< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Moeder wordt vrijgesproken van poging tot moord/doodslag/poging tot zware mishandeling van haar zoon.

Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte opzettelijk de medicijnen heeft toegediend om haar zoon van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Bewezenverklaring van het valselijk opmaken/vervalsen van bankafschriften, verzekeringspolissen en e-mailcorrespondentie van de bank gedurende vele jaren.

Gevangenisstraf van 300 dagen waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825429-07

Datum uitspraak: 20 november 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 november 2007, 13 februari 2008, 9 mei 2008, 3 juli 2008 en 6 november 2008. Op 23 mei 2008 is in de onderhavige strafzaak reeds een tussenvonnis gewezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 oktober 2007. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 9 mei 2008 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht (bijlage 1). Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 26 juli 2007 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, haar kind [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, haar kind ([slachtoffer]) een hoeveelheid medicijnen, te weten oxazepam en/of codeïne heeft toegediend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

[artikel 289/287 jo. 45 Wetboek van Strafrecht ]

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 26 juli 2007 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind, genaamd [slachtoffer], geboren 23 juni 1989, in elk geval aan een persoon, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, die [slachtoffer] een hoeveelheid medicijnen, te weten oxazepam en/of codeïne heeft toegediend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

[artikel 302/303/304 jo. 45 Wetboek van Strafrecht ]

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2001 tot en met 26 juli 2007 te Helmond een of meerdere bankafschrift(en) en/of een of meer verzekeringspolis(sen) en/of een of meerdere brief(/-ven) gericht aan de ABN/AMRO bank en/of het UWV en/of een incassobureau en/of een of meer werkgeversverklaring (en) - zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, immers heeft verdachte (telkens)

- (een) origine(e)l(e) bankafschrift(en) gescand en/of gekopieerd en/of (vervolgens) onjuiste/in strijd met de waarheid zijnde bedragen op dat/die bankafschrift(en) vermeld en/of

- (een) orgine(e)l(e) verzekeringspolis(sen) (de zogenaamde groene kaart)gescand en/of (vervolgens) de gegevens uitgeprint op groen papier en/of op de groene kaart(en) (telkens) een (onjuist) polisnummer en/of een(in strijd met de waarheid zijnde) geldigheidsduur vermeld en/of

- een of meerdere brief/brieven opgemaakt/geschreven op naam van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (namens [slachtoffer 2]) en/of in die brief/brieven vermeld dat de heer (slachtoffer 2) langdurig in het ziekenhuis was opgenomen en/of in het buitenland werkzaam was en/of een kredietverhoging en/of een bankpas aangevraagd en/of die brief/brieven (vervolgens) ondertekend met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer 2]

(artikel 225 Wetboek van Strafrecht )

De rechtbank constateert dat ten aanzien van feit 2 tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging begaan, in de derde regel is opgenomen de zinsnede ‘gericht aan de ABN/AMRO bank’. De rechtbank constateert dat uit het dossier onmiskenbaar naar voren is gekomen dat deze zinsnede gelezen dient te worden als ‘van de ABN/AMRO bank’. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1.

De vaststaande feiten.

Op 26 juli 2007 trof de politie verdachte en haar zoon [slachtoffer] in de woning aan. De zoon lag op de bank met een bijbel tussen zijn armen geklemd. Verdachte lag op de grond van de keuken en was niet aanspreekbaar. De medische toestand van verdachte en haar zoon was zodanig dat beiden naar het ziekenhuis moesten worden vervoerd. Voorts heeft de politie aangetroffen diverse lege doordrukstrips oxazepam, codeïne en ibuprofen. Aan de politie werden overhandigd afscheidsbrieven, waarin wordt aangegeven dat het gezin – verdachte, haar echtgenoot en de twee kinderen, waaronder [slachtoffer] – uit het leven zou stappen en dit in verband met grote financiële problemen.1 Op 26 juli 2007 zou de deurwaarder de woning van het gezin ontruimen wegens huurachterstand.2 De kinderarts heeft aan de politie medegedeeld, dat [slachtoffer] vermoedelijk een geringe hoeveelheid oxazepam toegediend heeft gekregen, en dat [slachtoffer] geen moment in levensgevaar heeft verkeerd.3 [slachtoffer] is op 27 juli 2007 uit het ziekenhuis ontslagen en er is bij hem geen letsel geconstateerd.4 Blijkens de uitslag van het toxicologisch onderzoek zijn aanwijzingen verkregen dat in het braaksel van [slachtoffer] dat is onderzocht, oxazepam en codeïne is aangetroffen.5 De in het braaksel aanwezige stoffen zijn dus niet opgenomen in het lichaam waardoor niet bepaald kon worden hoeveel van deze stoffen is opgenomen in het bloed. De conclusie van de apotheker-toxicoloog is dat op grond van het onderzoek van het braaksel het niet mogelijk is aan te geven wat de ernst van de effecten geweest kan zijn.6

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot moord. Zij heeft daartoe onder meer verwezen naar de toediening door verdachte van medicijnen aan haar zoon, de afscheidsbrieven, en de in de woning van verdachte aangetroffen tas met spullen bestemd voor de ouders van verdachte met daarbij het schriftelijke verzoek aan de politie om ervoor zorg te dragen dat de familie de spullen zou kunnen komen ophalen.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is vrijspraak gevraagd van de beide onderdelen van feit omdat het bewijs voor de voorbedachte raad en opzet zou ontbreken. Verdachte heeft waarschijnlijk abusievelijk haar medicijnen gegeven aan [slachtoffer] die last had van hoestbuien.

Het standpunt van de rechtbank.

Verdachte heeft steeds ontkend, dat het toedienen van de medicijnen aan [slachtoffer] is gebeurd met als doel de levensberoving dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan haar zoon. De rechtbank heeft dus de vraag te beantwoorden of voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de opzet van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is dat bewijs niet aanwezig. Gelet op de inhoud van het dossier zijn weliswaar aanwijzingen te vinden voor het opzettelijk handelen van verdachte, maar de rechtbank acht deze van onvoldoende gewicht om de conclusie te kunnen trekken, dat verdachte opzettelijk de medicijnen heeft toegediend om zo [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel bij hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van belang hierbij is het volgende. De inhoud van de gevonden en verzonden afscheidsbrieven ziet op het beëindigen van het leven van alle gezinsleden. Verdachte had voldoende gelegenheid om aan [slachtoffer] meer medicijnen toe te dienen dan zij nu heeft gedaan. De ex-echtgenoot en de dochter van verdachte mankeerden op 26 juli 2007 niets. In het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (het Pieter Baan Centrum) wordt verdachte omschreven als iemand met theatrale, afhankelijke, antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken zonder dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Verder wordt verdachte gekarakteriseerd als een aandacht zoekende persoon, aandacht die zij krijgt door medelijden op te wekken. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot de conclusie, dat het handelen van verdachte moet worden begrepen als een schreeuw om aandacht zonder dat de tenlastegelegde opzet aanwezig is geweest. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van beide onderdelen van feit 1.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan ten aanzien van feit 2.

De vaststaande feiten.

Op 28 juli 2008 trof [slachtoffer 2], de (toenmalige) echtgenoot van verdachte, op de zolder van hun echtelijke woning aan het [adres] te Helmond in een tas onder meer aan zeven verzekeringspolissen van hun personenauto afkomstig van verzekeringsmaatschappij Generali (de zogenaamde groene kaarten), twee maskers van ABN AMRO bankafschriften, dagafschriften van rekening [rekeningnummer] ten name van [slachtoffer 2] voornoemd en 36 brieven afkomstig van de ABN AMRO bank, deels gericht aan [slachtoffer 2].7 Na onderzoek door de politie werd vastgesteld dat de aangetroffen groene kaa[polisnummer]] en dagafschriften van rekeninghouder [rekeningnummer] van de ABN AMRO bank waren vervalst.9, 10 Tevens is gebleken dat de aangetroffen dagafschriften van genoemd rekeningnummer volgens de systemen van de ABN AMRO bank niet van hen afkomstig waren.11 Voorts is uit onderzoek van de politie gebleken dat de verzekering met voornoemd polisnummer bij Generali schadeverzekeringsmaatschappij N.V. aldaar tot januari 2001 had doorgelopen en toen was beëindigd.12

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Zij heeft daartoe onder meer verwezen naar de verklaringen van [slachtoffer 2], de aangifte van [slachtoffer 3], de verklaringen van verdachte, de processen-verbaal over de valsheid van de aangetroffen bescheiden en de kopieën van de verschillende geschriften zelf.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft op 18 september 2007 tijdens een onderhoud met verbalisanten toegegeven dat zij dagafschriften ten name van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [slachtoffer 2] heeft vervaardigd. Verdachte heeft verklaard dat zij dit op de computer had gedaan middels scannen en plakken. Vervolgens heeft verdachte deze dagafschriften aan haar echtgenoot gegeven als ware het dat deze door hen waren ontvangen per post. Dit was gebeurd van 2002 tot en met 2007.13 Ook heeft verdachte tijdens voornoemd onderhoud met verbalisanten toegegeven dat zij de groene kaarten van verzekeringsmaatschappij Generali met polisnummer [polisnummer] had vervalst. Verdachte heeft verklaard dat zij deze kaarten had gekopieerd en dat zij de geldigheidsdatum had veranderd op deze kopieën. Dit had zij gedaan van 2001 tot en met 2007. Verder heeft verdachte toegegeven dat zij degene was geweest die de e-mails van de ABN AMRO had vervaardigd en gericht aan haar man, met diverse verzoeken en opdrachten erin.14

Verdachte heeft deze verklaring bevestigd op 19 september 2007.15

In een aanvullende verklaring van 12 februari 2008 heeft dochter [getuige 1] onder meer verklaard dat zij van jongs af aan, in opdracht van verdachte, alle post moest onderscheppen en verstoppen en dat dit is doorgegaan totdat verdachte op 27 juli 2007 werd aangehouden. [getuige 1] voornoemd heeft verklaard dat zij in de loop der jaren erachter kwam dat verdachte onder meer bankafschriften en dergelijke formulieren zat te kleuren of te bewerken. Volgens de verklaring van [getuige 1] zat verdachte al die jaren dag en nacht achter de computer en was verdachte altijd heel druk met het scannen van stukken.16

Verdachte heeft ter terechtzitting (telkens) wisselende verklaringen afgelegd. Enerzijds heeft verdachte haar betrokkenheid bij dit feit ontkend, anderzijds heeft verdachte meermalen verklaard zich het feit niet meer te kunnen herinneren. Verdachte gaf dan aan dat haar herinnering één groot zwart gat was. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat verdachte bij de politie bekennende verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van de vervalsingen van de dagafschriften en de verzekeringspolissen. De rechtbank ziet in het dossier geen enkele aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen en zal deze verklaringen dan ook bezigen voor het bewijs. De rechtbank acht de ter terechtzitting afgelegde (ontkennende) verklaringen van verdachte ongeloofwaardig.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte meerdere bankafschriften, meerdere verzekeringspolissen en e-mailcorrespondentie van de ABN AMRO bank valselijk heeft opgemaakt of vervalst.

Ten aanzien van het overige deel van de tenlastelegging overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet gebleken is dat verdachte met betrekking tot de brieven gericht aan het UWV en het incassobureau en de werkgeversverklaringen expliciet is gehoord. Ter terechtzitting heeft verdachte met betrekking tot deze onderdelen van de tenlastelegging een ontkennende verklaring afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onomstotelijk komen vast te staan dat verdachte voornoemde geschriften valselijk heeft opgemaakt of vervalst. Nu er voorts onvoldoende steunbewijs is acht de rechtbank deze onderdelen van tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte ten aanzien van deze overige onderdelen van dit feit vrijspreken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(2.)

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 26 juli 2007 te Helmond meerdere bankafschriften en verzekeringspolissen en meerdere brieven van de ABN/AMRO bank - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, immers heeft verdachte (telkens)

- originele bankafschriften gescand en/of gekopieerd en vervolgens onjuiste/in strijd met de waarheid zijnde bedragen op die bankafschriften vermeld en

- originele verzekeringspolissen (de zogenaamde groene kaart) gescand en vervolgens de gegevens uitgeprint op groen papier en op de groene kaarten telkens een onjuist polisnummer en een in strijd met de waarheid zijnde geldigheidsduur vermeld en

- meerdere brieven opgemaakt/geschreven op naam van de ABN/AMRO bank.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

De strafoplegging.

De eis van de officier van justitie.

Ter terechtzitting van 9 mei 2008 heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 462 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen haar te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht.

Ter terechtzitting van 6 november 2008 heeft de officier van justitie haar strafeis in verband met de verlenging van de duur van de voorlopige hechtenis als gevolg van de klinische opname van verdachte in het Pieter Baan Centrum te Utrecht ten aanzien van het onvoorwaardelijk deel van de gevorderde gevangenisstraf gewijzigd, met dien verstande dat dit deel van de gevangenisstraf gelijk zal zijn aan de totale duur van het ondergane voorarrest (d.i. 147 dagen).

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte geen persoonlijkheids-stoornis heeft, doch dat er bij verdachte wel sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Verdachte heeft om die reden hulp nodig bij onder meer haar financiële- en psychische problemen en huisvesting. De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat om die reden een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht geboden is, teneinde verdachte hulp te bieden bij deze probleem-gebieden en haar weer terug te begeleiden naar de arbeidsmarkt. Verdachte heeft ter terechtzitting zich bereid verklaard hieraan mee te werken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft gedurende een zeer lange periode (6,5 jaar) bankafschriften en verzekeringspolissen valselijk opgemaakt of vervalst. Verdachte heeft door het plegen van deze valsheid in geschrift haar schulden verborgen gehouden voor haar (toenmalige) echtgenoot en beide kinderen en heeft daardoor het vertrouwen dat haar gezinsleden in haar mochten stellen zeer ernstig geschaad. Verdachte heeft zich kennelijk niets aangetrokken van de belangen van haar gezinsleden en van de nadelige gevolgen van haar handelen voor haar gezinsleden.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Uit de rapportage van de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum te Utrecht, opgemaakt en ondertekend d.d. 24 oktober 2008 door H.A. van Kempen, psycholoog, en A.G.S. de Ranitz, psychiater, is gebleken dat er bij verdachte sprake is van theatrale, afhankelijke, antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken, zodanig dat gesproken kan worden van problematiek, echter niet dusdanig ernstig en dusdanig belemmerend voor haar functioneren dat gesproken mag worden van een persoonlijkheidsstoornis. Tijdens de observatieperiode en voor zover na te gaan ook in het algemeen wordt haar functioneren gekenmerkt door een theatrale en afhankelijke opstelling, waarbij zij veel zorg en aandacht oproept door een veelheid van (psycho)somatische klachten en een krachtig beroep dat zij doet om partij voor haar te kiezen. Zij imponeert door haar claimende houding eerder sterk dan als een slachtoffer. Ondanks de nadrukkelijke presentatie van klachten en van onrecht lijkt de lijdensdruk niet zo groot en betrokkene’s affect lijkt soms weinig doorleefd, ook als het over haar kinderen gaat. Onderliggend is er een gevoel van tekortgedaan zijn, niet gezien, niet gewaardeerd en niet geholpen worden, terwijl betrokkene wel meent recht op hulp en waardering te hebben. Tijdens het onderzoek valt op dat betrokkene veel tegenstrijdige verhalen vertelt. Wanneer zij daarmee geconfronteerd wordt legt zij alle ‘schuld’ buiten zichzelf en wijt het allemaal aan ‘misverstanden’. Toch was de onbetrouwbaarheid van dien aard dat ook stoornissen als het syndroom van Münchenhausen (by proxy), pseudologica fantastica en stoornissen die te maken hebben met het nabootsen van of abusievelijk menen te lijden aan somatische ziekten overwogen werden: alle ziektebeelden waarbij een theatrale dynamiek een belangrijke rol speelt. In casu zijn bij betrokkene dergelijke diagnoses overwogen en geëxploreerd, maar vervolgens verworpen. Eveneens uitgesloten werden: stoornissen uit het autistisch spectrum, dissociatieve stoornissen, psychotische stoornissen, stemmingsstoornissen, angststoornissen en middelenverslaving. Betrokkene wordt derhalve toerekeningsvatbaar geacht voor de aan haar tenlastegelegde feiten.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van de psychiatrische rapportage pro justitia, opgemaakt en ondertekend d.d. 6 december 2007 door drs. K.J. Brouwer, psychiater i.o., en drs. J. Suithoff, psychiater, alsmede van de psychologische rapportage pro justitia, opgemaakt en ondertekend d.d. 24 december 2007 door mw. drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog.

De rechtbank komt tot een lichtere straf dan die, welke de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van hetgeen aan haar onder feit 1 is tenlastegelegd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend is. De rechtbank is verder van oordeel dat er een deels voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Als bijzondere voorwaarde bij deze gevangenisstraf zal worden bepaald, dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als de verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaren aan de voorwaarden houdt. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daarbij de genoemde bijzondere voorwaarde opleggen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op artikelen 10, 14 a, 14b, 14c, 14d, 27, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 2:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 2 7

Wetboek van Strafrecht waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren en de bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht.

De rechtbank verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 9 oktober 2008 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 20 november 2008.

1 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 33-34.

2 Verhoor van [getuige 2], blz. 165-167.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 41.

4 Medische verklaring m.b.t. [slachtoffer], blz. 134.

5 NFI-deskundigenrapportage d.d. 23 oktober 2007.

6 NFI-deskundigenrapportage d.d. 23 oktober 2007.

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 39 en blz. 228-229.

8 Proces-verbaal, blz. 234-237.

9 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 76A en proces-verbaal van bevindingen, blz. 76B.

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 155.

11 Verhoor [getuige 3], blz. 194.

12 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 154.

13 Proces-verbaal van bevindingen (verhoor verdachte), blz. 215.

14 Proces-verbaal van bevindingen (verhoor verdachte), blz. 215.

15 Verhoor verdachte, blz. 227.

16 Aanvullende verklaring [getuige 4], aanvullend proces-verbaal, blz. 1-2.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature