< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering kinderbijslag: kinderen zijn geen eigen kinderen van appellant en kunnen ook niet als pleegkinderen worden aangemerkt. Uit het onderzoek naar de identiteit van de kinderen blijkt op overtuigende wijze dat de door de SSK verstrekte informatie onjuist is.

Uitspraak



07/2481 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant]i, wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 maart 2007, 06/459 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 12 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. de Vaal, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen, heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft op 29 december 2004 kinderbijslag aangevraagd voor de kinderen [G.], geboren [in] 1991, en [F.], geboren [in] 1992.

1.2. Bij besluit van 15 juli 2005 heeft de Svb aan appellant kinderbijslag ten behoeve van genoemde kinderen geweigerd onder overweging dat deze geen eigen kinderen van appellant zijn en ook niet als pleegkinderen kunnen worden aangemerkt.

1.3. Bij het bestreden besluit van 7 februari 2006 heeft de Svb zijn besluit van 15 juli 2005 na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De Raad verwijst, evenals de Svb en de rechtbank, naar zijn uitspraak van 16 september 2005 (LJN AU3462). Daarin heeft de Raad overwogen dat op grond van artikel 35 van het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid, voor de toepassing van de Algemene kinderbijslagwet door het Sosyal Sigortalar Kurumu (SSK) de controle op de registratie en het bestaan van in Turkije verblijvende kinderen plaatsvindt en dat van de door het SSK verstrekte gegevens derhalve in beginsel moet worden aangenomen dat sprake is van betrouwbare en valide documenten. De Raad heeft evenwel voorts overwogen dat dit onverlet laat dat wanneer de Svb twijfelt over de rechtmatigheid van de verstrekte gegevens, hij nader onderzoek daaromtrent kan (laten) verrichten. De uit zo’n onderzoek blijkende gegevens kunnen echter eerst aanleiding geven af te wijken van de met toepassing van het Administratief Akkoord verkregen informatie, wanneer uit de aangedragen gegevens op overtuigende wijze blijkt of afgeleid kan worden dat de betreffende kinderen niet bestaan dan wel de door het SSK verstrekte informatie anderszins onjuist is.

3.2. In het onderhavige geval is bij de Svb op grond van in het verleden gebleken gegevens twijfel gerezen aan de identiteit van de kinderen [G.] en [F.]. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze twijfel voldoende aanleiding gaf voor een nader onderzoek.

3.3. Voor de inhoud van het rapport, op 9 mei 2005 uitgebracht door een medewerker van de Attaché voor Sociale Zaken van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Turkije, verwijst de Raad naar de uitspraak van de rechtbank. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit dit rapport op overtuigende wijze blijkt dat de door de SSK verstrekte informatie onjuist is. De Raad hecht hierbij met name belang aan de verklaring van appellants schoonmoeder, volgens welke haar (inmiddels overleden) dochter slechts één kind heeft, [I.], dat bij appellant woont; aan de registratie in het gezondheidscentrum, waaruit blijkt dat de kinderen [G.] en [F.] niet woonachtig zijn bij appellants moeder; en aan de verklaringen van de kinderen zelf, die stellen andere ouders te hebben, bij wie zij ook woonachtig zijn. De Raad vermag niet in te zien dat de kinderen niet - in het bijzijn van het schoolhoofd - mochten worden ondervraagd. Hij neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken, noch aannemelijk is, dat de kinderen onder druk zijn gezet. Voorts acht de Raad van belang dat appellants moeder, bij wie de kinderen volgens appellant woonachtig waren, niets in haar huis heeft kunnen tonen waaruit de aanwezigheid van de kinderen bleek en heeft verklaard dat de kinderen op dat moment verbleven bij hun oom, terwijl deze laatste reeds enige tijd overleden was.

3.4. Gezien het voorgaande komt de Raad evenals de rechtbank tot het oordeel dat [G.] en [F.] niet appellants eigen kinderen zijn.

3.5. De Raad is voorts van oordeel de deze kinderen niet als pleegkinderen van appellant kunnen worden aangemerkt. Hij sluit zich wat dit betreft aan bij de overwegingen in het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.

3.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

RB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature