Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Heffing

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/108 26 november 2008

4000 Heffing

Uitspraak in de zaak van:

Timmerhuis Special Products B.V. (voorheen: Timmerhuis Veevoeders B.V.), gevestigd te Geesteren, appellante,

gemachtigde: J.G. Tibbe, werkzaam bij appellante,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M.J. Kloppenburg, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 21 februari 2007, bij het College binnengekomen op 22 februari 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 februari 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de in verband met de uitvoer van varkens over 2003 en 2004 opgelegde naheffingen.

Bij brief van 2 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 17 september 2008 heeft appellante schriftelijk op het verweerschrift gereageerd.

Op 30 september 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij gemachtigden het standpunt van partijen hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Instellingsverordening Productschap Vee en Vlees 1999-I van de Sociaal-Economische Raad vermeldt – voor zover van belang – in artikel 3 het volgende.

“ 1. Er is een Productschap Vee en Vlees.

2. Het Productschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin:

(…)

d. de handel – met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel – wordt uitgeoefend (…) in vee dan wel in vlees, andere delen van vee of daaruit verkregen producten welke, al dan niet na be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen, met uitzondering van gesmolten vet;

(…)”

Deze Instellingsverordening is vervangen door het Instellingsbesluit Productschap Vee en Vlees van 15 maart 2004. In het Instellingsbesluit wordt, voor zover thans van belang en in afwijking van hetgeen voordien in de Instellingsverordening was bepaald, onder meer vermeld:

"Artikel 3

1. Er is een Productschap Vee en Vlees.

2. Het productschap is ingesteld voor ondernemingen waarin:

(…)

f. de handel wordt uitgeoefend in vee dan wel vlees, andere delen van vee of daaruit verkregen producten welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, tot menselijk voedsel kunnen dienen, met uitzondering van gesmolten vet;

(…)"

De in de onderhavige procedure betreffende naheffingen zijn voor wat betreft het jaar 2003 opgelegd op grond van de volgende heffingsverordeningen:

- Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003;

- Heffingsverordening varkensfonds-rekening-A 2003;

- Heffingsverordening varkensfonds-rekening-B 2003;

- Heffingsverordening o. en o.-fonds 2003;

- Verordening basisheffing veeziektenfonds PVV 2003;

- Heffingsverordening propagandafonds 2003.

De in de onderhavige procedure betreffende naheffingen zijn voor wat betreft het jaar 2004 opgelegd op grond van de volgende heffingsverordeningen:

- Verordening huishoudelijke heffing dieren (PVV) 2004;

- Heffingsverordening varkensfonds-rekening-A (PVV) 2004;

- Heffingsverordening varkensfonds-rekening-B (PVV) 2004;

- Heffingsverordening o. en o.-fonds (PVV) 2004;

- Verordening basisheffing veeziektenfonds (PVV) 2004;

- Heffingsverordening promotiefonds (vlees) (PVV) 2004.

De Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 - zoals die luidt na de Verordening tot wijziging huishoudelijke heffing dieren 2003 (2003-I) - bepaalt het volgende:

“Artikel 1

(…)

2. (…)

b. handelsverkeer: handelsverkeer tussen Lid-Staten in de zin van artikel 9, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap;

(…)

Artikel 2

1.a. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift, is de ondernemer, die in het jaar 2003 één of meer dieren slacht of doet slachten, dan wel uitvoert aan het productschap ter dekking van zijn huishoudelijke uitgaven over die dieren per dier en per diersoort een heffing verschuldigd volgens het navolgende tarief:

(…)

5. Als ondernemer, die uitvoert als bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt degene die een of meer dieren

- in het handelsverkeer brengt, danwel

- naar derde landen uitvoert, danwel

- aflevert aan een (rechts)persoon wiens bedrijf niet in Nederland is gevestigd, ongeacht of de ontvangst van die dieren door deze (rechts-) persoon al dan niet in Nederland plaatsvindt.

(…)”

Artikel 1, tweede lid onder b en artikel 2, eerste en tweede lid, van de Verordening huishoudelijke heffing dieren (PVV) 2004 zijn – voor zover hier van belang – gelijkluidend aan de hierboven geciteerde artikelen van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 .

In de overige hiervoor opgesomde heffingsverordeningen wordt bepaald dat de heffing waarop de betreffende verordening ziet, op de voet van artikel 2 van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 respectievelijk Verordening huishoudelijke heffing dieren (PVV) 2004 is verschuldigd.

2.1 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 juli 2005 is bij appellante een controle uitgevoerd op de juistheid en volledigheid van de opgave en afdracht van PVV-heffingen over een deel van het jaar 2003 en het jaar 2004.

- Bij die controle is geconstateerd dat appellante varkens heeft verkocht aan Udema Vlees B.V. te Holten (hierna: Udema) en dat daarvan een aantal varkens, te weten 3228 varkens in 2003 en 2545 varkens in 2004, door appellante rechtstreeks zijn geleverd aan adressen in Duitsland.

- Bij brief van 16 augustus 2005 heeft verweerder appellante van de resultaten van de controle in kennis gesteld en meegedeeld dat voor de uitvoer van deze varkens naheffingen zullen volgen.

- Bij brief van 17 augustus 2005 heeft appellante haar zienswijze hieromtrent gegeven.

- Bij facturen van 1 september 2005 heeft verweerder aan appellante naheffingen opgelegd in verband met de voormelde uitvoer van varkens ten bedrage van € 3131,16 over het jaar 2003 en € 2468,65 over het jaar 2004.

- Bij brief van 2 september 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen deze naheffingen.

- Nadat de Externe bezwaarschriftencommissie PVV (hierna: bezwaarschriftencommissie) advies heeft uitgebracht aan verweerder, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit, in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie en op de gronden genoemd in dat advies, het bezwaar tegen de facturen van 1 september 2005 ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Appellante is een ondernemer die handelt in varkens en drijft derhalve een onderneming waarvoor verweerder is ingesteld. Verweerder is bevoegd om ten aanzien van ondernemingen waarvoor hij is ingesteld, heffingen op te leggen. Bij uitvoer is van belang wie verantwoordelijk is voor de uitvoer van dieren. Degene die daadwerkelijk de uitvoer van de dieren verzorgt, wordt - indien deze een onderneming drijft waarvoor verweerder is ingesteld - door verweerder aangemerkt als de heffingsplichtige ondernemer. Die ondernemer is de “laatste Nederlandse schakel”. Het gaat dan niet om een transporteur, aangezien een transporteur geen ondernemer is die een onderneming drijft waarvoor verweerder is ingesteld. Ingeval de transporteur in opdracht van een Nederlandse ondernemer dieren uitvoert, is de opdrachtgever, indien deze een onderneming drijft waarvoor verweerder is ingesteld, de ondernemer aan wie verweerder de heffing oplegt. Appellante is echter niet slechts transporteur, maar ook een onderneming waarvoor verweerder is ingesteld. Onder die omstandigheden is degene die zorgdraagt voor het daadwerkelijk uitvoeren van de varkens aan te merken als “laatste Nederlandse schakel”; die heeft de varkens “in het handelsverkeer” gebracht. De privaatrechtelijke verhouding tussen appellante en haar opdrachtgever brengt daar geen verandering in.

In het verweerschrift is hier nog het volgende aan toegevoegd.

De wijze waarop de omzetbelasting wordt afgedragen, heeft geen invloed op de heffingsplicht van appellante. Slechts bepalend is wie daadwerkelijk en blijkbaar de uitvoer van levende dieren uit Nederland heeft verzorgd. Dat de leveringen niet zijn opgegeven als intracommunautaire leveringen komt doordat de varkens niet door appellante zijn verkocht aan een onderneming gevestigd in het buitenland. De varkens werden in Duitsland geslacht en vervolgens door Udema opgehaald en terug naar Nederland vervoerd. De geldstroom en de daarmee gepaard gaande afdracht van de omzetbelasting heeft alleen binnen Nederland plaatsgevonden. Het ontbreken van de opgave van een intracommunautaire levering doet dus niets af aan het feit dat appellante een heffingsplichtige activiteit heeft verricht.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Zij heeft de varkens aan Udema verkocht en op verzoek van Udema de varkens afgeleverd bij onder meer Duitse slachterijen. De afspraken zijn gemaakt met Udema en ook heeft zij een Nederlandse afrekening met BTW gekregen. Er bestond geen enkele relatie met de slachterijen in Duitsland. De export komt geheel voor rekening en risico van Udema. Ook hoefde appellante deze leveringen met de aangifte omzetbelasting niet op te geven bij de “intracommunautaire leveringen”. Er is een wezenlijk andere situatie dan de gevallen waarin appellante zelf de varkens voor eigen rekening en risico exporteert, hetgeen zij ook heeft gedaan en van welke export zij ook opgave heeft gedaan.

5. De beoordeling van het geschil

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting kan als vaststaand worden aangenomen dat appellante de betreffende varkens heeft verkocht aan Udema en daarna voor Udema het feitelijk vervoer van deze varkens naar Duitse slachterijen heeft verzorgd. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting bevestigd dat deze feiten niet in geschil zijn.

Verweerder heeft op grond van deze feiten de conclusie getrokken dat appellante kan worden aangemerkt als de ondernemer die de varkens heeft uitgevoerd in de zin van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 en de Verordening huishoudelijke heffing dieren (PVV) 2004. Het verschil met een transporteur die feitelijk dezelfde handelingen verricht als appellante in de onderhavige zaak, is volgens verweerder - zo begrijpt het College - gelegen in de omstandigheid dat appellante een onderneming drijft waarvoor verweerder is ingesteld.

Het College is van oordeel dat verweerder appellante met betrekking tot de betrokken 5773 varkens ten onrechte als ondernemer die uitvoert in de zin van de Verordening huishoudelijke heffing dieren 2003 en de Verordening huishoudelijke heffing dieren (PVV) 2004 heeft aangemerkt. Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat appellante deze varkens aan de Nederlandse ondernemer Udema heeft verkocht en appellante na deze verkoop voor Udema het transport naar Duitsland heeft verzorgd. Nu appellante voor het in opdracht van Udema verrichte vervoer van deze varkens naar Duitsland aldus als transporteur is opgetreden en het verrichten van transport geen heffingsplichtige activiteit betreft, had verweerder de naheffingen niet aan appellante mogen opleggen. Het enkele feit dat appellante naast het transporteren van vee ook handel drijft in vee en op grond van laatstgenoemde activiteit een onderneming heeft waarvoor verweerder is ingesteld, betekent niet dat appellante voor het door haar in opdracht van Udema verrichte transport van de betrokken 5773 varkens heffingsplichtig is.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat de feiten in de onderhavige zaak niet in geschil zijn en vaststaan, kan verweerder op grond van hetgeen in de voorgaande alinea is overwogen niet anders doen dan overgaan tot het gegrond verklaren van het bezwaar en het herroepen van de primaire besluiten. Het College ziet hierin aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen de besluiten van 1 september 2005 gegrond te verklaren en deze besluiten te herroepen.

Het College is niet gebleken van kosten die met toepassing van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 1 september 2005 (factuurnummer 64673 en factuurnummer

64674) gegrond en herroept deze besluiten;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,= (zegge:

tweehonderdenvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2008.

w.g. mr. W.E. Doolaard w.g. mr. I.C. Hof


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature