< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bovenwettelijke uitkering. Suppletie-uitkering. Weigering verlaagde suppletie uit te betalen.

De bovenwettelijke uitkering als bedoeld in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BBWO), is gekoppeld aan de werkloosheidsuitkering. Nu eiser geen aanspraak had op een werkloosheidsuitkering, is ten onrechte een bovenwettelijke uitkering toegekend. Verweerder heeft het besluit tot toekenning terecht ingetrokken en de onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd.

De suppletieregeling neergelegd in het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BZA), heeft het karakter van een werkloosheidsregeling bij ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Eiser benutte zijn resterende verdienvermogen niet volledig, zodat hij in beginsel recht op suppletie had en op hem een sollicitatieplicht rustte. Verweerder heeft op juiste gronden besloten om in navolging van verlaging en blijvende gehele weigering van de werkloosheidsuitkering, voor de suppletie ook deze maatregelen op te leggen wegens het niet voldoen aan de sollicitatieplicht.

Verweerder heeft in het kader van de weigering om de verlaagde suppletie te betalen, een onjuiste uitleg gegeven aan artikel 29 BZA .

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 08/2716, 08/3795, 08/4066 en 08/4067 AW

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[eiser], wonende te [plaats],

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

I Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 december 2007 is de toekenning aan eiser van een bovenwettelijke uitkering naast de werkloosheidsuitkering ingetrokken.

Bij besluit van 5 maart 2008 heeft verweerder het door eiser bij brief van 2 januari 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, voorzover het is gericht tegen het besluit van 24 december 2007, en niet-ontvankelijk, voorzover het is gericht tegen terugvordering.

Bij besluit van 4 april 2008 heeft verweerder van eiser een bedrag van € 8.261,94 aan ontvangen bovenwettelijke uitkering teruggevorderd.

Bij twee besluiten van eveneens 4 april 2008 heeft verweerder de aanspraak van eiser op suppletie met ingang van 1 mei 2005 verlaagd, respectievelijk met ingang van 1 augustus 2005 blijvend en geheel geweigerd.

Tegen het besluit van 5 maart 2008 heeft eiser bij brief van 11 april 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum en van gronden voorzien bij brief van 16 april 2008, beroep ingesteld (reg.nr. AWB 08/2716 AW).

Bij besluiten van 19 mei 2008 heeft verweerder de door eiser bij brieven van 7 april 2008 gemaakte bezwaren tegen de drie besluiten van 4 april 2008, ongegrond verklaard.

Tegen de besluiten van 19 mei 2008 heeft eiser bij brieven van 20 mei 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum en van gronden voorzien bij brieven van 30 mei en 20 juni 2008, beroep ingesteld (reg.nr. AWB 08/3795 AW inzake terugvordering van de bovenwettelijke uitkering, reg.nr. AWB 08/4066 AW inzake verlaging van de suppletie, en reg.nr. AWB 08/4067 AW inzake blijvende en gehele weigering van de suppletie).

Verweerder heeft de op de vier zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brieven van 15 mei, 23 juni, 26 juni, 21 juli en 19 augustus 2008 verweerschriften ingediend.

Bij brieven van 27 april, 10 mei, 25 mei, 30 mei, 4 juli, 11 juli, 6 augustus, 31 augustus, 19 november en 7 december 2008 heeft eiser nadere stukken ingediend.

De zaak is op 23 december 2008 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder is met bericht niet verschenen.

II Motivering

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, werkzaam in het primair onderwijs, is in 2001 een WAO-uitkering toegekend wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Bij besluiten van 20 december 2002 is eiser met ingang van 1 januari 2002 een werkloosheidsuitkering en suppletie toegekend, alsmede met ingang van 16 februari 2007 (de datum waarop de suppletie zou eindigen) een bovenwettelijke uitkering.

Bij besluit van 4 mei 2005 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) de werkloosheidsuitkering van eiser wegens het niet voldoen aan de sollicitatieplicht met ingang van 1 mei 2005 voor de duur van 16 weken met 30% verlaagd. Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 juli 2005 ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit heeft eiser geen beroep ingesteld. Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft het UWV de werkloosheidsuitkering van eiser wegens het niet voldoen aan de sollicitatieplicht met ingang van 1 augustus 2005 blijvend geheel geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

Vanaf 1 mei 2005 is eiser geen suppletie meer betaald.

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het UWV aan eiser met ingang van 16 februari 2007 een bovenwettelijke uitkering toegekend. Vervolgens is eiser een bedrag van in totaal € 8.261,94 aan bovenwettelijke uitkering betaald.

In zijn brief van 9 november 2007 aan Loyalis Maatwerkadministraties B.V. - het orgaan dat nadien de in beroep bestreden besluiten namens verweerder heeft genomen - heeft eiser vermeld er niet van overtuigd te zijn dat de toekenning van de bovenwettelijke uitkering op juiste gronden berust, en dit al meerdere malen te hebben aangegeven. In de brief heeft hij er tevens op gewezen dat zijn resterende verdienvermogen volledig was ingevuld, zodat op hem geen sollicitatieplicht rustte. Hij heeft in de brief verzocht de suppletie alsnog te betalen.

Vervolgens heeft verweerder, zoals hiervoor onder I is vermeld, het besluit van 12 maart 2007 tot toekenning van de bovenwettelijke uitkering ingetrokken, het aan eiser betaalde bedrag aan bovenwettelijke uitkering teruggevorderd, de suppletie met ingang van 1 mei 2005 verlaagd, alsmede de suppletie met ingang van 1 augustus 2005 blijvend en geheel geweigerd. In het besluit tot verlaging van de suppletie is verwezen naar de verlaging van de werkloosheidsuitkering met 30% met ingang van 1 mei 2005; vervolgens is in het besluit vermeld dat aangezien het verplichtingen- en sanctieregiem van de Werkloosheidswet van toepassing is op de suppletie, over het werkloosheidsdeel van de suppletie ook een maatregel van 20% wordt opgelegd.

2. De standpunten van partijen komen, kort samengevat, op het volgende neer.

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat bij de beslissingen over zijn aanspraak op de verschillende uitkeringen, steeds weer fouten zijn gemaakt. Daartoe heeft hij allereerst gewezen op de betaling van de bovenwettelijke uitkering: eiser was degene die verweerder erop heeft gewezen dat hij geen aanspraak daarop had. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat nu verweerder desondanks bleef volharden in de toekenning van de uitkering, hij erop mocht vertrouwen dat de uitkering niet zou worden teruggevorderd. Eiser heeft daarnaast gewezen op de fouten gemaakt bij de vaststelling van zijn aanspraak op de werkloosheidsuitkering en thans de suppletie. Deze zijn volgens hem namelijk ten onrechte verlaagd, alsmede blijvend en geheel geweigerd, nu op hem geen sollicitatieplicht rustte omdat zijn resterende verdienvermogen volledig was benut. Tevens heeft eiser erop gewezen dat de suppletie ten onrechte niet is uitgekeerd, nu voorafgaand aan zijn verzoek om betaling geen besluiten zijn genomen tot korting dan wel blijvende en gehele weigering. Van een koppeling tussen werkloosheidsuitkering en suppletie is hij nooit op de hoogte gebracht. Volgens eiser is het niet redelijk dat de verantwoordelijkheid voor fouten bij hem wordt gelegd, terwijl hij juist degene is geweest die het UWV en verweerder telkens op die fouten heeft gewezen. Eiser heeft tevens aangevoerd dat de verschillende besluiten geen juiste weergave geven van zijn bezwaren, noch van zijn standpunt over de hoorzitting en de daarop volgende handelwijze van verweerder.

Verweerder heeft in de beroepsprocedure erkend dat bij de toekenning van de bovenwettelijke uitkering op 12 maart 2007 fouten zijn gemaakt en dat eiser daarvan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Volgens verweerder staat dat echter niet in de weg aan intrekking en terugvordering van de bovenwettelijke uitkering. Wat betreft de suppletie heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het eiser redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat verlaging, alsmede blijvende en gehele weigering van de werkloosheidsuitkering ook gevolgen zouden hebben voor de suppletie. Daarbij heeft verweerder betoogd dat het onmiskenbaar is dat in het besluit van 4 april 2008 is bedoeld een maatregel van 30% op te leggen in plaats van de daarin vermelde 20%. Eiser wordt hierdoor volgens verweerder niet benadeeld, nu bij vermindering van de suppletie deze geacht wordt te zijn genoten en in beide gevallen niet behoefde te worden uitbetaald.

3. In beroep staan ter beoordeling twee besluiten over de bovenwettelijke uitkering, namelijk de intrekking van het toekenningsbesluit en de terugvordering van het betaalde bedrag, en twee besluiten over de suppletie, namelijk - kort weergegeven - de verlaging alsmede de blijvende en gehele weigering.

3.1 Verweerders weergave van bezwaren en standpunt inzake hoorzitting

Hetgeen eiser in alle beroepen naar voren heeft gebracht, is dat verweerder naar zijn mening zijn bezwaren en de gang van zaken rond de hoorzitting - die uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden - onjuist heeft weergegeven. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de weergave niet blijkt dat het beeld bij verweerder van de bezwaren van eiser en zijn standpunten inzake de hoorzitting zodanig was dat dit tot onjuiste besluiten heeft geleid. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.

3.2 Intrekking van de bovenwettelijke uitkering

Ter beoordeling staat of verweerder het besluit van 24 december 2007 tot intrekking van het besluit van 12 maart 2007 waarbij eiser een bovenwettelijke uitkering is toegekend, terecht in stand heeft gelaten.

Uit artikel 8 van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (hierna: BBWO), zoals dit op 12 maart 2007 luidde, volgt dat de bovenwettelijke uitkering is gekoppeld aan de werkloosheidsuitkering. Vastgesteld moet worden dat eiser tegen het besluit van 20 oktober 2005 tot blijvende en gehele weigering van de werkloosheidsuitkering geen bezwaar heeft gemaakt. Dat eiser destijds meende dat bezwaar geen effect zou sorteren, omdat hij het UWV zijn situatie al meerdere malen had uitgelegd, doet er niet aan af dat nu hij geen bezwaar heeft gemaakt, het besluit van 20 oktober 2005 formele rechtskracht heeft. Nu eiser geen aanspraak had op een werkloosheidsuitkering, had hij met ingang van 16 februari 2007 ook geen aanspraak op een bovenwettelijke uitkering en is deze hem bij het besluit van 12 maart 2007 ten onrechte toegekend. Niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 22a, tweede lid, van de Werkloosheidswet (hierna: WW) om af te zien van intrekking. Gelet hierop heeft verweerder het besluit tot toekenning aan eiser terecht ingetrokken.

Het beroep tegen het besluit van 5 maart 2008 tot ongegrondverklaring van het bezwaar gericht tegen de intrekking van het besluit tot toekenning van de bovenwettelijke uitkering kan daarom niet slagen.

3.3 Terugvordering van de bovenwettelijke uitkering

In geschil is of verweerder het besluit van 4 april 2008 tot terugvordering van de ten onrechte betaalde bovenwettelijke uitkering bij het besluit van 19 mei 2008 terecht heeft gehandhaafd.

Vastgesteld moet worden dat, nu het totale bedrag aan bovenwettelijke uitkering onverschuldigd is betaald, verweerder op grond van artikel 36, eerste lid, WW - dat ingevolge artikel 11, eerste lid, BBWO van overeenkomstige toepassing is op de bovenwettelijke uitkering - gehouden was dit terug te vorderen. Het betoog van eiser dat verweerder heeft nagelaten om een concrete datum te bepalen met ingang waarvan de bovenwettelijke uitkering is ingetrokken, kan niet slagen. Met de intrekking van het besluit tot toekenning van 12 maart 2007 is duidelijk dat de bovenwettelijke uitkering reeds vanaf die datum onverschuldigd is betaald.

Voor het aannemen van dringende redenen als bedoeld in artikel 36, vierde lid WW op grond waarvan verweerder had moeten besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, ziet de rechtbank geen ruimte. Van dringende redenen kan slechts worden gesproken als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties heeft voor de betrokkene. Daarvan is niet gebleken. De fouten die, zoals verweerder heeft erkend, zijn gemaakt bij de toekenning van de bovenwettelijke uitkering kunnen er niet toe leiden dat van terugvordering wordt afgezien. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat daarbij niet van belang is dat eiser zelf verweerder op de onverschuldigdheid van de betaling heeft gewezen en door de terugvordering het gevoel heeft als het ware te worden gestraft voor zijn eerlijkheid. In dit verband overweegt de rechtbank dat de bevoegdheid van verweerder om het ten onrechte betaalde terug te vorderen, zijn grondslag vindt in het algemeen rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald, mag worden teruggevorderd. Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan een bestuursorgaan overgaan tot terugvordering van het teveel betaalde in beginsel gedurende twee jaren na de dag van de uitbetaling, indien de belanghebbende ten tijde van de betaling wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij teveel ontving (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2006, www.rechtspraak.nl, LJN: AY8132). Dat eiser wist dat de bovenwettelijke uitkering hem ten onrechte werd betaald, maakt dus juist dat hij er niet op kon vertrouwen dat die betaling niet zou worden teruggevorderd.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de bezwaren van eiser tegen de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bovenwettelijke uitkering terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep tegen het besluit van 19 mei 2008 tot ongegrondverklaring van het bezwaar gericht tegen de terugvordering dient daarom ongegrond te worden verklaard.

3.4 Korting, alsmede blijvende en gehele weigering van de suppletie

3.4.1 De twee besluiten inzake de suppletie zijn gebaseerd op de vaststelling door verweerder dat eiser niet heeft voldaan aan een op hem rustende sollicitatieplicht. Uit de stukken blijkt dat verweerder met deze besluiten mede heeft beoogd het verzoek van eiser van 7 november 2007 tot nabetaling van de suppletie af te wijzen.

3.4.2 Wat betreft de door eiser betwiste sollicitatieplicht overweegt de rechtbank als volgt.

Vastgesteld moet worden dat de suppletieregeling het karakter van een werkloosheidsregeling heeft die door de voormalige overheidswerkgever wordt toegekend aan overheidswerknemers die op grond van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zijn ontslagen. Dit blijkt onder meer uit artikel 21, eerste lid, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (hierna: BZA), zoals dat destijds luidde, waarin is vermeld dat, met uitzondering van degene, die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in één of meer aangehouden betrekkingen, de betrokkene recht heeft op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken.

De rechtbank gaat er met verweerder vanuit dat eiser zijn resterende verdienvermogen niet volledig benutte, op grond waarvan eiser - in beginsel - recht op suppletie had. Het betoog van eiser dat hij zijn resterende verdienvermogen wel volledig had benut, kan eiser niet baten, nu daaruit zou moeten worden afgeleid dat eiser zonder meer geen recht op suppletie had. Er aldus van uitgaande dat eiser zijn resterende verdienvermogen niet volledig benutte, rustte op hem de plicht van artikel 22, eerste lid, BZA , in samenhang gelezen met artikel 24 WW te voorkomen dat hij werkloos bleef doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Onbetwist is dat eiser aan deze sollicitatieplicht niet heeft voldaan.

3.4.3 De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 22a, tweede lid, WW om, ondanks de schending van de sollicitatieplicht, af te zien van het treffen van maatregelen.

Ook ziet de rechtbank in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, geen toezegging door verweerder dat de suppletie tot uitkering zou komen. Uit de door eiser genoemde brieven, waarin de ophanden zijnde beëindiging van de suppletie per 16 februari 2007 is vermeld, kan namelijk niet worden afgeleid dat deze - die sinds 1 mei 2005 niet meer was uitgekeerd - alsnog zou worden betaald. De door eiser gestelde telefonische uitlating van een medewerker van verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin als een toezegging worden aangemerkt, reeds omdat de uitlating niet uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd was.

Dat verweerder pas na het verzoek van eiser om betaling van de suppletie heeft besloten tot verlaging, alsmede blijvende en gehele weigering van de suppletie, staat aan die besluiten niet in de weg. Hoewel eiser moet worden toegegeven dat het op de weg van verweerder had gelegen om destijds het niet betalen van de suppletie per 1 mei 2005 neer te leggen in een besluit, moet tevens worden vastgesteld dat eiser eerst bij brief van 7 november 2007 heeft verzocht om nabetaling. In het kader van het nemen van een beslissing op dat verzoek diende verweerder te beoordelen of eiser destijds recht had op de suppletie en kon verweerder in dat kader vanwege het destijds niet voldoen aan de sollicitatieplicht de maatregelen alsnog opleggen.

3.4.4 Voor de ingangsdatum en de aard van de op te leggen maatregelen wegens het niet voldoen aan de sollicitatieplicht heeft verweerder, zo blijkt onder meer uit het verweerschrift, aansluiting gezocht bij de maatregelen die het UWV terzake van de werkloosheidsuitkering heeft getroffen.

In de nota van toelichting bij het BZA is vermeld dat nu de suppletieregeling moet worden aangemerkt als een werkloosheidsregeling sui generis, ten aanzien van deze regeling een verplichtingen- en sanctieregiem geldt dat het verplichtingen- en sanctieregiem van de Werkloosheidswet volgt (Stb. 1995, 703, blz. 61). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder, nu eiser niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht, op juiste gronden heeft besloten om, in navolging van verlaging en daaropvolgend blijvende en gehele weigering van de werkloosheidsuitkering, voor de suppletie ook deze maatregelen op te leggen, met dezelfde ingangsdata. Daarbij moet wel worden vastgesteld dat verweerder bij het besluit van 4 april 2008 de suppletie met 20% en niet met 30% heeft verlaagd. Weliswaar is in het besluit verwezen naar de verlaging van de werkloosheidsuitkering met 30%, maar de rechtbank acht dit onvoldoende om de vermelde 20% als een kennelijke verschrijving aan te merken.

3.4.5 Over de weigering om suppletie te betalen voor de periode van 1 mei 2005 (de ingangsdatum van de verlaging) tot 1 augustus 2005 (de ingangsdatum van de blijvende en gehele weigering) oordeelt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in het kader van de weigering om de verlaagde suppletie te betalen, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 29 BZA .

In artikel 27 BZA , zoals dit destijds luidde en voorzover hier van belang, is bepaald dat indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie een werkloosheidsuitkering ontvangt, het bedrag van genoemde uitkering in mindering wordt gebracht op het bedrag van de suppletie. In artikel 29 BZA , zoals dat destijds luidde en voorzover hier van belang, is bepaald dat voor de toepassing van artikel 27 uitkeringen steeds geacht worden onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, een werkloosheidsuitkering waarop betrokkene recht heeft vermindering ondergaat.

Anders dan verweerder heeft gemeend, moet uit de tekst van artikelen 27 en 29 BZA worden opgemaakt dat de suppletie niet moet worden begrepen onder het in artikel 29 genoemde begrip 'uitkeringen'. Met artikel 29 is beoogd te voorkomen dat de suppletie - waarop het bedrag van de werkloosheidsuitkering ingevolge artikel 27 in mindering wordt gebracht - bij verlaging van de werkloosheidsuitkering niet ertoe leidt dat het bedrag van de suppletie zodanig wordt verhoogd dat het totale door betrokkene te ontvangen bedrag gelijk blijft. Dit wordt bevestigd in de nota van toelichting bij het BZA waar is vermeld dat in artikel 29 is bepaald dat de suppletiegarantie niet het effect compenseert van sancties in betrokkenes wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen die het gevolg zijn van zijn handelingen of zijn nalaten van handelingen (Stb. 1995, 705, blz. 64).

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de weigering om de suppletie voor de periode van 1 mei 2005 tot 1 augustus 2005 te betalen ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 29 BZA. Het besluit van 19 mei 2008 inzake de verlaging van de suppletie is aldus in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb dat bepaalt dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het besluit van 19 mei 2008 dat betrekking heeft op de verlaging van de suppletie dient daarom te worden vernietigd voorzover daarbij de weigering om voor de periode van 1 mei 2005 tot 1 augustus 2005 de verlaagde suppletie uit te betalen, in stand is gelaten.

4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep met reg.nr. AWB 08/4066 AW gegrond en de overige beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

De rechtbank zal het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding voor immateriële schade op grond van artikel 8:73 Awb afwijzen. Wat betreft de beroepen met reg.nrs. AWB 08/2716, 08/3795 en 08/4067 AW overweegt de rechtbank dat artikel 8:73 Awb alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid biedt een partij te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. Wat betreft het beroep met reg.nr. AWB 08/4066 AW overweegt de rechtbank dat de gestelde schade in zodanig verband moet staan met het vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Nog los van het feit dat verweerder een nieuw besluit over de betaling van de verlaagde suppletie zal moeten nemen en het dus nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden, is onvoldoende aannemelijk dat de door eiser gestelde spanning en frustratie is veroorzaakt door de weigering om de verlaagde suppletie voor de drie maanden die in geschil zijn, te betalen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiser eerst bij brief van 9 november 2007 heeft verzocht om betaling en de daarop volgende procedures binnen redelijke termijnen zijn doorlopen.

Van proceskosten die in aanmerking komen voor vergoeding is niet gebleken.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

-verklaart het beroep met reg.nr. AWB 08/4066 AW gegrond;

-vernietigt het besluit van 19 mei 2008 waarbij de bezwaren tegen de verlaging van de suppletie ongegrond zijn verklaard, voorzover verweerder daarbij heeft geweigerd om de met 20% verlaagde suppletie voor de periode van 1 mei 2005 tot 1 augustus 2005 aan eiser te betalen;

-draagt verweerder op in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-verklaart de beroepen met reg.nrs. AWB 08/2716, 08/3795 en 08/4067 AW ongegrond;

-bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 145,--, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.B.L. van der Weele en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2009, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. de Graaf.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature