Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering (thans de minister van Justitie; hierna: de minister) een verzoek van [verzoeker] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Uitspraak



200807417/1/V6.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2008 in zaak nr. 07/2727 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering (thans de minister van Justitie; hierna: de minister) een verzoek van [verzoeker] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 14 juni 2007 heeft de minister het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 september 2008, verzonden op 10 september 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 november 2008. Deze brieven zijn aangehecht.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en [verzoeker], in persoon, bijgestaan door mr. M.C. de Jong, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft onderzocht of [verzoeker] in aanmerking diende te komen voor ontheffing van de naturalisatietoets, omdat in het aan het besluit van 14 juni 2007 ten grondslag liggende advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) slechts de vraag is beantwoord of [verzoeker] eenvoudig Nederlands kan leren schrijven, lezen, spreken en verstaan en aldus het aspect van het door [verzoeker] met succes kunnen afleggen van de naturalisatietoets in het licht van zijn beperkte leervermogen hierin niet is beoordeeld. De minister betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij juist wel heeft beoordeeld of [verzoeker] heeft aangetoond dat hij, vanwege zijn medische belemmeringen, niet binnen vijf jaar in staat zal zijn de naturalisatietoets af te leggen, nu de vraagstelling aan het BMA van 29 juni 2006 was gericht op het leervermogen van [verzoeker] en het BMA, blijkens het advies van 19 september 2006, de vraagstelling in ieder geval zo heeft opgevat.

2.1.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, alsmede van de Nederlandse staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving heeft doen opnemen.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets , voor zover thans van belang, beschikt een verzoeker over voldoende kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN , indien hij beschikt over een zodanige mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, dat hij zelfstandig in de Nederlandse samenleving kan functioneren.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt vastgesteld aan de hand van een door de minister op te stellen naturalisatietoets, of hij beschikt over de mate van kennis van de taal alsmede van de staatsinrichting en maatschappij, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 4, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang, is de verzoeker die kan aantonen door een belemmering niet in staat te zijn een of meer van de toetsonderdelen, genoemd in artikel 2, derde lid, en het toetsonderdeel staatsinrichting en maatschappij af te leggen, ontheven van de verplichting om het desbetreffende toetsonderdeel af te leggen.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding), zoals deze gold ten tijde van belang, is de verzoeker, indien hij een ernstige lichamelijke en/of geestelijke belemmering heeft, ontheven van de naturalisatietoets of één of meer onderdelen daarvan. Betrokkene dient zelf door middel van één of meer verklaringen aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor gehele of gedeeltelijke ontheffing. Betrokkene dient de belemmering aan te tonen door middel van het overleggen van één of meer verklaringen van een arts of een deskundige. In beginsel is een verklaring van de eigen huisarts voldoende. Echter, dit geldt niet in een geval waarin sprake is van een psychische stoornis, zoals bijvoorbeeld duurzame ernstige depressies, trauma’s en/of concentratiestoornissen. Beoordeling daarvan dient te geschieden door een deskundige op het gebied van psychische ziektebeelden. In die gevallen dient de verklaring afkomstig te zijn van een psychiater of een psycholoog, aldus de Handleiding.

2.1.2. [verzoeker] heeft in het kader van zijn beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een geestelijke belemmering de modelverklaring 2.27 overgelegd, gedateerd 12 december 2005, welke is ingevuld en ondertekend door psycholoog M. Cox (hierna: de psycholoog). Deze verklaring houdt in dat [verzoeker] bekend is met ernstige, vanaf de jeugd bestaande concentratiestoornissen die het leren van de stof voor de onderscheiden onderdelen van de naturalisatietoets ernstig belemmeren, zo niet onmogelijk maken. Voorts heeft [verzoeker] een brief overgelegd van de psycholoog van 4 november 2005 waarin staat dat [verzoeker] een breed scala van lichamelijke klachten heeft waarvoor geen somatische oorzaak is aangetoond, alsmede dat sprake is van spanningsklachten, versterkt door een stagnerend naturalisatieproces, bij een 50-jarige man met een structureel beperkte draagkracht. Op basis van deze structurele, persoonsgebonden beperking mag geen heil worden verwacht van een psychologische behandeling en wordt [verzoeker] niet in behandeling genomen, aldus de brief. Voorts heeft [verzoeker], naar aanleiding van een verzoek van de minister om nadere informatie, opnieuw een door de psycholoog ingevulde en ondertekende modelverklaring 2.27 overgelegd, gedateerd 1 juni 2006, waarin staat dat [verzoeker] lijdt aan vanaf de vroege jeugd bestaande concentratie- en inprentingsstoornis met daarbij ernstige nervositas, als gevolg waarvan zijn leervermogen, waarbij concentratie en geheugenfuncties noodzakelijk zijn, zeer beperkt is en zijn werkgeheugen minimaal is. De psycholoog ziet [verzoeker] niet in staat aan de reguliere eisen voor naturalisatie te voldoen, aldus de verklaring.

2.1.3. Naar aanleiding van de door [verzoeker] overgelegde verklaringen heeft de minister bij brief van 29 juni 2006 het BMA om advies gevraagd, waarbij hij onder meer de vraag heeft gesteld of [verzoeker] wegens zijn handicap blijvend niet in staat kan worden geacht eenvoudig Nederlands te leren schrijven, lezen, spreken en verstaan en of [verzoeker] Nederlandse taalles zou kunnen volgen.

In het advies van het BMA van 19 september 2006 staat als antwoord op deze vragen dat bij [verzoeker] geen sprake is van een medische aandoening waardoor er blijvend geen leervermogen is. Wel wordt het leren bemoeilijkt door concentratiestoornissen en inprentingsstoornissen, waardoor het aanleren van het Nederlands meer tijd en moeite zal kosten. Voor het bijwonen van Nederlandse taalles zijn geen medische beletselen. Wel zal het goed volgen van de lessen moeilijker zijn door de concentratiestoornissen en inprentingsstoornissen. Voor het op andere wijze Nederlands leren door [verzoeker], bijvoorbeeld met behulp van radio en televisie of door middel van alledaagse contacten met Nederlanders bestaan geen medische beletselen, aldus het advies.

2.1.4. Zoals de minister terecht betoogt, is weliswaar de vraag naar het vermogen van [verzoeker] om de naturalisatietoets af te leggen in de concrete vraagstelling aan het BMA vertaald naar het vermogen eenvoudig Nederlands te leren schrijven, lezen, spreken en verstaan, doch, gelet op de inhoud van de toets, kan dit niet als een onjuiste vraagstelling worden aangemerkt. Voorts betoogt de minister terecht dat het BMA de tot hem gerichte vraagstelling in ieder geval heeft opgevat als gericht op het gestelde beperkte leervermogen van [verzoeker], nu het advies van het BMA, blijkens de aanhef, ziet op het beroep van [verzoeker] op volledige ontheffing van de naturalisatietoets op medische gronden en dit advies inhoudt dat bij [verzoeker] geen sprake is van een medische aandoening waardoor er blijvend geen leervermogen is, zij het dat het leren en het goed volgen van de lessen door de concentratie- en inprentingsstoornissen wel worden bemoeilijkt en het aanleren van het Nederlands meer tijd en moeite zal kosten. Ook wijst de passage in het advies dat de huisarts geen aanwijzing had dat er bij [verzoeker] sprake zou kunnen zijn van een beperkt leervermogen er op, dat het BMA zich heeft gebogen over de vraag of en in hoeverre sprake is van een geestelijke belemmering die eraan in de weg staat dat [verzoeker] de naturalisatietoets binnen vijf jaar kan afleggen. Voor het oordeel van de rechtbank dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of [verzoeker] in aanmerking diende te komen voor ontheffing van de naturalisatietoets, omdat in het aan het besluit van 14 juni 2007 ten grondslag liggende advies van het BMA niet is beoordeeld of [verzoeker] in het licht van zijn beperkte leervermogen met succes de naturalisatietoets zal kunnen afleggen, bestaat dan ook geen grond.

De klacht slaagt.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij zal de rechtbank zich eveneens dienen te buigen over de vraag of en in hoeverre het door [verzoeker] overgelegde medisch advies inburgeringsexamen van 21 augustus 2007 van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond voor de beoordeling van het geschil van belang is.

2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2008 in zaak nr. 07/2727;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

32-523.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature