< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond oefent bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een urgentieverklaring een publiekrechtelijke bevoegdheid uit tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten. Bij de overeenkomst op basis van artikel 4 van de Huisvestingswet zijn terzake van het verlenen van urgentieverklaringen de publiekrechtelijke verdelingsregels van de huisvestingsverordening gehandhaafd gebleven.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: HUISV 07/2489 WILD

Uitspraak in het geding tussen

eiseres, wonende te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde mr. J.C. Hardam, advocaat te Rotterdam,

en

de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 25 mei 2007 heeft de secretaris van de Geschillencommissie woonruimteverdeling een advies van 26 april 2007 over een klacht van eiseres met betrekking tot de aan haar geweigerde urgentieverklaring aan eiseres bekendgemaakt en daarbij medegedeeld dat het advies geldt als een besluit van de directeur van verweerder.

Hiertegen heeft eiseres bij faxbericht van 5 juli 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 28 september 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2007, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door gemachtigde, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en ter verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer.

Desgevraagd heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam schriftelijk een aantal vragen beantwoord.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2008. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

gemachtigde en gemachtigde hebben namens de gemeente Rotterdam nadere inlichtingen verstrekt.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens wederom heropend, waarna verweerder desgevraagd heeft medegedeeld dat zij het advies van de Geschillencommissie woonruimteverdeling beschouwt als haar beslissing.

Daarna hebben partijen toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

2 Overwegingen

2.1 De feiten

Eiseres heeft op 6 november 2006 bij verweerder een urgentieverklaring aangevraagd.

Op 8 januari 2007 heeft [naam arts], arts bij de GGD Rotterdam-Rijnmond, gerapporteerd dat betrokkene medisch niet urgent is.

Vervolgens heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 11, derde lid, aanhef en onder d, van de Overeenkomst Woonruimteverdeling Stadsregio Rotterdam 2006 (hierna: de Overeenkomst) bij brief van 16 januari 2007 aan eiseres medegedeeld dat aan haar geen urgentieverklaring wordt verstrekt.

Bij brief van 26 januari 2007 heeft eiseres bij verweerder geklaagd over deze beslissing, welke klacht in het advies van 26 april 2007 ongegrond is verklaard.

2.2 Rechtskarakter beslissing verweerder

Artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

Onder bestuursorgaan wordt verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 4 van de Huisvestingswet (hierna: Hw) luidt als volgt:

1. Indien een gemeente met een eigenaar van een of meer woonruimten een overeenkomst sluit over het in gebruik geven daarvan, is artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de in zodanige overeenkomst op te nemen bepalingen.

2. Indien een gemeente een of meer overeenkomsten sluit, als bedoeld in het eerste lid, draagt zij er zorg voor, dat een belanghebbende bij een besluit ter uitvoering van zodanige overeenkomst daarover zijn beklag kan doen bij een daartoe door burgemeester en wethouders ingestelde commissie, die haar taak onafhankelijk van de gemeente en van de betrokken eigenaar of eigenaren van woonruimte verricht. Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, dient een bepaling te bevatten, er toe strekkende dat de uitspraken van de in de eerste volzin bedoelde commissie, voor zover zij betrekking hebben op de uitvoering van die overeenkomst, partijen bij de overeenkomst tot bindend advies strekken.

3. Bij de uitvoering van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid worden de ingevolge artikel 61 ter zake van de woonruimteverdeling vastgestelde richtlijnen en de ingevolge artikel 67 of artikel 68 ter zake van de woonruimteverdeling gegeven aanwijzingen in acht genomen. Op de criteria die worden toegepast bij het in gebruik geven van woonruimten waarop de overeenkomst betrekking heeft, zijn de krachtens artikel 13 en in de artikelen 13a tot en met 13c gestelde regels van overeenkomstige toepassing.

De stadsregio Rotterdam is een plusregio in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Voor deze stadsregio is de Huisvestingsverordening stadsregio Rotterdam 2006 vastgesteld.

De bestreden beslissing van verweerder is gebaseerd op de Overeenkomst. Deze overeenkomst is gesloten tussen de colleges van burgemeester en wethouders van 18 gemeenten uit de stadsregio Rotterdam, waaronder de gemeente Rotterdam, 37 woningbouwcorporaties, de federatie van woningcorporaties in de stadsregio Rotterdam ‘De Maaskoepel’ en het dagelijks bestuur van de stadsregio Rotterdam.

Bij het aangaan van de Overeenkomst is onder meer overwogen dat de Huisvestingsverordening stadsregio Rotterdam 2006 deze overeenkomst eist.

Op grond van artikel 1, aanhef onder q, van de Overeenkomst wordt onder urgentieverlener verstaan: de door de gemeenten bij separaat besluit aangewezen instantie die besluit op aanvragen van urgentieverklaringen.

Bij besluit van 26 juni 2006 is verweerder door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen als urgentieverlener.

In artikel 11 van de Overeenkomst is een aantal procedurele regels betreffende het urgentiesysteem vastgesteld. De criteria voor het verlenen van een urgentieverklaring zijn neergelegd in Bijlage 1 bij de Overeenkomst.

Ingevolge artikel 11, zevende lid, van de Overeenkomst kunnen de bepalingen die in Bijlage 1 zijn opgenomen, na advies van het Bestuurlijk Overleg, door het dagelijks bestuur van de stadsregio gewijzigd worden. Het Bestuurlijk Overleg betreft het overleg tussen de voorzitter van de Maaskoepel en de portefeuillehouder Wonen van de stadsregio.

Artikel 16 van de Overeenkomst bepaalt het volgende:

De uitspraken van de door de gemeenten bij separaat besluit ingestelde, onafhankelijke Geschillencommissie, voor zover ze betrekking hebben op de uitvoering van deze overeenkomst, strekken de gemeenten, de corporaties, de urgentieverleners en de uitvoeringsorganisaties van het regionale aanbodmodel als bedoeld in artikel 3, tot bindend advies.

De in rubriek 1 van deze uitspraak vermelde Geschillencommissie woonruimteverdeling is een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam ingestelde commissie als bedoeld in artikel 16 van de Overeenkomst. Een en ander is geregeld in de Regeling instelling Geschillencommissie woonruimteverdeling, vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam op 25 januari 2005, Gemeenteblad 2005-42. In deze regeling is bepaald dat deze commissie tot taak heeft klachten te behandelen omtrent verlening, weigering dan wel intrekking van urgentieverklaringen als bedoeld in artikel 11 van de Overeenkomst.

Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat, nu de Overeenkomst een overeenkomst is als bedoeld in artikel 4 van de Hw , er een privaatrechtelijk stelsel van kracht is, zodat de rechtbank niet tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil kan komen.

Eiseres stelt zich daarentegen - kort samengevat - op het standpunt dat een besluit in de zin van de Awb voorligt.

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder niet op grond van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan worden aangemerkt als een bestuurorgaan, nu verweerder geen orgaan, althans rechtspersoon, is als bedoeld in deze bepaling.

Of verweerder in het kader van het verlenen en weigeren van urgentieverklaringen op grond van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan, hangt af van het antwoord op de vraag of verweerder in dat verband met enig openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is vereist dat verweerder een publiekrechtelijke bevoegdheid heeft tot het – eenzijdig – bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat, gegeven de Hw, verdeling van schaarse woonruimte - in beginsel - een publieke taak is.

De rechtbank stelt voorts vast dat de hier aan de orde zijnde urgentiecriteria niet zijn vastgesteld door alle bij de Overeenkomst betrokken partijen, maar door het bestuur van de stadsregio. Voorts staat vast dat de urgentiecriteria dezelfde zijn als die zijn opgenomen in de Huisvestings¬verordening stadsregio Rotterdam 2006. Daarnaast is blijkens artikel 11, zevende lid, van de Overeenkomst (alleen) het dagelijks bestuur van de stadsregio, zij het na advies van het ‘bestuurlijk overleg’, bevoegd tot wijziging van de urgentiecriteria zoals neergelegd in bijlage 1. Hieruit blijkt dat de overheid (de bij de stadsregio betrokken gemeenten) weliswaar de uitvoering van het urgentiesysteem heeft overgedragen, doch de vaststelling van de criteria op grond waarvan een urgentieverklaring kan worden verleend, aan zichzelf heeft voorbehouden.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat verweerder in zijn (urgentie)taakuitoefening volledig door de gemeente Rotterdam wordt gefinancierd.

Gegeven het voorgaande, dient de rechtbank vervolgens de vraag te beantwoorden of artikel 4 van de Hw met zich brengt dat beslissingen van verweerder in het kader van deze taakuitoefening niettemin als privaatrechtelijk dienen te worden aangemerkt.

Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Daartoe overweegt de rechtbank dat artikel 4 van de Hw weliswaar een grondslag biedt voor een privaatrechtelijk stelsel, zoals onder meer blijkt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 februari 1999, AB 1999, 249 en 9 november 2005, LJN: AU5853, doch in het onderhavige geval staat vast dat de vaststelling en wijziging van de urgentiecriteria uitsluitend een overheidstaak is, zoals onder meer blijkt uit artikel 11, zevende lid, van de Overeenkomst.

De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de memorie van toelichting bij de Hw, waarin staat vermeld (Kamerstukken II 20 520, nr. 3, p. 30):

“Het wetsvoorstel voorziet in de eerste plaats in de mogelijkheid van afspraken tussen gemeenten en verhuurders, neer te leggen in zogenaamde convenanten. De situatie ter plaatse zal beslissend moeten zijn voor de vraag of en, zo ja, in hoeverre en onder welke omstandigheden de gemeentebesturen tot een dergelijke vorm van samenwerking met verhuurders zullen overgaan. Deze convenanten zijn privaatrechtelijke overeenkomsten. Zij kunnen hetzij een aanvulling inhouden op de publiekrechtelijke verdelingsregels van de huisvestingsverordening en dientengevolge uitsluitend (aspecten van) de uitvoering van die regels betreffen, hetzij geheel in de plaats treden van publiekrechtelijke regels. Combinaties van deze functies zijn eveneens denkbaar.”

De rechtbank leidt hieruit af dat bij een convenant publiekrechtelijke verdelingsregels van de huisvestingsverordening gehandhaafd kunnen blijven, maar dat ook geregeld kan worden dat het convenant geheel in de plaats treedt van die regels.

In het onderhavige geval zijn de verdelingsregels, die betrekking hebben op urgentie, publiekrechtelijk gebleven.

Nu de wetgever blijkens de hiervoor weergegeven toelichting uitdrukkelijk heeft voorzien in de mogelijkheid van het voortbestaan van publiekrechtelijke regels, die onder een convenant worden uitgevoerd, komt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval het nemen van beslissingen omtrent urgentie geen privaatrechtelijke, doch publiekrechtelijke rechtshandelingen betreft.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een urgentieverklaring een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten uitoefent.

Verweerders brief van 16 januari 2007, waarin is besloten om eiseres geen urgentieverklaring te verstrekken, is derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb .

Tegen een dergelijk besluit staat ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb beroep open.

Alvorens beroep in te stellen, dient ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb eerst bezwaar gemaakt te worden.

De klacht van eiseres van 26 januari 2007 dient te gelden als een bezwaarschrift.

Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat het advies van de Geschillencommissie Woonruimteverdeling geldt als een besluit van verweerder, dient dat advies van 26 april 2007, bekendgemaakt bij brief van 25 mei 2007 met de mededeling dat het advies geldt als een besluit van de directeur van verweerder, als verweerders beslissing op het bezwaarschrift van eiseres aangemerkt te worden.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen en het geschil inhoudelijk te beoordelen.

2.3 De beoordeling van het geschil

In geschil is of verweerder eiseres terecht en op goede gronden geweigerd heeft een urgentieverklaring te verlenen.

Aan verweerders beslissing op het bezwaarschrift liggen ten grondslag een advies van de GGD-arts [naam arts] van 8 januari 2007 en een advies van de GGD-arts [naam arts 2] van 5 april 2007:

De GGD-arts [naam arts] heeft vastgesteld dat er beperkingen bestaan ten aanzien van lopen (licht beperkt) en traplopen (licht tot matig beperkt) en vervolgens geconcludeerd:

“Er bestaat een relatie tussen de woonruimte en het medische probleem. Deze relatie is niet van dien aard dat betrokkene op de kortst mogelijke termijn dient te verhuizen. Betrokkene is medisch niet urgent.”

Blijkens het advies van GGD-arts [naam arts 2] is informatie opgevraagd bij de huisarts van eiseres. Onder het kopje overwegingen vermeldt dit advies:

“Er is sprake van medische klachten, die worden bevestigd door de huisarts.

De hartklachten worden door de GGD als licht geclassificeerd. De huisarts duidt de klachten als spanningsgerelateerd.

Er is ook sprake van enige duizeligheid, die toe te schrijven is aan het doormaken van het hersenstaminfarct.

Ook deze aandiening wordt door de GGD als licht geclassificeerd, gezien de bevindingen van de huisarts en ook het feit dat betrokkene geen gebruik maakt van een loophulpmiddel.

Het door betrokkene genoemde oogprobleem is waarschijnlijk het bestaan van een “lui” oog. Er zijn geen aanwijzingen voor oogcomplicaties van de suikerziekte.

De combinatie van bovengenoemde aandoeningen levert beperkingen op bij lopen en traplopen. Deze beperkingen bestaan sinds langere tijd en zijn niet dermate ernstig dat verhuizing op de kortst mogelijke termijn noodzakelijk is in verband met de trappen in de toegang van de woning.

Het feit dat er bij betrokkene is ingebroken, waardoor zij zich niet meer veilig voelt is een sociaal probleem en valt buiten het bestek van het medisch dossier.”

Op basis van deze overwegingen heeft de GGD-arts [naam arts 2] geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat het advies van 7 januari 2007 te herzien.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij medisch zodanig beperkt is, dat zij op de kortst mogelijke termijn dient te verhuizen, zodat zij ten onrechte geen urgentieverklaring heeft gekregen. Zij heeft er daarbij op gewezen dat zij twee woonvoorzieningen op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten toegekend heeft gekregen.

De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van eiseres geen steun vindt in de stukken. Noch uit de adviezen van de GGD-artsen noch uit de door eiseres overgelegde stukken kan geconcludeerd worden dat eiseres op de kortst mogelijke termijn dient te verhuizen. De rechtbank is voorts van oordeel dat het advies van GGD-arts [naam arts 2], in samenhang met het advies van de GGD-arts [naam arts] op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is. Eiseres is door de GGD-arts [naam arts] gezien, de GGD-arts [naam arts 2] heeft informatie bij de huisarts ingewonnen en de klachten beoordeeld, daarvan verslag gedaan en op grond daarvan een begrijpelijke conclusie getrokken.

Gelet hierop kan het beroep van eiseres niet slagen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en mr . drs. J.W.H.G. Loyson, leden, en door de voorzitter en J. van Mazijk, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2008.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature