Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Wet goederenvervoer over de weg

Vergunning binnenlands beroepsvervoer

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

voorzieningenrechter

AWB 08/930 en 08/931 27 januari 2009

14010 Wet goederenvervoer over de weg

Vergunning binnenlands beroepsvervoer

Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken van:

1) A B.V. en

2) B B.V.,

beide gevestigd te Capelle aan den IJssel,

hierna: verzoeksters,

gemachtigde: mr. A. Köker, advocaat te Amstelveen,

tegen

de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, gevestigd te Rijswijk, verweerster,

gemachtigde: R.A. Scherpenisse, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Bij besluiten van 6 respectievelijk 7 oktober 2008 heeft verweerster ongegrond verklaard de bezwaren van verzoeksters gericht tegen besluiten van 23 respectievelijk 29 april 2008, waarbij verweerster verzoeksters’ vergunningen voor binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer heeft ingetrokken.

Bij brieven van 17 november 2008 hebben verzoeksters beroep ingesteld tegen de besluiten van 6 respectievelijk 7 oktober 2008. Bij brieven van 25 november 2008 hebben verzoeksters zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat de besluiten worden geschorst.

Bij brieven van 15 december 2008 heeft verweerster een schriftelijke reactie op de verzoeken om voorlopige voorziening ingediend, onder overlegging van op de zaken betrekking hebbende stukken.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken – de zaak van verzoekster sub 1 betreft AWB 08/930 en die van verzoekster sub 2 betreft AWB 08/931 – gelijktijdig behandeld ter zitting van 19 januari 2009, waar partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden hebben toegelicht. Van de zijde van verzoeksters is tevens verschenen X.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet goederenvervoer over de weg luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

”Artikel 5

1. Het is verboden binnenlands beroepsvervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.

(...)

3. Het is verboden grensoverschrijdend beroepsvervoer te verrichten zonder een communautaire vergunning.

(...)

Artikel 8

1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt verleend indien wordt voldaan aan de eisen van:

(...)

c. vakbekwaamheid, door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer of indien deze leiding bij meer personen berust, door ten minste een van hen.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde eisen.

(...)

Artikel 1 2

1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt ingetrokken:

(...)

b. indien een vergunning verleend is op grond van onjuiste gegevens;

c. indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 8, eerste lid;

(...)

4. Een communautaire vergunning wordt ingetrokken:

a. indien de vergunninghouder niet meer in het bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer;

(...)”

Het beleid van verweerster ten aanzien van de vakbekwaamheid, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 15 mei 1996, zoals laatstelijk gewijzigd bij bekendmaking van 10 juli 2006 (Stcrt. 2006, nr. 131) luidt, voor zover van belang, als volgt:

”De vakbekwaamheid moet worden ingebracht door degene, die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de werkzaamheden van een in Nederland gevestigde onderneming. Dit hoeft niet per definitie de ondernemer zelf, een directeur of een vennoot te zijn. Het kan ook een procuratiehouder of bedrijfsleider zijn, mits kan worden vastgesteld dat deze permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden.

In geval de eigenaar van een eenmanszaak, een partner van de eigenaar waarmee hij duurzaam samenwoont, een directeur van een besloten vennootschap of een vennoot van een vennootschap onder firma zelf in bezit is van het vakdiploma, wordt in beginsel zonder nader onderzoek aangenomen dat deze persoon permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden. Bij twijfel wordt in deze gevallen een nader onderzoek ingesteld. In de overige gevallen wordt altijd een nader onderzoek ingesteld. Het betreft met name gevallen, waarin een procuratiehouder of bedrijfsleider van een eenmanszaak, een besloten vennootschap of een vennootschap onder firma in bezit is van het vakdiploma.

Het onderzoek richt zich met name op de aard van de werkzaamheden en de daarbij behorende verantwoordelijkheden, het aantal uren dat betrokkene werkzaam is, de honorering van de verrichte werkzaamheden en een eventueel dienstverband elders. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de omvang en aard van het bedrijf.

De vakbekwaam te achten persoon moet in principe aan de volgende eisen voldoen:

– loondienstverband, eventueel managementvergoeding;

– redelijke beloning, waarbij wordt aangesloten bij de relevante functieklassen uit de CAO;

– volledige volmacht, bij uitzondering beperkte volmacht afhankelijk van de volmachten van de overige bestuurders;

– inschrijving in Handelsregister;

– bij grote bedrijven (> 10 vrachtauto’s) fulltime werkzaam in een leidinggevende positie;

– bij kleine bedrijven (= 10 vrachtauto’s) een redelijk aantal uren werkzaam in een leidinggevende positie afhankelijk van de aard en de grootte van het bedrijf;

– geen functie elders, tenzij de omvang van de betrokken bedrijven dit toelaat en/of de functie in nauwe relatie staat tot het bedrijf.”

2.2 Bij de beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeksters zijn een rechtspersoon die een transportbedrijf uitoefenen.

- Op respectievelijk 10 juli 2007 en 12 november 2007 heeft verweerster van verzoeksters ontvangen een aanvraag voor een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer alsmede een vergunning voor grensoverschrijdend beroepsvervoer als bedoeld in de Wet goederenvervoer over de weg. Op de aanvraagformulieren staat X vermeld als de bestuurder van de onderneming die de vakbekwaamheid grensoverschrijdend beroepsvervoer inbrengt. Bij die aanvragen hebben verzoeksters uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd. In het op 8 november 2007 gedateerde uittreksel met betrekking tot verzoekster sub 1 staan A en C B.V. als bestuurders vermeld, in het op 17 juni 2007 gedateerde uittreksel met betrekking verzoekster sub 2 staan Y en C B.V. als bestuurders vermeld. Voorts heeft verzoekster sub 2 bij haar aanvraag een op 14 november 2006 gedateerd uittreksel met betrekking tot C B.V. overgelegd, waarin X en Z als bestuurders staan vermeld. Het geplaatste aandelenkapitaal van verzoekster sub 1 bedraagt volgens de bij de aanvraag overgelegde accountantsverklaring € 18.000,- en die van verzoekster sub 2 bedraagt volgens de bij de aanvraag overgelegde beginbalans € 29.100,-.

- Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft verweerster verzoekster sub 2 de gevraagde vergunningen verleend. Bij brief van 14 januari 2008 heeft verweerster bericht aan verzoekster sub 1 een nader onderzoek in te stellen naar de feitelijke inbreng van vakbekwaamheid. Bij brief van 28 maart 2008 heeft verweerder verzoekster sub 1 twee vergunningbewijzen voor binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer verstrekt, aangezien binnen de vastgestelde behandelingstermijn geen beslissing was genomen.

- Bij brief van 21 februari 2008 heeft verweerster verzoekster sub 2 bericht een nader onderzoek in te stellen naar de feitelijke bedrijfsuitoefening en de inbreng van de vakbekwaamheid. Op 11 maart 2008 heeft verweerster een onderzoek ingesteld bij verzoekster sub 2, D B.V., E B.V. en C B.V., alle gevestigd op het adres F. Op grond van dit onderzoek heeft verweerster op 2 april 2008 een rapport opgesteld.

- Bij besluiten van 29 april 2008 heeft verweerster de vergunningen van verzoeksters ingetrokken omdat, voor zover hier van belang, op grond van genoemd onderzoek niet aannemelijk is dat X permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden binnen de onderneming, zodat niet aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan.

- Tegen deze besluiten hebben verzoeksters bij brieven van 30 mei 2008 bezwaar gemaakt.

- Verweerster heeft op de hoorzitting van 2 september 2008 verzoeksters gehoord. Van dat gehoor is een verslag gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerster de bestreden besluiten genomen.

3. Het standpunt van verzoeksters

Verzoeksters menen een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Als gevolg van de intrekking van de vergunningen kunnen verzoeksters geen opdrachten meer uitvoeren en kunnen lopende verplichtingen niet meer worden nagekomen. Hierdoor dreigen verzoeksters in insolventie te geraken. Voorts heeft de behandeling van het bezwaarschrift onredelijk lang geduurd.

Zoals het beleid van verweerster zelf vermeldt zijn de criteria op grond waarvan verweerster aanneemt dat sprake is van vakbekwaamheid die door de permanent en daadwerkelijk leidinggevende wordt ingebracht zogenaamde ”in beginsel”-criteria. Dat betekent dat ook in het geval waarin niet wordt voldaan aan alle genoemde criteria, toch kan worden voldaan aan de eis van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c Wet goederenvervoer over de weg. Dit artikelonderdeel geeft zelf geen criterium van een concernrelatie. Verweerster heeft een definitie van concern gehanteerd die niet overeenstemt met die van artikel 2:24b Burgerlijk Wetboek . In dit artikel zijn de criteria: economische eenheid en organisatorische verbondenheid. Met de voorwaarde van financiële verwevenheid heeft verweerster een onjuist criterium toegepast en dient dan ook te worden gepasseerd bij de beoordeling van het bestreden besluit. Verweerster geeft overigens niet aan op grond waarvan zij tot het oordeel is gekomen dat van economische en financiële verwevenheid geen sprake is. Ook binnen een concern is het immers mogelijk dat een onderneming, een groepsdeel, geheel eigen economische activiteiten heeft en gelden in een dergelijk geval bijvoorbeeld andere regels ter zake de consolidatie van de jaarrekening van het concern en van de ondernemingen die deel uitmaken van het concern. Het oordeel van verweerster dat geen sprake is van een concernrelatie kan het bestreden besluit niet dragen, althans is een onvoldoende motivering.

Verweerster heeft geen waarde mogen hechten aan het feit dat bepaalde cijfers nog niet bekend waren. De inspectie door verweerster heeft begin maart 2008 plaatsgevonden. Van een onderneming kan en mag echter niet worden verwacht dat te allen tijde na het einde van het boekjaar de bedrijfsresultaten bekend zijn. Een besloten vennootschap heeft het recht van uitstel voor het brengen van een jaarrekening en kan zelfs zonodig ruim een jaar na de betreffende boekdatum nog de jaarcijfers uitbrengen. Verzoekster sub 1 had ten tijde van het onderzoek geen bedrijfsactiviteiten. Zij zou immers kunnen worden beboet als zij zonder vergunning activiteiten zou verrichten. Verweerster heeft de vergunning van verzoekster sub 1 ingetrokken zonder dat verzoekster sub 1 daadwerkelijk van die vergunning gebruik heeft kunnen maken. Door het onderzoek naar de andere ondernemingen ook op verzoekster sub 1 van toepassing te verklaren heeft verweerster feitelijk nimmer een onderzoek naar verzoekster sub 1 ingesteld. Verder is verzoekster sub 2 midden in een boekjaar – op 24 juli 2007 – opgericht en mag zij de jaarcijfers over het jaar 2007 mee te nemen in de cijfers van 2008. Zij is dan ook thans niet rechtens verplicht om de cijfers van 2007 op te maken. Verweerster mag en kan dan ook geen gewicht geven aan het al dan niet bekend zijn van het bedrijfsresultaat van deze onderneming.

Verweerster had niet tot de conclusie mogen komen dat € 200,- per vrachtwagen per maand als vergoeding niet redelijk is. Deze vergoeding kan wellicht weinig lijken maar als wordt bedacht dat het bedrag wordt betaald per vrachtwagen en dat er meerdere vrachtwagens zijn kan dit bedrag oplopen tot duizenden euro’s. X ontvangt van in totaal 8 vrachtwagens – verzoekster sub 1 en G B.V. hebben één vrachtwagen, H B.V. twee en verzoekster sub 2 vier vrachtwagens – € 1.600,- per maand. X ontvangt als directeur van C B.V. ook al een managementvergoeding. Naast de vergoeding van € 200,- per vrachtwagen op maandbasis ontvangt X ook een bedrag naar bedrijfsresultaat. Voor het overige bepalen de ondernemingen en X zelf de vergoeding en zijn zij van mening dat X een redelijke vergoeding krijgt voor zijn werkzaamheden. Overigens kunnen partijen zelf van CAO-vergoedingen en dergelijke afwijken mits zij dat afspreken. Ook al zou X een niet conforme beloning ontvangen – quod non – dan nog is het zijn keuze. Verweerster kan en mag dat niet voor X bepalen.

Verweerster heeft behalve de stukken die zijn genoemd in het proces-verbaal van de hoorzitting van 2 september 2008 geen andere stukken opgevraagd. Alle gevraagde stukken zijn door X op 7 september 2008 in de brievenbus van verweerster gedeponeerd en door verweerster ontvangen. Verweerster had kunnen vragen of de jaarcijfers bekend zijn en, zo neen, verzoeksters moeten verzoeken om aan te tonen dat uitstel is gevraagd en verkregen. Het is de eigen keus van verweerster om niet meer financiële gegevens op te vragen en kunnen de gevolgen hiervan niet aan X en de ondernemingen worden tegengeworpen.

Verweerster geeft als derde grond voor de afwijzing dat de onderneming geen bewijs zou hebben overgelegd waaruit zou blijken dat X zijn taken uitvoert. Om wat voor bewijs verweerster vraagt is niet duidelijk. Het had op de weg van verweerster gelegen om duidelijk aan te geven waar zij op doelt met bewijs. Verweerster heeft geen deugdelijk onderzoek uitgevoerd en zij heeft de afwijzing niet (voldoende) gemotiveerd. Verder vergeet verweerster dat bij verzoekster sub 1 geen sprake is geweest van uitvoering van taken, aangezien er geen vergunningbewijzen gereed voor gebruik waren.

X is sinds 3 september 2008 en C B.V. is sinds respectievelijk 24 juli 2007 en 2 oktober 2007 bestuurder en bevoegd om voor en namens verzoeksters (rechts)handelingen te verrichten. X is, conform de afspraak die tijdens de hoorzitting van 2 september 2008 is gemaakt, ingeschreven in het handelsregister als bestuurder van verzoeksters. Overigens had X als bestuurder van C B.V. via deze vennootschap reeds vanaf respectievelijk 24 juli 2007 en 2 oktober 2007 onbeperkte bestuursbevoegdheden.

Verweerster miskent de vakbekwaamheid van X door te oordelen dat niet aannemelijk is dat hij permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer. Verweerster heeft terecht geconcludeerd dat X vooraf goedkeuring dient te verlenen aan bepaalde besluiten van de onderneming omtrent uitbreiding, financiële verplichtingen, positionering en strategie op de markt. Verder beheert X de wettelijke verplichtingen waaraan voldaan dient te zijn en de relaties met de overheid. De door verweerster genoemde onderdelen van de bedrijfsvoering die niet door X worden geleid, te weten verrichten van vervoer, onderhouden van contacten met de klanten, onderhoud van vervoermaterieel en bijhouden van de registratie en facturering zijn geen werkzaamheden die door hem zelf persé dienen te worden verricht. Deze werkzaamheden kunnen worden overgelaten aan medewerkers, zoals chauffeurs, telefonisten en administratief medewerkers. Hij behoort alleen toezicht te houden en te zorgen dat de regels worden nageleefd. De feitelijke leiding ligt bij hem nu hij ondergeschikten aanwijzingen kan en mag geven en zij deze ook dienen op te volgen.

Van de vrachtwagenchauffeurs wordt met hun opleiding en kennis verwacht dat zij hun administratie goed op orde hebben en vergemakkelijken aldus het werk van de leidinggevende. Ondergeschikten zijn bedoeld voor het verrichten van werk. Zulks is ook het geval bij X. Hij geeft wel degelijk permanent en daadwerkelijk leiding aan het beroepsvervoer. Verweerster heeft niet gemotiveerd hoe zij tot de conclusie komt dat X geen leiding geeft.

Dat de bijzondere omstandigheden van het geval niet in aanmerking zijn genomen blijkt ook dat de bezwaren van de vier genoemde ondernemingen op dezelfde gronden zijn afgedaan terwijl de omstandigheden van ieder geval (sterk) van elkaar verschilden. Dat op de beschikkingen van de ondernemingen waarvan de vergunningaanvragen zijn afgewezen niet ”beschikking tot afwijzing” maar ”beschikking tot afwijzing” staat vermeld bevestigt dat verweerster geen rekening heeft gehouden met de specifieke bijzonderheden van elke onderneming.

Verzoeksters verzoeken om schorsing van de bestreden besluiten onder veroordeling van verweerster in de kosten die verzoeksters in verband met de behandeling van dit verzoek hebben moeten maken.

4. Het standpunt van verweerster

Bij bestreden besluiten heeft verweerster de intrekking van de vergunningen gehandhaafd en daaraan – voor zover hier van belang – het navolgende ten grondslag gelegd.

Verzoeksters hebben niet kunnen aantonen dat het onderzoek van maart 2008 naar de vraag of X permanent en daadwerkelijk leiding geeft, niet op hen van toepassing zou zijn. In dat verband hebben verzoeksters bevestigd dat hun opzet overeenkomt met die van de andere ondernemingen.

Uit het handelsregister is gebleken dat X niet als bestuurder (statutair directeur) van verzoeksters is vermeld, maar als gevolmachtigde.

X brengt zijn vakbekwaamheid in bij de volgende ondernemingen: verzoeksters, D B.V. , H B.V., G B.V. en C B.V. Anders dan verzoeksters menen is geen sprake van een concernrelatie. Er is immers geen sprake van een situatie waarin de meerderheid van de aandelen in elk van de ondernemingen in dezelfde hand is of dat meer dan de helft van het vermogen van elk der ondernemingen in dezelfde hand is. Bovendien is geen sprake van een relatie tussen de ondernemingen onderling.

Uit de omstandigheid dat voor elke vrachtwagen X een vergoeding van € 200,- per maand ontvangt en het bedrijfsresultaat van de onderneming (nog) niet bekend is kan niet worden geconcludeerd dat X een redelijke beloning ontvangt.

Verzoeksters hebben geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat X invulling geeft aan de verplichting dat hij bepaalde besluiten van te voren moet goedkeuren. Evenmin blijkt dat X invulling geeft aan de tussen de onderneming en hem vastgelegde taakverdeling dan wel de met de onderneming gemaakte afspraken.

Verweerster concludeert dat niet aannemelijk is dat X permanent en daadwerkelijk leiding geeft binnen de onderneming, zodat niet langer aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan.

Met betrekking tot het spoedeisend belang heeft verweerster erop gewezen dat in situaties van louter financieel belang niet snel sprake zal zijn van spoedeisendheid. Bovendien hebben verzoeksters geen stukken overgelegd dat zij in een financiële noodsituatie verkeren of komen te verkeren. Verweerster heeft de vergunningbewijzen nog niet terug ontvangen. Verder heeft de behandeling van het bezwaarschrift niet onredelijk lang geduurd, omdat van de vijftien weken negen weken zijn verstreken door toedoen van verzoeksters zelf en bovendien binnen de wettelijke beslistermijn is beslist.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in de bodemprocedure.

5.2 In de eerste plaats overweegt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat verzoeksters thans een voldoende spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Daargelaten of verweerster van verzoeksters de vergunningbewijzen heeft terug ontvangen, is niet in geschil dat verzoeksters thans geen activiteiten voor eigen rekening en risico ontplooien, waardoor zij minder inkomsten hebben, terwijl hun kosten doorlopen. Naarmate deze situatie langer voortduurt, is het voortbestaan van de ondernemingen minder gewaarborgd en zal het treffen van een voorlopige voorziening in beeld kunnen komen. Ter zitting is weliswaar gebleken dat de vrachtwagens van verzoekster sub 2 worden ingehuurd door andere transportondernemingen, echter niet is komen vast te staan dat dit een bestendig en omvangrijk karakter heeft.

5.3 Met betrekking tot de inhoud van de zaak overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet goederenvervoer over de weg wordt aan de eis van vakbekwaamheid voldaan door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer. Bij het leiding geven aan de onderneming dient sprake te zijn van een continue en inhoudelijke betrokkenheid van de vakbekwame persoon. Het moet gaan om een reële inbreng van de vakbekwaamheid op alle onderdelen die, gelet op het ten bewijze van de vakbekwaamheid afgegeven getuigschrift, daartoe behoren. Van een papieren constructie, waarbij feitelijk aan de onderneming wordt leiding gegeven door degene die niet aan de eis van vakbekwaamheid voldoet, mag geen sprake zijn.

5.4 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerster kunnen concluderen dat niet aannemelijk is dat X permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de ondernemingen. Met verweerster acht de voorzieningenrechter daarbij het volgende van belang.

5.4.1 Allereerst is niet in geschil dat X zijn vakbekwaamheid inbrengt in meerdere ondernemingen. C B.V. heeft voorts blijkens het uittreksel uit het handelsregister als doelomschrijving het besturen van vervoersondernemingen. Ter zitting is gebleken dat deze inbreng in ieder geval vier ondernemingen betreft, te weten: verzoeksters, H B.V. en G B.V. Hoewel het tijdbeslag dat is gemoeid met het permanent en daadwerkelijk leiding geven aan vervoersondernemingen kan variëren rechtvaardigt dit aantal ondernemingen zodanige serieuze twijfel of van permanent en daadwerkelijk leiding geven door X daadwerkelijk sprake is, dat dit niet zonder meer kan worden aangenomen.

Met betrekking tot het argument dat in geval van de ondernemingen waaraan X permanent en daadwerkelijk leiding zou geven sprake is van een concernrelatie, overweegt de voorzieningenrechter dat hem dit op grond van de thans voorhanden zijnde informatie niet aannemelijk voorkomt. C B.V. heeft een prioriteitsaandeel in de verschillende ondernemingen maar haar kapitaalsbelang is relatief gering. Daarnaast is van deze vennootschappen naast X telkens een ander bestuurder die ook het grootste deel van het kapitaal heeft ingebracht. Tussen de vennootschappen onderling bestaan evenmin verbanden. De toelichting ter zitting bevestigt dat het veeleer gaat om de mogelijkheid van praktische samenwerking dan om een concern.

5.4.2 Voorts is niet gebleken dat X daadwerkelijk een redelijke vergoeding van de ondernemingen ontvangt. Verzoeksters hebben in bezwaar, noch in beroep een schriftelijke onderbouwing gegeven omtrent de gestelde vergoeding. Zo al verzoeksters moeten worden gevolgd in hun stelling dat niet van hen kon worden gevergd om cijfers van bedrijfsresultaten te produceren, valt niet in te zien dat verzoeksters geen andere stukken ter onderbouwing hadden kunnen overleggen, bijvoorbeeld bankafschriften. Aan het eerst ter zitting namens verzoeksters gedane aanbod om alsnog bankafschriften op te sturen gaat de voorzieningenrechter gelet op de goede procesorde voorbij. Verder acht de voorzieningenrechter het standpunt van verweerster dat een maandelijkse vergoeding van € 200,- per vrachtwagen geen redelijke beloning is, niet apert onjuist. De voorzieningenrechter wijst er allereerst op dat verzoeksters ter zitting niet inzichtelijk hebben weten te maken waarom een vast verband moet worden aangenomen tussen het aantal vrachtwagens en de vergoeding, aangezien niet op voorhand aannemelijk is dat een dergelijk verband ook geldt tussen het aantal vrachtwagens en het voor de leidinggevende te verrichten werk. Bovendien acht de voorzieningenrechter het namens verweerster ter zitting ingenomen standpunt dat voor een redelijke beloning voor een leidinggevende in een onderneming wordt aangesloten bij functieklassen G en H uit de CAO en dat vergeleken hiermee de minimale vaste vergoedingen van de ondernemingen (veel) lager uitvallen vooralsnog niet kennelijk onredelijk.

5.4.3 Verder hebben verzoeksters op geen enkele wijze feitelijk nader geadstrueerd dat X daadwerkelijk leiding geeft aan de ondernemingen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de stellingen van verzoeksters hieromtrent blijven hangen in algemeenheden zonder concrete staving. Ook desgevraagd hebben verzoeksters geen concreet inzicht kunnen geven in het tijdbeslag dat met de activiteiten van X zou zijn gemoeid. Blijkens het onderzoeksrapport van 2 april 2008 heeft verweerster bij brieven van 5 maart 2008 verzoeksters de gelegenheid geboden om stukken en gegevens over te leggen waaruit blijkt dat X permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden in de ondernemingen. Bij de hoorzitting naar aanleiding van de bezwaren is deze mogelijkheid opnieuw geboden. Zo voor verzoeksters onduidelijk zou zijn welke informatie verweerster behoefde, dan hadden zij dit in ieder geval tijdens de hoorzitting kenbaar kunnen maken. Daar komt bij dat ook het verzoekschrift niet voorzien was van de betreffende informatie.

Wat betreft de stelling van verzoeksters dat X als leidinggevende niet alle werkzaamheden binnen een onderneming dient te verrichten merkt de voorzieningenrechter op dat niet ter discussie is of X alle werkzaamheden binnen de onderneming verricht maar slechts of aannemelijk is dat X daadwerkelijk als leidinggevende werkzaamheden voor de ondernemingen (heeft) verricht.

5.4.4 Voor zover verzoeksters op grond van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht betogen dat verweerster geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval kan dat betoog naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen. Weliswaar heeft verweerster op grond van dit artikel de bevoegdheid af te wijken van het ter zake geldende beleid, echter verzoeksters hebben voor een geslaagd beroep hierop naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk weten te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden. In dat verband kan de voorzieningenrechter verzoeksters niet zonder meer volgen in hun stelling dat de omstandigheden van elke onderneming sterk van elkaar verschillen, aangezien zij ook hebben aangegeven dat de ondernemingen op dezelfde wijze zijn opgezet. Verzoeksters hebben geen argumenten aangevoerd die zouden meebrengen dat verweerster naar onderneming had moet differentiëren met betrekking tot de vraag of aannemelijk is dat X permanent en daadwerkelijk leiding geeft.

5.5 Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding bestaat.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2009.

w.g. M.A. Fierstra w.g. S.D.M. Michael


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature