De gevolgen van de inrichting voor dit gebied dienen daarom te worden beoordeeld in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 en niet in het kader van de thans aan de orde zijnde verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Voor het aan de milieuvergunning verbinden van nadere (ammoniak)voorschriften ter bescherming van een dergelijk gebied is dan ook, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 28 mei 2008 in zaak nr. 200704876/1, geen plaats. Reeds hierom heeft het college terecht geconcludeerd dat in zoverre geen voorschriften in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij moeten worden gesteld. Dit artikellid geeft daarom geen grond voor weigering van de vergunning. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. De milieufederatie heeft bij nadere memorie aangevoerd dat het college de vergunningverlening ten onrechte niet heeft gecoördineerd met de vergunningverlening krachtens de Natuurbeschermingswet 1998. Volgens haar is dit in strijd met artikel 7 van de Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: Richtlijn 2008/1/EG).

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 3 december 2008 in zaaknummer 200706095/1 betreft de coördinatie als bedoeld in artikel 7 van de Richtlijn 2008 /1/EG, gelet op de definitie van het begrip "vergunning" in artikel 2, onder 9, van de ze Richtlijn, slechts de co ördinatie tussen die besluiten of gedeelten van (een) besluit(en) die hun grondslag vinden in de regelgeving die de implementatie vormt van Richtlijn 2008/1/EG. Nu de Natuurbeschermingswet 1998, die is gericht op implementatie van de Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand en de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, niet tot die regelgeving behoort, ziet artikel 7 van Richtlijn 2008 /1/EG niet op coördinatie tussen het hier aan de orde zijnde besluit op een aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer en een besluit op een aanvraag om vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998.

De beroepsgrond faalt.

2.5. De milieufederatie voert aan dat in de vergunning ten onrechte geen grenswaarden voor het maximale geluidniveau (LAmax) in de avond- en nachtperiode zijn gesteld. Volgens de milieufederatie wordt de omgeving van de inrichting zo onvoldoende bescherming geboden.

2.5.1. Uit het akoestisch rapport, dat deel uitmaakt van de aanvraag en het bestreden besluit blijkt dat in de avond- en nachtperiode geen activiteiten plaatsvinden waardoor relevante piekgeluidbelastingen optreden. Gelet hierop heeft het college van het stellen van grenswaarden voor de maximale geluidbelasting (LAmax) in de nachtperiode kunnen afzien.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Volgens de milieufederatie is het stellen van geluidgrenswaarden op een referentiepunt op 200 meter afstand van de inrichting in strijd met de rechtszekerheid. In dit kader voert zij voorts aan dat de geluidbelasting vanwege de inrichting op deze afstand niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden bepaald vanwege de effecten van andere geluidbronnen. De milieufederatie stelt dat er geen noodzaak aanwezig is om de referentiepunten op 200 meter van de inrichting te stellen.

2.6.1. In de aan de vergunning verbonden voorschriften 9.1.1. en 9.1.2 zijn grenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (LAmax) ter plaatse van vier referentiepunten op 200 meter van de inrichting. Uit figuur 2a van het akoestisch rapport, dat onderdeel uitmaakt van de bij het bestreden besluit verleende vergunning, blijkt waar deze 4 referentiepunten zich bevinden.

Gelet hierop is het volstrekt duidelijk welke geluidnormen op welke referentiepunten gelden en waar deze referentiepunten zich bevinden. De milieufederatie heeft niet kunnen aangeven waarom de vergunning op dit punt desondanks rechtsonzeker zou zijn.

De Afdeling constateert dat het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object is gelegen op 400 meter afstand van de inrichting en overweegt voorts dat het college met vergunningvoorschrift 9.1.1., naast de bescherming aan woningen, ook bescherming heeft toegekend aan het weiland rondom de inrichting.

De milieufederatie heeft niet onderbouwd welk milieubelang ermee is gediend om de voormelde referentiepunten op kortere afstand van de inrichting te stellen. Vast staat dat bij naleving van deze voorschriften ruimschoots aan de in de Handreiking aanbevolen richtwaarden voor een landelijke omgeving wordt voldaan.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6.2. De milieufederatie voert voorts aan dat in de geluidvoorschriften ten onrechte niet is vermeld op welke tijdstippen de dag-, avond- en nachtperiode beginnen en eindigen. Volgens haar zijn de voorschriften daarom rechtsonzeker.

Het college heeft blijkens de considerans van het bestreden besluit bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gehanteerd. In de Handreiking wordt ervan uitgegaan dat de dagperiode om begint om 7.00 uur en eindigt om 19.00 uur, de avondperiode begint om 19.00 uur en eindigt om 23.00 uur en de nachtperiode begint om 23.00 uur en eindigt om 7.00 uur. In het bestreden besluit is niet vermeld dat van deze dagindeling wordt afgeweken. Gelet hierop is voldoende duidelijk wat wordt verstaan onder de dag-, avond- en nachtperiode.

De beroepsgrond faalt.

2.7. De milieufederatie voert aan dat in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer geen controlevoorschriften met betrekking tot geluid aan de vergunning zijn verbonden.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.2.3 en 9.2.1 toereikende controlevoorschriften bevatten.

2.7.2. In voorschrift 2.2.3, voor zover thans van belang, is bepaald dat indien een redelijk vermoeden bestaat dat geluidhinder optreedt het college kan verlangen dat metingen en berekeningen worden uitgevoerd door of namens vergunninghouder. Deze metingen en berekeningen moeten duidelijk maken of aan de voorschriften 9.1.1 en 9.1.2 wordt voldaan.

In voorschrift 9.2.1 is bepaald dat controle op of berekening van de in de voorschriften 9.1.1 en 9.1.2 vastgelegde geluidniveaus moet geschieden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Ook de beoordeling van de meetresultaten moet overeenkomstig deze handleiding plaatsvinden.

2.7.3. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer , zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat: a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.7.4. De vergunningvoorschriften 9.1.1. en 9.1.2. waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld, zijn doelvoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer . Uit de tekst van artikel 8.12, vierde lid, volgt dat, voor zover aan de vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, in ieder geval ook een of meerdere controlevoorschriften als bedoeld in het vierde lid aan de vergunning dienen te worden verbonden. Hierbij bestaat - zoals de Afdeling in de uitspraak van 20 december 2006, in zaak no. 200605039/1 heeft overwogen -, geen ruimte voor een afweging door het bevoegd gezag. De Afdeling stelt vast dat de door het college aan de vergunning verbonden controlevoorschriften 2.2.3 en 9.2.1 niet voldoen aan de in artikel 8.12, vierde lid, onder a en b gestelde vereisten, nu daarin geen onvoorwaardelijke verplichting is opgenomen om te bepalen of aan de in de voorschriften 9.1.1 en 9.1.2 opgenomen grenswaarden wordt voldaan, maar een dergelijke onderzoeksverplichting afhankelijk wordt gesteld van het bestaan van een vermoeden dat geluidhinder optreedt. Gelet hierop is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer .

De beroepsgrond slaagt.

2.8. De milieufederatie heeft bij nadere memorie aangevoerd dat vergunningverlening wellicht in strijd is met de richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen. In dit verband heeft de milieufederatie gesteld dat onzeker is of het gestelde emissieplafond voor ammoniak zal worden gehaald.

De milieufederatie heeft haar stelling dienaangaande in de nadere memorie noch ter zitting onderbouwd. Reeds hierom faalt de beroepsgrond.

2.9. Het beroep van de milieufederatie is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover aan de bij de vergunning behorende voorschriften 9.1.1 en 9.1.2 geen controlevoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer zijn verbonden. Het college dient in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reiderland van 28 augustus 2008, kenmerk GZ/WM/1403, voor zover aan de bij de vergunning behorende voorschriften 9.1.1 en 9.1.2 geen controlevoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer zijn verbonden;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Reiderland op om binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reiderland tot vergoeding van bij Milieufederatie Groningen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Reiderland aan Milieufederatie Groningen het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Taal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009

325.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature