< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/1000 30 december 2008

40000 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Uitspraak in de zaak van:

Firma A, te B, appellante,

gemachtigde: ir. J.C.M. de Koning, werkzaam bij LTB Adviseurs en Accountants B.V. te Zoetermeer,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. C. Cromheecke en mr. J. van Essen, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 20 december 2007, bij het College binnengekomen op 21 december 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 november 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 juli 2007 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van appellante in het kader van de Beleidsregels kostenvergoeding subsidie milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 (hierna: de Beleidsregels) afgewezen.

Bij brief van 29 januari 2008 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 26 februari 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 27 augustus 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Namens appellante is tevens verschenen C.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Beleidsregels luiden voor zover thans relevant, als volgt:

"Artikel 2

1. De Minister kent een kostenvergoeding toe aan een verzoeker die:

a. voor 18 augustus 2006 geen aanvraag voor MEP-subsidie voor die productie-installatie heeft ingediend als waarvoor hij een verzoek tot kostenvergoeding indient;

b. voor 18 augustus 2006 de voor de aanvraag van de MEP-subsidie benodigde vergunningen heeft aangevraagd; c. redelijkerwijs tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 een volledig ingevuld aanvraagformulier met alle benodigde bijlagen als bedoeld in artikel 15 van de Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie had kunnen indienen, en

d. op basis van deze aanvraag, uitgaande van de regels zoals deze golden voor 18 augustus 2006, MEP-subsidie van meer dan € 0,00 had kunnen krijgen.

(…)

Artikel 3

1. Kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien het directe kosten betreffen die de verzoeker noodzakelijkerwijs voor 18 augustus 2006 heeft gemaakt en betaald aan derden om voor 1 januari 2007 MEP-subsidie aan te vragen, voor zover deze kosten redelijk zijn. (…) 3. Onder directe kosten worden onder meer verstaan:

a. kosten die noodzakelijkerwijs zijn gemaakt voor het aanvragen van vergunningen die overgelegd moeten worden bij de aanvraag om MEP-subsidie, zoals leges en advieskosten voor onderzoeken die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van deze vergunningen;

(…)

4. Onder directe kosten worden niet verstaan de kosten die niet noodzakelijkerwijs zijn gemaakt voor het aanvragen van de MEP-subsidie, zoals kosten die zijn verbonden aan de realisatie van de productie-installatie.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 22 januari 2007 heeft appellante verweerder verzocht om een kostenvergoeding in het kader van de Beleidsregels.

- Bij formulier gedateerd 7 februari 2007, bij verweerder ingekomen op 7 maart 2007, heeft appellante een aanvraag om kostenvergoeding in het kader van de Beleidsregels ingediend.

- Bij besluit van 12 juni 2007 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft aan deze afwijzing ten grondslag gelegd dat de opgegeven kosten niet noodzakelijkerwijs zijn gemaakt, hetgeen wordt vereist door artikel 3, derde lid, onder a, van de Beleidsregels. Verweerder ging er hierbij vanuit dat er geen milieuvergunning was vereist voor het project, zodat de met de aanvraag van een milieuvergunning gemoeide kosten niet noodzakelijk zijn voor het aanvragen van de MEP-subsidie en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komen.

- Bij brief van 26 juni 2007 heeft verweerder appellante verzocht de aanvraag nader toe te lichten.

- Bij op 6 juli 2007 bij verweerder ingekomen brief heeft appellante hierop gereageerd.

- Op 10 juli 2007 heeft appellante aan verweerder desgevraagd bericht dat zij nooit officieel een milieuvergunning heeft aangevraagd.

- Bij besluit van 25 juli 2007 heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat inmiddels was gebleken dat EnerQ, hoewel hier geen wettelijke basis voor is, in de praktijk wel een milieuvergunning eiste. Aan de afwijzing is ditmaal ten grondslag gelegd dat vóór 18 augustus 2006 alleen een voorlopige aanvraag voor de milieuvergunning was ingediend. Derhalve had appellante volgens verweerder niet tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 een volledig ingevuld aanvraagformulier met alle benodigde bijlagen kunnen indienen en is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van de Beleidsregels.

- Bij brief van 3 september 2007 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 16 oktober 2007 heeft in het kader van de bezwaarschriftprocedure een hoorzitting plaatsgevonden. Van het horen is een verslag gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder – samengevat weergegeven – het volgende overwogen.

Uit informatie die verweerder van appellante heeft ontvangen, blijkt dat appellante op 24 juli 2006 een conceptaanvraag voor een milieuvergunning naar de gemeente Westland heeft gezonden, en dat de definitieve aanvraag op 28 augustus 2006 bij de gemeente zou worden ingediend. Appellante heeft een planning bijgevoegd waaruit zou moeten blijken dat zowel de milieu- als de bouwvergunning voor 1 januari 2007 had kunnen worden verleend waardoor appellante onder normale omstandigheden redelijkerwijs voor 1 januari 2007 MEP-subsidie had kunnen aanvragen.

Zelfs als appellante voor 1 januari 2007 een MEP-aanvraag had kunnen indienen, geldt dat de aanvraag voor zowel de milieuvergunning als de bouwvergunning niet voor 18 augustus 2006 is ingediend. De aanvraag bouwvergunning zou op 21 augustus 2006 worden ingediend. Om in aanmerking te komen voor een kostenvergoeding dienen alle benodigde vergunningen voor 18 augustus 2008 te zijn aangevraagd. Appellante voldoet derhalve niet aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Beleidsregels.

Nu het bezwaar van appellante ongegrond is verklaard, komt zij niet in aanmerking voor een vergoeding van kosten op grond van artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.

Het argument voor het niet toekennen van de vergoeding is dat de aanvragen voor de benodigde vergunningen niet vóór 18 augustus 2006 zijn ingediend. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat de benodigde vergunningen tijdig afgegeven hadden kunnen worden, zodat de aanvraag om MEP-subsidie in 2007 had kunnen worden ingediend. Op 24 juli 2006 werd op advies van de gemeente Westland gekozen voor het elektronisch indienen van een aanvraag om een milieuvergunning. Bij de afwijzing van het bezwaar is een rechtsongelijkheid ontstaan. Appellante kon op 24 juli 2006 en op 16 augustus 2006 niet weten dat de MEP-regeling voor dit type installaties op 18 augustus 2006 zou worden gesloten. De zinsnede in het bestreden besluit dat het een eigen keuze van appellante is geweest om eerst een concept-aanvraag milieuvergunning te doen en te wachten met de definitieve aanvraag, is om die reden niet relevant. Als appellante en haar adviseurs voorkennis hadden gehad dat de subsidieregeling zou wijzigen, was het vanzelfsprekend geweest dat de vergunningaanvraag op tijd was ingediend op het gemeentekantoor.

Appellante verzoekt voorts om een vergoeding van de kosten gemaakt in de bezwaarfase op grond van artikel 7:15 juncto 8:75 Awb. Ter zitting is dit verzoek nader gemotiveerd door er op te wijzen dat verweerder in zijn beslissing op bezwaar artikel 2, eerste lid, onder b, van de Beleidsregels ten grondslag heeft gelegd aan zijn afwijzing, waar in het besluit van 25 juli 2007 artikel 2, eerste lid, onder c, van de Beleidsregels werd genoemd.

Ter zitting heeft appellante betoogd dat een bouwvergunning voor het onderhavige project niet was vereist.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is in geschil of appellante voldoet aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b en c, van de Beleidsregels, waarin cumulatieve eisen zijn gesteld voor de verkrijging van een kostenvergoeding. Het College overweegt hieromtrent als volgt.

5.2 Voor het College staat vast dat de op 24 juli 2006 door appellante bij de gemeente Westland elektronisch ingediende aanvraag een conceptaanvraag is en geen definitieve aanvraag om een milieuvergunning. Dit blijkt zowel uit de grote, schuin weergegeven letters op alle pagina’s van de aanvraag waarin is aangegeven dat het om een concept gaat, als uit de tekst van het begeleidende e-mailbericht. Naar het oordeel van het College is deze conceptaanvraag niet als een in voldoende mate geconcretiseerde vergunningsaanvraag aan te merken. Het College baseert die conclusie mede op het e-mailbericht dat door appellante op de door haar genoemde datum van 16 augustus 2006 is ontvangen van de gemeente Westland. Hierin is gewezen op een groot aantal punten waarop de conceptaanvraag diende te worden aangepast. Hierbij is tevens geadviseerd te wachten met de indiening van een definitieve aanvraag, omdat mogelijkerwijs na bespreking met de bij de gemeente ter zake kundige zou blijken dat nog nadere vragen gesteld zouden kunnen worden of nog aanvullende informatie nodig zou zijn.

Hieruit volgt dat appellante niet heeft voldaan aan artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels, waarin is bepaald dat een verzoeker om in aanmerking te komen voor een kostenvergoeding voor 18 augustus 2006 de voor de aanvraag van de MEP-subsidie benodigde vergunningen heeft aangevraagd. Dat appellante heeft besloten te wachten met de indiening van de definitieve aanvraag voor een milieuvergunning na overleg met en op aanraden van de gemeente Westland kan niet afdoen aan de eenduidige tekst van voornoemde bepaling.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel, dat zij motiveert door aan te geven dat zij de aanvraag om een milieuvergunning eerder zou hebben ingediend indien zij op de hoogte zou zijn geweest van de sluiting van de MEP-regeling op 18 augustus 2008, kan niet slagen. Haar situatie wijkt op dit punt immers niet af van die van andere (potentiële) producenten van duurzame elektriciteit, die evenmin wisten dat op 18 augustus 2006 de MEP-subsidie op nihil zou worden gesteld.

Nu vaststaat dat de aanvraag voor de vereiste milieuvergunning niet tijdig is ingediend en derhalve niet aan artikel 2, eerste lid, onder b, van de Beleidsregels is voldaan, kan buiten beschouwing blijven of appellante gehouden was tot het aanvragen van een bouwvergunning. Evenmin behoeft te worden ingegaan op de vraag of appellante overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder c, van de Beleidsregels redelijkerwijs tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 een volledig ingevuld aanvraagformulier met alle benodigde bijlagen had kunnen indienen.

5.3 Appellante komt niet in aanmerking voor een vergoeding voor door haar in de bezwaarfase gemaakte kosten. In afwijking van hetgeen door artikel 7:15, tweede lid, Awb wordt vereist, is geen sprake geweest van een herroeping van enig besluit door verweerder. In reactie op hetgeen door appellante ter zake is aangevoerd, merkt het College op dat verweerder – hoewel hij in het besluit op bezwaar en het besluit van 25 juli 2007 een verschillende wettelijke grondslag voor zijn beslissing heeft genoemd – in beide gevallen zijn beslissing heeft doen steunen op het feit dat niet tijdig een aanvraag om milieuvergunning was ingediend.

5.4 Gelet op het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. H.O. Kerkmeester en mr. F.H.M. Possen, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 december 2008.

w.g. C.M. Wolters w.g. E. van Kerkhoven


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature