< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Verkeersassistent als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) en eisen waaraan een BOA dient te voldoen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



arrestnummer:

parketnummer: 23-006884-07

datum uitspraak: 27 februari 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Alkmaar van 9 november 2007 in de strafzaak onder de parketnummers 14-515807-07 en 15-501809-06 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

{Verdachte},

geboren te {geboorteplaats} op {geboortedatum}

{adres}

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 09 november 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 14 november 2008 en 13 februari 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bespreking bewijsverweren

A. Certificaat lasergun

De raadsman heeft ter terechtzitting verweer gevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van de lasergun, aangezien naar zijn mening niet duidelijk is of de gebruikte apparatuur van een geldig certificaat was voorzien. Het hof begrijpt het betoog van de raadsman aldus, dat dit eventuele vormverzuim tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden op grond van artikel 359a Sv .

Ad. A Het hof verwerpt dit verweer op grond van het hiernavolgende.

Uit de zich in het dossier bevindende verklaring d.d. 16 november 2006 van het Nederlands Meetinstituut blijkt dat de apparatuur op 16 november 2006 goedgekeurd is. Daar deze goedkeuring een geldigheid heeft voor de duur van één jaar, voldeed de apparatuur aan de daaraan gestelde eisen ten tijde van de constatering van het feit op 7 april 2007, zoals ook is vermeld op het ambtelijk opgemaakte proces-verbaal van het opsporingsonderzoek. De deugdelijkheid van de gebruikte apparatuur is derhalve genoegzaam komen vast te staan.

B. Bevoegdheid van de verbalisanten {verbalisant 1} en {verbalisant 2}

De raadsman heeft ter terechtzitting verweer gevoerd dat de verbalisanten geen geldige ambtsbelofte zouden hebben afgelegd. Hieraan verbindt de raadsman de conclusie dat het opgemaakte proces-verbaal zou moeten worden uitgesloten van het gebruik van bewijs, omdat er sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv .

Ad. B Het hof verwerpt dit verweer op grond van het hiernavolgende.

Verbalisant {verbalisant 1} is, blijkens de akte van aanstelling die ter terechtzitting aan het hof is overlegd, sinds 29 november 2004 in functie als verkeersassistent. Op 10 januari 2005 heeft hij als zodanig de ambtsbelofte afgelegd.

Verbalisant {verbalisant 2} is blijkens het mutatieformulier van 10 juli 2004 als verkeersassistent aangesteld. Op 4 maart 2002 heeft hij de ambtsbelofte afgelegd.

Ingevolge artikel 2 van het besluit van de minister van Justitie van 9 april 2003, kenmerk 5220453 /503/CBK, gelden verkeersassistenten als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Op basis hiervan is komen vast te staan dat ten tijde van het geconstateerde feit, op 7 april 2007, beide verbalisanten bevoegd waren tot het verrichten van de snelheidsmeting en het opmaken van proces-verbaal hierover en dat derhalve de constatering van het delict overeenkomstig de daarvoor geldende bevoegdheidsregels heeft plaatsgevonden.

C. Bekwaamheid verbalisant {verbalisant 1}

Bovendien stelt de raadsman dat niet duidelijk is of opsporingsambtenaar {verbalisant 1} een opleiding tot buitengewoon opsporingsambtenaar heeft gevolgd en met goed gevolg daarvoor een examen heeft afgelegd. Hieraan verbindt de raadsman de conclusie dat het opgemaakte proces-verbaal zou moeten worden uitgesloten van het gebruik van bewijs, omdat er sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv .

Ad. C Ten aanzien van de vraag of de bijzondere opsporingsambtenaar {verbalisant 1}daartoe een opleiding heeft gevolgd en met goed gevolg een examen heeft afgelegd, overweegt het hof als volgt:

De bekwaamheid waaraan ambtenaren dienen te voldoen om als buitengewoon opsporingsambtenaar te kunnen worden beëdigd, zijn neergelegd in artikel 16 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar , alsmede in de Circulaire bekwaamheid buitengewoon opsporingsambtenaar. Slechts indien aan de vereisten, in dit Besluit en in deze Circulaire gesteld, is voldaan, kan door een Regionaal Politiekorps tot aanstelling en beëdiging van betrokkenen worden overgegaan. De advocaat-generaal heeft gesteld dat de geldende regelen zijn nageleefd. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd en evenmin aannemelijk is geworden dat door het regionaal Politiekorps Noord-Holland-Noord dit Besluit en deze Circulaire niet zijn nageleefd, neemt het hof als vaststaand aan dat deze voorschriften zijn nageleefd, zodat ook dit verweer wordt verworpen.

D. Gelimiteerd aantal buitengewone opsporingsambtenaren

De raadsman heeft ter terechtzitting tevens als verweer gevoerd dat ingevolge artikel 4 van het besluit van de minister van Justitie van 9 april 2003, kenmerk 5220453 /503/CBK, slechts 200 personen als buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen worden beëdigd bij het regionale politiekorps Noord-Holland-Noord. Er is volgens de raadsman geenszins duidelijk of wellicht sprake is van een overschrijding van dit aantal.

Ad. D Ten aanzien van de vraag of er al dan niet sprake zou zijn van een overschrijding van een aantal van 200 buitengewoon opsporingsambtenaren overweegt het hof dat de raadsman niet gefundeerd heeft aangegeven, dat er sprake zou zijn van een overschrijding van dit aantal, zodat het hof ervan uitgaat dat dit getal niet is overschreden. Daarbij overweegt het hof nog dat – gelet op de leer van de Schutznorm - in geval van een overschrijding, geenszins daaruit zou volgen dat daaruit enig rechtsgevolg voor de geldigheid der ambtshandelingen van de dienstdoende buitengewoon opsporingsambtenaren {verbalisant 1} en {verbalisant 2} zou voortvloeien.

E. Voldoende wettig bewijs

Voorts heeft de raadsman als verweer gevoerd, zakelijk weergegeven, dat – indien wordt uitgegaan van de onbevoegdheid en onbekwaamheid van {verbalisant 1} - als bewijsmiddel slechts zou zijn te bezigen de bekentenis van verdachte tegenover verbalisant {verbalisant 2} en dat zulks onvoldoende bewijs oplevert.

Ad. E Het hof merkt vooreerst op dat uit het proces-verbaal inderdaad niet alleen blijkt van de meting van de snelheid van een taxi, merk Mercedes met kenteken {kenteken}, op de Middenweg te Heerhugowaard op 7 april 2007 om 2.45 uur des nachts en van het resultaat daarvan, een gecorrigeerde snelheid van 96 kilometer per uur, hetgeen sneller is dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, doch tevens van het staande houden van verdachte en van diens verklaring ter plaatse, tegenover de buitengewoon opsporingsambtenaar {verbalisant 2}, inhoudende: “Ik ben taxichauffeur en ik heb haast.”Aangezien het hof, zoals hierboven overwogen, uitgaat van de bevoegdheid en bekwaamheid van verbalisant {verbalisant 1} vervalt de grondslag aan de hiervoor genoemde premisse.

Het bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 07 april 2007 in de gemeente Heerhugowaard, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Middenweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 96 km/uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur met meer dan 30 km/uur heeft overschreden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van het bepaalde bij artikel 20 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De kantonrechter te Alkmaar heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van EUR 432,00 EUR, subsidiair 8 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden. Voorts is tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de kantonrechter te Haarlem van 25 juli 2006, parketnummer 15.801809-06 aan verdachte voorwaardelijk opgelegde straf te weten: ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat sedert het begaan van een soortgelijk feit een iets langere periode dan één jaar is verstreken, doch tevens gewezen op de overige verkeersrecidive en gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van EUR 432,00 EUR, subsidiair 8 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gevorderd voor de duur van 4 maanden, alsmede tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter te Haarlem van 25 juli 2006, parketnummer 15.801809-06 aan verdachte voorwaardelijk opgelegde straf te weten: ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden.

De raadsman heeft bij pleidooi een strafmaatverweer gevoerd. Hij stelt dat sedert het begaan van een soortgelijk feit meer dan één jaar is verstreken en verbindt daaraan het verzoek dat wordt gestraft op de voet van een voor verdachte gunstiger schaal als genoemd in de Richtlijn voor het openbaar ministerie betreffende strafvordering, tarieven en feitenomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen.

Het hof verwerpt dit verweer op grond van het navolgende.

Het hof overweegt vooreerst dat de door de raadsman genoemde richtlijn kan dienen als een nuttig instrument in het kader van het streven naar evenwichtigheid bij het requireren tot het opleggen van straffen door het openbaar ministerie, doch dat het vrijstaat aan het openbaar ministerie gelet op alle bijzondere omstandigheden van de zaak, zoals in verkeerszaken het algehele beeld dat de verkeersrecidive te zien geeft, te requireren zoals dit het meest passend wordt geacht.

Het hof overweegt voorts dat een Richtlijn voor het openbaar ministerie te minder een bindend karakter heeft voor de rechter. De rechter dient op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, gelet op alle bijzondere omstandigheden, waaronder mede begrepen de recidive, tot de bij het individueel geval meest passende straftoemeting komen, waarbij hij bewust kan afwijken van de voor het openbaar ministerie gegeven richtlijnen.

Het hof is van oordeel, dat het de totale verkeersrecidive van verdachte in aanmerking neemt.

Deze blijkt te bestaan in een veroordeling van verdachte wegens snelheidsovertreding bij vonnis van de kantonrechter te Zaandam van 25 juli 2006 (Euro 255, subsidiair 5 dagen hechtenis en 4 maanden ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar), alsmede drie recente transacties ter zake van snelheidsovertredingen van Euro 240 (feit begaan op 5 september 2004), van Euro 410 (feit begaan op 16 mei 2006) en van Euro 340 (feit begaan op 9 oktober 2007), blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 januari 2009, naast een transactie van Euro 163 terzake van een andere schending van het RVV 1990

(begaan op 19 maart 2004).

In de onderhavige zaak acht het hof op grond daarvan met de advocaat-generaal, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte, een geldboete van EUR 432 (vierhonderdtweeendertig euro), subsidiair 8 dagen hechtenis en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden alleszins passend en geboden.

Vordering tot ten uitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van het eerdere vonnis, waarbij de voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is opgelegd. De raadsman verbindt hieraan het gevolg dat primair de advocaat-generaal niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging, dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen. Meer subsidiair wordt door de raadsman bepleit de vordering af te wijzen en de proeftijd te verlengen.

Het hof honoreert dit primaire verweer, nu uit het dossier niet voldoende blijkt van betekening van bedoelde uitspraak. Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kantonrechter te Zaandam van 25 juli 2006, parketnummer 15-501809-06, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid derhalve afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 20 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 432,00 (vierhonderdtweeendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 (acht) dagen.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Kantonrechter te Zaandam van 25 juli 2006, met parketnummer 15-501809-06.

Dit arrest is gewezen door de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting had mr. F.W.J. den Ottolander, vice-president, in tegenwoordigheid van mr. R. Cozijnsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2009.

Mr. R. Cozijnsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature