< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Dienstongeval en aansprakelijkheid werkgever, weigering van aansprakelijkheid op grond van schending zorgplicht. Beroep ongegrond verklaard. Onvoldoende zorgvuldige voorbereiding wegens onvoldoende onderzoek naar toedracht van ongeval.

Motiveringsgebrek wegens nalaten besluit te nemen over schadevergoeding voortvloeiend uit rechtspositionele voorschriften als het Barp, zoals meermalen door eiser gevraagd. Termijn gesteld voor nieuw te nemen besluit.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 08 / 500

Uitspraak van de meervoudige kamer

in het geding tussen

[naam ],

wonend te Vlissingen, eiser,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 22 februari 2008

Kenmerk: 07LZB01465

1. Procesverloop

Tegen het bestreden besluit heeft eiser bij brief van 31 maart 2008 beroep ingesteld. Bij brief van 15 mei 2008 heeft eiser vier producties bij het beroepschrift overgelegd. Bij brief van 16 oktober 2008 heeft eiser het beroep aangevuld en een verzoek gedaan tot het houden van een medische expertise. Bij brief van 17 oktober 2008 heeft eiser nog een productie overgelegd. Bij brief van 24 oktober 2008 heeft eiser een brief van een arts overgelegd.

Verweerder heeft ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en tevens een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 17 oktober 2008 en 20 oktober 2008 heeft verweerder het verweerschrift aangevuld en producties overgelegd.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 28 oktober 2008, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde R.M.W.H. Bedaux, advocaat te Heerlen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door B.F.Th. de Moor, advocaat te Middelburg, vergezeld door F. Gunther, medewerker juridische zaken werkzaam bij verweerder.

2. Overwegingen

Eiser was laatstelijk werkzaam in de rang van brigadier in de basiseenheid [A] van de Regiopolitie Limburg Zuid. Op 13 mei 2003 heeft hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheden een ongeval gehad, tengevolge waarvan eiser letsel heeft opgelopen. Dit ongeval is door verweerder aangemerkt als dienstongeval. Bij besluit van 4 april 2007 heeft verweerder geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor het dienstongeval van eiser. Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de toedracht van het dienstongeval is dat eiser bij het inventariseren van de eerste verdieping van een bedrijfspand in het kader van een controle wegens de verdenking van een strafbaar feit met een voet op een gesloten vlizotrap is gestapt, die daardoor omlaag is geklapt. Vervolgens is eiser achteruit gevallen in het gat en op de begane grond terechtgekomen, kennelijk met letsel tot gevolg.

Verweerder is zijn zorgplicht als werkgever nagekomen. Eiser was sinds 1979 in dienst bij verweerder en sinds 1984 werkzaam als rechercheur. Ten tijde van het ongeval vervulde hij de functie van gebiedsgebonden politiefunctionaris (thans: medewerker basispolitiezorg B). Eiser is een goed opgeleide en getrainde politiefunctionaris met ruime ervaring. Hij beschikt over voldoende vakmanschap om een opdracht als de onderhavige te kunnen vervullen. Van de gebiedsgebonden politiefunctionaris wordt een grote mate van zelfstandigheid verwacht bij het verrichten van opsporingsonderzoek. De onderhavige controle, waarbij onderzoek werd ingesteld naar de mogelijke aanwezigheid van een hennepplantage, behoort tot de reguliere, alledaagse werkzaamheden van een politiefunctionaris in die functie. Daartoe behoort evenzeer het betreden van panden en terreinen waarvan de inrichting niet steeds voorspelbaar is en waarbij de politiefunctionaris bedacht moet zijn op gevaarzettende situaties.

Verder heeft verweerder de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen voor de controle van het bedrijfspand. Door of vanwege verweerder waren gespecialiseerde instanties, te weten de brandweer, Essent en de intergemeentelijke milieudienst, ingeschakeld. Ook waren de betrokken politiefunctionarissen uitgerust met staaflantaarns. Verder strekkende maatregelen konden van verweerder niet worden verlangd.

In beroep heeft eiser - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Verweerder heeft niet zo spoedig mogelijk na het ongeval een onderzoek ingesteld naar de toedracht ervan. Een ongevalrapportage dient echter zo spoedig mogelijk te volgen. Het onderzoek heeft ruim vier jaren na het ongeval plaatsgevonden. Mede doordat de betrokken politiefunctionarissen zich het ongeval niet meer goed kunnen herinneren, staat de toedracht van het ongeval nog niet vast. Eiser kan zich herinneren een duw naar achteren te hebben gekregen in het donker. De rol van de politiefunctionaris die samen met eiser de eerste verdieping inventariseerde, is niet helder. Ook blijft de vraag onbeantwoord of en, zo ja, in hoeverre er verlichting was op de eerste verdieping. Evenmin bestaat zekerheid over de door verweerder gestelde situatie ter plaatse met betrekking tot de vlizotrap.

Verder miskent verweerder dat eiser, naast doorbetaling van 90% van zijn toenmalige salaris, recht heeft op volledige schadevergoeding op grond van:

- alle rechtstreeks geldende voorschriften om, onder andere in het geval van een dienstongeval, onder andere smartengeld, ziektekosten, kosten huishoudelijke hulp en buitengerechtelijke advocatenkosten toe te kennen. Eiser verwijst hierbij naar de artikelen 54, 54a, 69 en 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) en analoog naar de artikelen 22 en 22a van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie (hierna: Brvp);

- de analoog toepasselijke civielrechtelijke aansprakelijkheid voor bedrijfs(dienst)ongevallen op grond van artikel 7:658, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW); en,

- redelijkheid en billijkheid alsmede hetgeen een redelijk handelend werkgever betaamt, nu er sprake was van bijzondere gevaarzetting, het ongeval is veroorzaakt door toedoen van een ander, de oorzaak en aard van het ongeval niet meer is te onderzoeken en geen onderzoek door verweerder zelf zo spoedig mogelijk na het ongeval is ingesteld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie onder meer CRvB 2 maart 2006, LJN: AV3977) moet in gevallen als de onderhavige, waarbij sprake is van een zuiver schadebesluit betreffende schade die door de ambtenaar in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is geleden, als norm worden gehanteerd dat de ambtenaar - voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften - recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

Uit de gedingstukken en het ter zitting verhandelde blijkt dat verweerder bij het bestreden besluit uitsluitend heeft geweigerd aansprakelijkheid wegens schending van zijn zorgplicht als werkgever te erkennen. Verweerder heeft zijn aansprakelijkheid immers beoordeeld aan de hand van de hierboven weergegeven norm. Het bestreden besluit behelst derhalve geen beslissing over schadevergoeding voorvloeiende uit rechtspositionele voorschriften.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit in zoverre niet toereikend heeft gemotiveerd. Uit de brieven van eiser aan verweerder, waaronder de - ter zitting door verweerder op verzoek van de rechtbank overgelegde - brief van 11 april 2006, blijkt dat eiser verweerder ook herhaaldelijk schadevergoeding heeft verzocht op grond van de toepasselijke rechtspositionele voorschriften, waarbij in die brief artikel 54 en artikel 54a van het Barp uitdrukkelijk zijn vermeld. Voorts heeft eiser in bezwaar een beroep gedaan op deze voorschriften.

Verweerder had derhalve tevens dienen te beslissen over schadevergoeding voorvloeiende uit rechtspositionele voorschriften. Verweerder heeft echter nagelaten dienaangaande het bestreden besluit deugdelijk te motiveren. De daartegen gerichte beroepsgrond slaagt dus. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb .

Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook de beroepsgrond slaagt die is gericht tegen het ingestelde onderzoek naar aanleiding van het ongeval.

Daartoe overweegt de rechtbank dat het onderzoek naar de toedracht van het ongeval, zoals dat blijkt uit het rapport d.d. 13 mei 2003 en de resultaten van het nader onderzoek die door verweerder bij brief van 31 augustus 2007 aan eiser zijn gezonden, tekort is geschoten. In het rapport d.d. 13 mei 2003 is enkel vermeld dat eiser tijdens het onderzoek in de twee verdiepingen van de loods op een luik trapte waardoor hij omlaag in dit luik viel, waarbij hij languit op zijn rug terecht kwam en zijn hoofd stootte. Het nader onderzoek bestaat slechts uit het verhoor van vier betrokken collega’s van eiser en een viertal foto’s. Op basis van dit onderzoek is de toedracht van het ongeval niet vast te stellen. In het bijzonder heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de situatie ter plaatse met betrekking tot de vlizotrap was zoals hij stelt. Hiervan is geen foto in het rapport opgenomen. Evenmin heeft bijvoorbeeld een reconstructie van het ongeval plaatsgevonden, waaruit de toedracht kan blijken.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor zover het betreft de weigering van verweerder aansprakelijkheid wegens schending van zijn zorgplicht als werkgever te erkennen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb .

Gelet op het vorenoverwogene behoeft hetgeen partijen verder over en weer naar voren hebben gebracht, geen nadere bespreking.

De slotsom is dat het beroep gegrond is.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. Daarbij ziet de rechtbank aanleiding - gelet op het tijdsverloop sinds het ongeval - verweerder uitdrukkelijk op te dragen het nieuwe besluit binnen veertien weken na de datum van verzending van deze uitspraak te nemen. Bij het bepalen van deze beslistermijn heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de in artikel 7:10 van de Awb opgenomen bepalingen over beslistermijnen in bezwaar. De rechtbank merkt daarbij op dat indien verweerder niet tijdig beslist, eiser daartegen beroep kan instellen en dat in de uitspraak in die beroepsprocedure de rechtbank ingevolge artikel 8:72, zevende lid, van de Awb kan bepalen dat de politieregio Limburg Zuid aan eiser een dwangsom verbeurt indien en zolang verweerder niet voldoet aan die uitspraak.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft moeten maken, onder aanwijzing van de politieregio Limburg Zuid als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; 1 punt = € 322,-; wegingsfactor 1).

Tot slot dient ingevolge artikel 8:74 van de Awb aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 145,- te worden vergoed, waarbij de rechtbank de politieregio Limburg Zuid zal aanwijzen als rechtspersoon ter vergoeding van dit griffierecht.

Gelet op de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt derhalve als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen veertien weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de politieregio Limburg Zuid als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- wijst de politieregio Limburg Zuid als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van € 145,-.

Aldus gedaan door J.P. de Haan als voorzitter en E.V.L. Heuts en M.A.H. Span-Henkens als leden in tegenwoordigheid van C.J.M. Kramer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2008. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

w.g. J.P. de Haan

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 24 november 2008

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht .


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature