Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Bijdrage handelsregister

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 08/208 2 oktober 2008

24030 Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Bijdrage handelsregister

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

gemachtigde: B, directeur van appellante,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Haaglanden, verweerster,

gemachtigde: A. van Leeuwen, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 18 maart 2008, bij het College binnengekomen op 19 maart 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 14 maart 2008.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar van appellante tegen geheven bijdragen op grond van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: Wet).

Bij brief van 16 april 2008 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 mei 2008 heeft appellante een repliek ingediend.

Op 21 augustus 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van verweerster haar standpunt heeft toegelicht. Appellante is, zoals aangekondigd, niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet, zoals deze luidde tot 1 juli 2008, is het volgende bepaald.

“Artikel 3 2

1. Ter financiering van de aan uitvoering van andere wetten dan deze wet voor een kamer verbonden kosten, voor zover deze niet worden gedekt door bij of krachtens die wetten vastgestelde vergoedingen, zijn ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van de Handelsregisterwet 1996 voor ieder kalenderjaar of gedeelte daarvan waarin zij in Nederland gevestigd zijn, in Nederland een nevenvestiging hebben of in Nederland worden vertegenwoordigd door een gevolmachtigde handelsagent, een bijdrage verschuldigd.

2. De bijdrage bestaat uit een bedrag ten behoeve van de hoofdvestigingskamer en, voor zover van toepassing, bedragen ten behoeve van de nevenvestigingskamers.

3. De onderneming is het totale bedrag van de bijdrage verschuldigd aan de hoofdvestigingskamer. Deze draagt zorg voor verrekening met de betrokken nevenvestigingskamers.

4. De bedragen worden vastgesteld door de kamer ten behoeve waarvan het bedrag verschuldigd is, overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen verhouding van naar rechtsvorm en grootte ingedeelde ondernemingen.

5. De hoofdvestigingskamer kan op aanvraag de verplichting tot betaling van de verschuldigde bijdrage geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten voor zover naar haar oordeel sprake is van een bijzonder geval waarin invordering of onverkorte invordering onredelijk zou zijn.

Artikel 4 3

(…)

2. Van de heffingen, bedoeld in de artikelen 36 en 37, zijn in het handelsregister ingeschreven ondernemingen die uitsluitend als doel hebben het doen van periodieke uitkeringen aan een houder of indirect houder van aandelen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel c, onder eerste, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en het doen van stamrechtuitkeringen als bedoeld in artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 en uitsluitend activiteiten gericht hierop verrichten, vrijgesteld.”

Op grond van artikel 32, vierde lid en artikel 37, tweede lid, van de Wet is vastgesteld het Besluit heffingen kamers van koophandel en fabrieken (hierna: Besluit heffingen). Artikel 1 van dat besluit luidt per 1 januari 2008 als volgt.

“Voor de toepassing van artikel 32 van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 wordt de onderlinge verhouding van ondernemingen bepaald aan de hand van de volgende indeling in categorieën met de daarbij vermelde gewichten:

ondernemingen toebehorende aan een natuurlijk persoon en Europese economische samenwerkingsverbanden

(…) 1

naamloze vennootschappen, Europese naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid met een maatschappelijk kapitaal tot € 2 500 000 en een aantal werkzame personen tot 50 3

(…)”

Het Algemeen bestuur van de Kamer van Koophandel Haaglanden heeft de heffingsbedragen voor 2008 vastgesteld in het Heffingsbesluit 2008 van 18 oktober 2007.

In de Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wbo) was, ten tijde en voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

“Artikel 5 4

De middelen tot dekking van de bij de begroting toegestane uitgaven worden verkregen:

a. door opslagen te heffen op de bedragen, welke krachtens artikel 32 van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 verschuldigd zijn;

b. door bijdragen te heffen van lichamen, als bedoeld bij artikel 6 6.

Artikel 5 5

1. De Raad stelt jaarlijks bij verordening het aantal opslagen, als bedoeld bij het voorgaande artikel, onder a, vast. De Kamers van Koophandel en Fabrieken innen deze opslagen voor de Raad tegelijk met en op dezelfde wijze als de haar krachtens artikel 32 van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 verschuldigde bedragen.

2. De Raad stelt bij verordening vast, welke lichamen bijdragen, als bedoeld bij het voorgaande artikel, onder b, zijn verschuldigd en hoe deze bijdragen worden berekend.

3. De verordeningen, bedoeld bij het eerste en tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.”

In de Verordening opslagen en bijdragen 2008 van de Sociaal-Economische Raad van 25 januari 2008 (Vbbo 2008, nr. 29) is, voor hier van belang, het volgende bepaald.

“Artikel 1

1. Voor 2008 worden de opslagen, bedoeld in artikel 54, onder a, van de Wet op de bedrijfsorganisatie , als volgt vastgesteld voor ondernemingen in stand gehouden door:

(…)

f. naamloze vennootschapen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid met een maatschappelijk kapitaal tot 2,5 miljoen euro en een aantal werkzame personen tot 50 € 13,50

(…)”

.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij factuur van 26 januari 2008, factuurnummer 827132532, heeft verweerster appellante het bedrag van € 149,46 als ‘bijdrage Kamer van Koophandel 2008’ in rekening gebracht. Blijkens de factuur is appellante ingedeeld in tariefgroep 6

(B.V. met 0 t/m 49 medewerkers en /of met € 0 tot € 2,5 miljoen maatschappelijk kapitaal) en is de bijdrage opgebouwd uit de elementen “Registreren” (€ 40,50), “Informeren” (€ 42,00), “Stimuleren” (€ 53,46) en “Ser-opslag” (€ 13,50).

- Bij brief van 8 februari 2008 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om de elementen “Informeren” en “Stimuleren” te schrappen op de grond dat zij een stamrecht-B.V. is.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerster

Bij het bestreden besluit heeft verweerster appellante meegedeeld dat zij voldoet aan de gestelde eisen om in aanmerking te komen voor de regeling pensioenvennootschappen en dat de bijdrage is aangepast. Verweerster heeft het bedrag van € 95,46 voor de elementen “Informeren” en “Stimuleren” gecrediteerd en verzocht het resterende bedrag van € 54,00 als vastgestelde bijdrage voor pensioenvennootschappen over te maken.

Bij het verweerschrift heeft verweerster gesteld dat de, hierna genoemde, gronden van het beroep in bezwaar niet zijn aangevoerd en daarom niet bij de beoordeling van het beroep mogen worden betrokken.

In de tweede plaats heeft verweerster met betrekking tot de SER-opslag gewezen op de artikelen 54 en 55 Wbo en de Verordening van de Raad van 28 maart 2008 waarin de SER-opslag is vastgelegd.

Met betrekking tot de bijdrage “Registreren” heeft verweerster in het verweerschrift gewezen op het Heffingsbesluit 2008 van de Kamer van Koophandel Den Haag van 18 oktober 2007. De daarin vastgelegde bijdragen zijn vastgesteld op basis van artikel 1 van het Besluit heffingen Kamers van Koophandel en Fabrieken . In dat besluit worden de onderlinge verhoudingen van ondernemingen bepaald aan de hand van een indeling in categorieën met daaraan verbonden gewichten.

Verweerster acht zich niet bevoegd om van deze, in separate verordeningen vastgelegde, bijdragen af te wijken.

4. Het standpunt van appellante

Volgens appellante blijkt uit de opstelling van de tariefgroepen op de oorspronkelijke factuur dat bij het hoger worden van de bijdrage ook de SER-opslag omhoog gaat. Appellante is daarom van mening dat bij het lager worden van de bijdrage ook de SER-opslag lager moet worden.

Appellante merkt voorts op dat de hoogte van de bijdrage voor het element “Registreren” per tariefgroep verschilt. De grote verschillen terzake geven aanleiding te veronderstellen dat de hoeveelheid arbeid van registratie grond is voor deze verschillen. Appellante wijst erop dat de bijdrage voor de registratie van een Europees economisch samenwerkingsverband (hierna: EESV) maar slechts € 13,50 bedraagt (tariefgroep 1). Dat registratie van zo een verband veel minder arbeid kost dan registratie van een B.V. met minder dan 49 medewerkers acht appellante voorshands onwaarschijnlijk.

In reactie op het verweerschrift heeft appellante aangevoerd dat haar bezwaar was gericht tegen de factuur als geheel en dat eerst na de rectificatie duidelijk werd hoe de elementen “Registreren” en SER-opslag zich verhouden tot de gerectificeerde factuur.

Voorts is appellante van mening dat, als de regelen rondom de vaststelling van de opslag door SER niet voorzien in de mogelijkheid om de SER-opslag te verlagen indien de bijdrage voor de Kamer lager wordt, deze regelen strijd opleveren met een redelijk en rechtvaardig rechtssysteem en daarom onverbindend verklaard moeten worden. Ook vermag appellante niet in te zien waarom verweerster niet bevoegd zou zijn om af te wijken van een besluit dat zij zelf heeft genomen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of de door appellante in beroep aangevoerde gronden bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat de gronden die appellante in beroep heeft aangevoerd in het verlengde liggen van de gronden die in bezwaar zijn aangevoerd en dat pas na de rectificatie van de bijdrage door verweerster voor 2008 in de beslissing op bezwaar de verhouding van SER-opslag en de resterende bijdrage ten volle duidelijk werd. Naar het oordeel van het College verzet een goede procesorde noch artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zich tegen het in aanmerking nemen van de beroepsgronden bij de onderhavige beoordeling.

5.2 Met betrekking tot de argumenten van appellante over de hoogte van de bijdrage voor het element “Registreren” overweegt het College het volgende.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Wet is appellante een bijdrage verschuldigd ter financiering van de taak wetsuitvoering. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat de hoogte wordt vastgesteld overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen verhouding van naar rechtsvorm en grootte ingedeelde ondernemingen hetgeen is geschied in artikel 1 van het Besluit heffingen. Aan de categorie “ondernemingen toebehorende aan een natuurlijk persoon en Europese economische samenwerkingsverbanden” is het gewicht 1 toegekend en aan de overige categorieën van ondernemingen een hoger gewicht. De nota van toelichting bij artikel 1 van dit Besluit (Stb. 1997, 786) vermeldt dat de vastgestelde verhouding het verschil weerspiegelt in kosten voor de onderscheiden categorieën van ondernemingen verbonden aan de instandhouding van het handelsregister en de deponering van de jaarstukken.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit heffingen is aan de categorie “naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid met een maatschappelijk kapitaal tot € 2 500 000 en een aantal werkzame personen tot 50”, dat is de categorie waar appellante toe behoort, het gewicht 3 toegekend. Het door verweerster van appellante geheven bedrag van € 40,50 is hiermee in overeenstemming.

Voorzover appellante beoogd heeft te betogen dat de vastgestelde verhouding geen correcte afspiegeling vormt van de kosten die worden gemaakt, overweegt het College dat bij het Besluit heffingen er voor gekozen is het aantal categorieën van ondernemingen te beperken. Naar haar aard brengt zo een categorie-indeling mee dat gevallen die binnen een bepaalde marge niet gelijk zijn, toch voor de toepassing van een bepaalde regeling over één kam kan worden geschoren. Ook valt niet zonder meer in te zien dat de kosten voor de instandhouding van het handelsregister en het deponeren van de jaarstukken van pensioen- en stamrecht B.V.’s, ook al kunnen deze onder bepaalde voorwaarden volstaan met een accountantsverklaring, zo veel minder zijn dan voor andere besloten vennootschappen dat de indeling in dezelfde groep niet meer gerechtvaardigd zou zijn. Een EESV verschilt van een besloten vennootschap omdat zij niet verplicht is ieder boekjaar een financieel verslag te deponeren bij de Kamer van Koophandel op grond van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het College merkt daarbij nog op dat in dit geding niet aan de orde is of een andere – in theorie denkbare – heffingsopzet, te verkiezen zou zijn boven het thans gekozen stelsel. De vraag welke de meest redelijke inhoud van een bepaalde heffingsregeling is, ligt immers buiten de beoordeling en buiten de taak van de rechter. Het betoog van appellante faalt dus.

Met betrekking tot het betoog van appellante dat verweerster bevoegd is om af te wijken van de in het Heffingsbesluit 2008 vastgestelde heffing voor de registratietaak overweegt het College dat verweerster op grond van artikel 32, vijfde lid, van de Wet op aanvraag de verplichting tot betaling van de verschuldigde bijdrage geheel of gedeeltelijk buiten toepassing kan laten. Gesteld noch gebleken is echter dat in het onderhavige geval sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van de Wet. De omstandigheid dat het bij appellante gaat om een stamrecht-B.V. is niet zodanig bijzonder dat met recht kan worden gesproken van een bijzonder geval in de zin van artikel 32, vijfde lid, van de Wet.

5.3 Het betoog van appellante dat bij het lager worden van de totale bijdrage ook de SER-opslag lager zou moeten worden faalt. De hoogte van SER-opslag is gekoppeld aan de rechtsvorm van de onderneming en niet aan de hoogte van de verschuldigde bijdrage. Blijkens de toelichting bij de Verordening opslagen en bijdragen 2008 wordt in de inkomsten van de Raad voorzien door een nominale opslag op de bijdragen die ondernemingen voor hun inschrijving in het Handelsregister aan de kamers van koophandel zijn verschuldigd. Voor de berekening van deze opslag wordt voor de categorieën van ondernemingen aangesloten bij het Besluit heffingen. Met betrekking tot de aan de ondernemingen gerelateerde gewichten (de wegingscoëfficiënten) is niet aangesloten bij het Besluit heffingen zoals dat thans geldt, maar bij dat Besluit zoals het voor 1 januari 2008 gold. Sinds genoemde datum hoeven de opslagen niet meer op dezelfde grondslag als de overige aan de kamers verschuldigde bedragen te worden opgelegd. Uit de toelichting bij de wijziging van artikel 55 Wbo die hiertoe strekte (Tweede kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 229, nr. 7, bladzijde 5) kan worden ontleend dat de nieuwe gewichten die gelden voor de verdeling van de handelsregisterheffingen geen goede maatstaaf zijn voor de vaststelling van de hoogte van de SER-opslag, aangezien de werkzaamheden van de Sociaal-Economische Raad naar hun aard met zich brengen dat de SER-opslag meer gerelateerd moet zijn aan de omvang van een onderneming.

Het College constateert dat de Verordening opslagen en bijdragen 2008 hiermee in overeenstemming is. Er is dan ook geen reden deze Verordening onverbindend te verklaren. Het College merkt ook in dit verband op dat, gelet op het in rubriek 5.2 overwogene, in dit geding niet aan de orde is of een andere – in theorie denkbare – heffingsopzet, te verkiezen zou zijn boven het thans door de Sociaal-Economische Raad gekozen stelsel.

5.4 De conclusie van het vorenoverwogene is dat het beroep is ongegrond moet worden verklaard.

5.5 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb .

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2008.

w.g. J.A. Hagen w.g. A. Graefe


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature