< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft verdachte, een ex BVD medewerker, veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens het onder zich hebben van staatsgeheime informatie zonder daartoe gerechtigd te zijn. De rechtbank acht niet bewezen dat hij deze staatsgeheime stukken heeft verstrekt aan Mink K. en hem daarvan vrijgesproken.

De beide medeverdachten in deze zaak zijn door de rechtbank vrijgesproken van al hetgeen hen is telastegelegd

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/754023-06

's-Gravenhage, 22 oktober 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte A.],

geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats]

[adres]

De terechtzittingen.

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 januari 2007, 29 en 30 januari 2007, 10 en 12 april 2007, 23 mei 2007, 16 en 17 juli 2007, 3 en 4 september 2007 en 8 oktober 2007.

De verdachte, telkens bijgestaan door zijn raadsman mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's Gravenhage, is steeds ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Harderwijk heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1 en onder 2 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft hierbij de kanttekening gemaakt dat hij, indien hij feit 2 niet bewezen zou hebben geacht, een gevangenisstraf van drie jaar zou hebben gevorderd.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1.

Ter inleiding: enkele relevante feiten

1. Op 20 januari 2006 heeft het dagblad De Telegraaf aan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) gemeld in het bezit te zijn van documenten met staatsgeheime gegevens betreffende operationele werkzaamheden van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (hierna: BVD), de voorganger van de AIVD. De Telegraaf heeft op genoemde datum een set kopieën van de door haar ontvangen documenten aan de AIVD verstrekt.

2. Op 21 januari 2006 meldde De Telegraaf in een artikel van de hand van de journalisten [de H.] en [M.] onder de kop ‘AIVD-geheimen bij drugsmaffia’ dat het in bezit was gekomen van staatsgeheime documenten. In dit artikel worden uit enkele van de ze documenten passages aangehaald.

3. Op 22 januari 2006 heeft de AIVD aangifte gedaan van overtreding van artikel 98 e.v. van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (schending van een staatsgeheim) tegen nog onbekende daders. In de aangifte wordt gemeld dat de van De Telegraaf ontvangen documenten gekopieerde werkdossiers van de BVD betreffen met gevoelige operationele gegevens over globaal de periode 1996 - 2000. Deze gegevens hebben betrekking op operationeel onderzoek van de BVD naar mogelijke integriteitsaantastingen in relatie tot het openbaar bestuur en de rechtspleging in Nederland.

4.Naar aanleiding van deze aangifte heeft de Rijksrecherche een opsporingsonderzoek ingesteld onder de codenaam Oslo. Dit strafrechtelijke onderzoek stond onder leiding van officier van justitie mr. E.D. Harderwijk, werkzaam bij het arrondissementsparket te Breda.

5. Onafhankelijk van het strafrechtelijk onderzoek heeft de AIVD op grond van artikel 6, lid 2 onder a van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: Wiv 2002) een eigen operationeel onderzoek ingesteld naar het uitlekken van staatsgeheimen.

6. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft de Rijksrecherche op grond van artikel 96a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) De Telegraaf bevolen aan haar uit te leveren ‘document(en) en/of kopie(ën) met staatsgeheime gegevens betreffende operationele werkzaamheden van de BVD en/of de AIVD’. De Telegraaf heeft hiertegen bij brief van haar raadsman d.d. 30 januari 2006 verweer gevoerd. Op 1 februari 2006 werd door een hoofdinspecteur van de Rijksrecherche uit handen van de raadsman van De Telegraaf overgenomen en inbeslaggenomen een verzegelde enveloppe met, naar verklaard werd, de documenten waarvan de uitlevering was bevolen. Deze enveloppe is diezelfde dag overgedragen aan mr. J.A. van Steen, rechter-commissaris bij deze rechtbank. Vervolgens heeft De Telegraaf op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van de inbeslaggenomen documenten. De meervoudige raadkamer van deze rechtbank heeft dit klaagschrift bij beschikking d.d. 31 maart 2006 ongegrond verklaard. De rechter-commissaris heeft vervolgens diezelfde dag de (nog steeds verzegelde) enveloppe overgedragen aan de Rijksrecherche. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft de documenten onderzocht op sporen, maar deze niet aangetroffen. De documenten zijn vervolgens ter beschikking gesteld aan de AIVD.

7. Bij ambtsbericht aan de landelijk officier van justitie, als genoemd in artikel 38, lid 1 Wiv 2002 (hierna: de landelijk officier) d.d. 6 februari 2006 heeft het hoofd van de AIVD gemeld dat, gezien de aard en de samenstelling van de set documenten die zij (op 20 januari 2006) van De Telegraaf had ontvangen vier (ex-)medewerkers van de BVD en/ of AIVD de beschikking kunnen hebben (gehad) over kopieën of originelen van deze gehele set. In een aanvullend ambtsbericht d.d. 14 februari 2006 heeft de AIVD gemeld dat één van deze vier personen de latere verdachte [verdachte A.] is.

8. In ambtsberichten (eveneens aan de landelijk officier) d.d. 6 februari 2006 en 22 februari 2006 heeft het hoofd van de AIVD melding gemaakt van contacten tussen de journalist [M.], al dan niet samen met zijn collega [De H.], enerzijds en onder meer de latere verdachten [verdachte P.], [verdachte Q.] en [verdachte R.] anderzijds, in verband met bovengenoemd artikel in De Telegraaf, deels al voor de datum van publicatie. In de ambtsberichten wordt voorts melding gemaakt van contacten tussen [verdachte P.] en [verdachte Q.] en tussen [verdachte P.] en [verdachte R.] waarin gesproken is over [verdachte A.] en/of deze publicatie.

9. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn met ingang van 8 maart 2006 enkele bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet. Dit betreft:

- het afluisteren van telefoongesprekken (126m Sv) in de zaken tegen de verdachten [verdachte A.], [verdachte R.], [verdachte Q.], [verdachte P.] en [verdachte S.];

- onderzoek naar telecommunicatie (126n Sv) in de zaken tegen deze zelfde verdachten alsmede de beide Telegraaf-journalisten (als verdachten);

- stelselmatige observatie in de zaken tegen de verdachten [verdachte A.], [verdachte P.], [verdachte R.] en [verdachte S.] (126g Sv), en

- het opnemen van vertrouwelijke communicatie (126l Sv) in de zaak tegen de verdachte [verdachte R.].

10. Op 8 februari 2006 zond mr. F. Teeven, destijds als officier van justitie werkzaam bij het landelijk parket, een proces-verbaal aan mr. Harderwijk met de volgende inhoud: 'Ondergetekende (…) verklaart op dinsdag 7 februari 2006 van een persoon, van wie de personalia hem bekend zijn, de volgende informatie te hebben ontvangen:

‘[Van H.], freelance journalist, heeft de informatie die is ontvreemd bij de AIVD aangeboden aan het dagblad de Telegraaf. Zij willen niet alles publiceren. Thans biedt [Van H.] die informatie aan aan andere media. [Van H.] bewaart de AIVD informatie bij hem thuis (…)'.

11. De verdachte [verdachte A.] is op 4 mei 2006 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 10 mei 2006 is hij in bewaring gesteld. De inbewaringstelling is bevolen op grond van verdenking van primair overtreding van artikel 98a Sr (openbaar maken van een staatsgeheim ) en subsidiair overtreding van artikel 98 Sr (schending van een staatsgeheim ). De rechter-commissaris heeft als gronden voor de voorlopige hechtenis aangenomen de geschokte rechtsorde (gekoppeld aan het 'twaalf-jaars' feit van artikel 98a Sr), het herhalingsgevaar en de onderzoeksgrond. Vervolgens is de gevangenhouding bevolen ter zake dezelfde feiten en op dezelfde gronden. Bij de verlenging van het bevel tot gevangenhouding d.d. 20 juli 2006 is op vordering van de officier van justitie tevens overtreding van artikel 98c Sr (bemachtiging van een staatsgeheim ) aan de voorlopige hechtenis ten grondslag gelegd.

12. De verdachte [verdachte R.] is op 19 mei 2006 aangehouden en in verzekering gesteld. Hij is vervolgens op 23 mei 2006 in bewaring gesteld. De inbewaringstelling is bevolen ter zake overtreding van primair artikel 98a Sr , subsidiair artikel 98 Sr en meer subsidiair artikel 98c Sr. Ook ten aanzien van de ze verdachte heeft de rechter-commissaris als gronden voor de voorlopige hechtenis aangenomen de geschokte rechtsorde (gekoppeld aan het 'twaalf-jaars' feit van artikel 98a Sr), het herhalingsgevaar en de onderzoeksgrond. Het bevel gevangenhouding is vervolgens ten aanzien van dezelfde feiten en op dezelfde gronden verleend op 1 juni 2006. De gevangenhouding is verlengd op 29 juni 2006. Op 6 juli 2006 is het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven door het gerechtshof, bij gebreke van ernstige bezwaren voor het primair op de vordering vermelde 'twaalf-jaars' feit en mede in verband daarmee het ontbreken van gronden.

13. De verdachte [verdachte Q.] is op 17 mei 2006 aangehouden en in verzekering gesteld. De vordering inbewaringstelling, identiek aan de vordering in de zaak tegen [verdachte R.], is op 23 mei 2006 door de rechter-commissaris afgewezen omdat er onvoldoende ernstige bezwaren waren tegen verdachte.

14. De verdachte [verdachte P.] is aangehouden en in verzekering gesteld op 17 mei 2006. De vordering tot inbewaringstelling is op 23 mei 2006 door de rechter-commissaris afgewezen omdat er onvoldoende ernstige bezwaren waren tegen deze verdachte. De verdachte [verdachte S.] is aangehouden en in verzekering gesteld op 18 mei 2006. De officier van justitie heeft ten aanzien van deze verdachte geen vordering tot inbewaringstelling ingesteld.

15. De beide journalisten van De Telegraaf, [M.] en [De H.], zijn ook als verdachten aangemerkt, maar niet aangehouden. In het kader van het onderzoek is ook het dagblad De Telegraaf als verdachte aangemerkt. De beide journalisten zijn door de Rijksrecherche als verdachten gehoord op 9 mei 2006 en op 16 augustus 2006.

16. Het plaatsvervangend hoofd van de AIVD heeft bij brief d.d. 4 mei 2006 de verdachte [verdachte A.] als voormalig medewerker van de BVD gewezen op het voortduren van zijn geheimhoudingsplicht ingevolge artikel 85, lid 1 Wiv 2002, ook nu hij niet meer bij de BVD /AIVD werkzaam is en ook nu hij als verdachte is aangemerkt.

17. Bij brief d.d. 24 mei 2006 heeft het hoofd van de AIVD verdachte [verdachte A.] op grond van artikel 86, lid 1 Wiv 2002 van de ze verplichting tot geheimhouding ontheven onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

1. deze ontheffing geldt uitsluitend voor de communicatie tussen verdachte P.A. [verdachte A.] en diens advocaat mr. B.D.W. Martens en diens plaatsvervanger, kantoorgenote mw mr. A. Steutel;

2. P.A. [verdachte A.] mag geen identiteit prijsgeven van BVD en/of AIVD medewerkers of van menselijke bronnen van de dienst;

3. deze ontheffing is beperkt tot hetgeen in het procesdossier is opgenomen, en

4. geldt uitsluitend voor die gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de verdediging;

5. deze ontheffing is geldig tot het moment dat onderhavige strafzaak in Nederland is geëindigd door middel van een definitieve strafrechtelijke uitspraak.

18. In een ambtsbericht d.d. 4 mei 2006 heeft de AIVD gemeld dat het verzegelde pakket dat zij had ontvangen na de beslissing van de raadkamer d.d. 31 maart 2006, 37 documenten minder bevatte dan de set die zij op 20 januari 2006 van De Telegraaf had ontvangen. Op 5 mei 2006 zijn door De Telegraaf aanvullende documenten overhandigd, ditmaal aan de Rijksrecherche, die de ontvangen documenten heeft overgedragen aan de AIVD. Volgens de AIVD missen er dan, blijkens een vervolgaangifte d.d. 7 juni 2006, nog steeds 11 documenten ten opzichte van de set die de AIVD op 20 januari 2006 van De Telegraaf had ontvangen.

19. In het kader van zijn operationele onderzoek heeft de AIVD bijzondere bevoegdheden (in elk geval het afluisteren van telefoongesprekken) ingezet tegen genoemde journalisten van De Telegraaf. Het dagblad De Telegraaf en de beide journalisten hebben in een kort geding gevorderd, kort samengevat, de Staat te gebieden dit onderzoek, meer in het bijzonder de inzet van bijzondere bevoegdheden, door de AIVD te staken alsmede uit dit onderzoek verkregen gegevens te vernietigen. Subsidiair werd gevorderd de Staat te verbieden deze gegevens ter hand te stellen of mededeling daaromtrent te doen aan het Openbaar Ministerie dan wel daarvan gebruik te maken in de strafrechtelijke procedures tegen de journalisten. De journalisten hebben over de inzet van bijzondere bevoegdheden tegen hen ook een klacht ingediend bij de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. In hoger beroep heeft het gerechtshof te ’s-Gravenhage bij arrest d.d. 31 augustus 2006 (LJN: AY 7004) onder meer de Staat verboden om materiaal (en kopieën daarvan), verkregen met behulp van de toepassing van bijzondere bevoegdheden, ter hand te stellen of mededeling daaromtrent te doen aan het Openbaar Ministerie, zolang de Commissie van Toezicht niet heeft geoordeeld dat de verkrijging daarvan rechtmatig was.

20. Op 21 augustus 2006 heeft de rechtbank in de zaak tegen verdachte [verdachte A.] onder meer beslist dat de door De Telegraaf aan de AIVD ter beschikking gestelde documenten (zie hierboven onder 1) aan het dossier dienden te worden toegevoegd.

21. Eind september 2006 heeft de officier van justitie het 'einddossier' van het Oslo-onderzoek ter beschikking gesteld aan de rechtbank en de verdediging. Eerdergenoemd proces-verbaal van mr. Teeven d.d. 8 februari 2006 (zie hierboven onder 10) maakt onderdeel uit van dit einddossier. Dit proces-verbaal werd door de zaaksofficier niet eerder verstrekt aan de rechtbank en de verdediging; ook anderszins wisten de rechtbank en de verdediging niet van het bestaan van dit proces-verbaal.

22. Het plaatsvervangend hoofd van de AIVD heeft bij brief d.d. 4 oktober 2006 aan de rechter-commissaris uiteengezet waarom naar zijn oordeel redenen van staatsveiligheid zich verzetten tegen integrale openbaarmaking van de stukken waarvan de rechtbank had beslist (zie hierboven onder 20) dat deze dienden te worden toegevoegd aan het strafdossier. Deze brief werd vergezeld van de 'gewitte' versies - dat wil zeggen ontdaan van volgens de AIVD staatsgeheime informatie - van de bedoelde documenten. Deze set documenten, verdeeld over twee mappen, kent de categorisering 'Tele 1' tot en met 'Tele 32'. Deze set heeft vanaf 4 oktober 2006 steeds ter inzage gelegen op het kabinet van de rechter-commissaris en maakt onderdeel uit van het strafdossier.

23. De verdachte [verdachte A.] heeft op 11 oktober 2006 in het kabinet van de rechter-commissaris kunnen kennisnemen van een set niet-'gewitte' staatsgeheimen, hem ter inzage gegeven door twee medewerkers van de AIVD, met name om te controleren of deze stukken identiek waren aan de 'gewitte' stukken. De officier van justitie en de raadsman van verdachte zijn ermee akkoord gegaan dat deze inzage geschiedde onder de volgende voorwaarden:

- uitsluitend verdachte zal de ongeschoonde stukken bekijken;

- hij zal de stukken bekijken in het bijzijn van zijn raadsman, die zelf de stukken niet zal inzien;

- in de ruimte waar de stukken worden bekeken zijn voortdurend de twee AIVD-medewerkers aanwezig;

- verdachte mag aangeven aan zijn raadsman over welke stukken of bladzijden hij overleg wil voeren;

- verdachte of zijn raadsman kunnen aangeven dat zij willen onderbreken voor overleg; in dat geval zullen de AIVD-medewerkers de ruimte verlaten, met de ongeschoonde stukken; als het overleg klaar is zal het inzien worden voortgezet.

De raadsman heeft bij deze gelegenheid bezwaar gemaakt tegen het feit dat slechts de 'gewitte' en niet de integrale stukken in het dossier waren gevoegd. Hij heeft daarbij verwezen naar de beslissing van de rechtbank d.d. 21 augustus 2006 zoals hierboven vermeld.

24. Verdachte [verdachte A.] heeft bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris op diezelfde datum onder meer verklaard dat de door hem ingeziene ongeschoonde stukken (op één bladzijde na) identiek zijn aan de geschoonde stukken.

25. Ter zitting van 16 en 20 oktober 2006, heeft de rechtbank nader beslist dat de officier van justitie geen ongecensureerde staatsgeheime stukken aan het dossier behoefde toe te voegen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat aan de AIVD op grond van zijn wettelijke taak en verantwoordelijkheid de beslissing toekomt onder hem berustende documenten welke mogelijk voor de strafzaken relevant zijn, al dan niet ter beschikking te stellen aan het Openbaar Ministerie ter voeging in het strafdossier.

26. Ter zitting van 16 en 20 oktober 2006 heeft de officier van justitie een concept-tekst overgelegd van een door hem voorgenomen nadere omschrijving van de telastlegging in de zaak tegen verdachte [verdachte A.]. Het verwijt dat [verdachte A.] staatsgeheime documenten ter beschikking heeft gesteld aan een derde, wordt daarin toegesneden op Mink K. en wordt primair telastgelegd als overtreding van artikel 98a Sr en subsidiair als overtreding van artikel 98 Sr . De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte [verdachte A.] daarop met ingang van 20 oktober 2006 opgeheven omdat het ter beschikking stellen van staatsgeheime documenten aan Mink K. (waarvoor wel ernstige bezwaren aanwezig werden geacht) niet kan worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 98a Sr (openbaarmaking van een staatsgeheim ), zodat er geen ernstige bezwaren zijn dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een 'twaalf-jaars' feit. De rechtbank achtte voorts het herhalingsgevaar en de onderzoeksgrond niet (langer) aanwezig.

27. Ter terechtzitting van 6 en 15 november 2006 heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het tussenarrest van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage in de zaak tegen de AIVD- tolk d.d. 2 oktober 2006 (LJN: AY 9924) beslist dat ten aanzien van de documenten waartoe de officier van justitie de telastlegging wilde beperken door hem ambtsberichten van de AIVD in het geding dienden worden gebracht waarin per document:

- gerelateerd wordt of de ongecensureerde versie identiek is aan de gecensureerde versie welke onderdeel uitmaakt van het strafdossier;

- zonder prijsgeven van de geheime informatie, per gecensureerde passage wordt aangegeven om welk type informatie deze handelt en welk belang van staatsveiligheid in concreto bij censurering in geding is;

- wordt aangegeven welke rubricering van staatsgeheim (zeer geheim, geheim of confidentieel) daaraan wordt gegeven, alsmede - zo mogelijk - waarop deze rubricering berust.

Daarnaast heeft de rechtbank beslist dat de officier van justitie in het geding diende te brengen processen-verbaal van verifiëring ter zake van de landelijk officier.

28. De rechter-commissaris heeft op 15 november 2006 de beide Telegraaf-journalisten gehoord als getuigen. Zij hebben bij die gelegenheid geweigerd een aantal vragen te beantwoorden, omdat beantwoording daarvan huns inziens zou kunnen leiden tot onthulling van de identiteit van hun bronnen. De rechter-commissaris heeft overwogen dat aan de journalisten in beginsel een verschoningsrecht toekomt, maar dat dit niet absoluut is. Op basis van een belangenafweging heeft hij geoordeeld dat in dit geval het verschoningsrecht van de getuigen moest wijken voor de waarheidsvinding. De raadslieden van de verdachten hebben zich in gelijke zin uitgelaten. Op 27 november 2006 zijn de getuigen opnieuw opgeroepen voor verhoor. De getuigen hebben bij deze gelegenheid opnieuw geweigerd een aantal vragen te beantwoorden. De raadsman van de verdachte [verdachte A.] heeft vervolgens de rechter-commissaris verzocht de getuigen te gijzelen. De raadslieden van de verdachten [verdachte R.] en [verdachte Q.] hebben zich bij dit verzoek aangesloten. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris consequenties diende te verbinden aan zijn oordeel en dus tot gijzeling diende over te gaan. De rechter-commissaris heeft vervolgens de gijzeling van de beide getuigen bevolen. De raadkamer van de rechtbank heeft de gijzeling op 30 november 2006 beëindigd, omdat naar haar oordeel het verschoningsrecht van de getuigen diende te prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.

29. De Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten heeft in een rapport d.d. 15 november 2006 geoordeeld dat de inzet van bijzondere bevoegdheden in het kader van het operationele onderzoek van de AIVD, behoudens enkele uitzonderingen, rechtmatig is geweest. De commissie heeft tevens geoordeeld dat de geconstateerde tekortkomingen geen invloed hebben op de rechtmatige verkrijging van de gegevens die door middel van ambtsberichten extern zijn verstrekt.

30. Ter zitting van 8 januari 2007 heeft de officier van justitie, zoals hij reeds eerder had aangekondigd, de telastleggingen toegespitst op vijf 'gewitte' documenten welke aan de betreffende vorderingen (respectievelijk tot nadere omschrijving dan wel tot wijziging van de telastlegging) zijn gehecht. Deze toespitsing betreft alle verdachten en alle aan hen telastgelegde feiten.

31. In antwoord op vragen van de rechtbank heeft de officier van justitie in een bijlage bij een brief d.d. 17 januari 2007 gemeld dat deze vijf documenten afkomstig zijn uit de set 'geschoonde' documenten, welke door de AIVD (zie hierboven onder 22) ter beschikking waren gesteld. Deze documenten zijn, aldus de officier van justitie, de geschoonde versies van de documenten die De Telegraaf op 20 januari 2006 aan de AIVD ter beschikking had gesteld (zie hierboven onder 1). Bij deze brief is gevoegd een proces-verbaal van verifiëring van de landelijk officier waarin deze onder meer meedeelt dat hem is gebleken dat de ongecensureerde versie van de betreffende vijf documenten telkens - uiteraard afgezien van de witgemaakte passages daarin - identiek is aan de gecensureerde versie.

32. Bij deze brief d.d. 17 januari 2007 werd tevens gevoegd een ambtsbericht van het hoofd van de AIVD d.d. 11 januari 2007, waarin gesteld wordt dat een gedetailleerd antwoord op de door de rechtbank gevraagde informatie (zie hierboven onder 27) zicht zou geven op zaken die beoogd zijn geheim te houden, omdat mogelijk delen van het dossier nog circuleren bij onbevoegden. Het hoofd van de AIVD heeft zich in dit ambtsbericht wel in algemene zin uitgelaten over de status van de betreffende vijf documenten.

De telastleggingen

33. Aan verdachte [verdachte A.] wordt, kort gezegd, telastgelegd dat hij

1. (de vijf aan de telastlegging gehechte) staatsgeheime documenten opzettelijk en zonder daartoe gerechtigd te zijn onder zich heeft genomen en/of gehouden (artikel 98c Sr), en

2. opzettelijk deze staatsgeheime documenten (primair) openbaar heeft gemaakt door die ter beschikking te stellen aan [K.] (artikel 98a Sr), dan wel (subsidiair) heeft verstrekt aan een niet gerechtigd persoon, te weten aan [K.] (artikel 98 Sr).

34. Aan verdachte [verdachte R.] wordt, kort gezegd, telastgelegd dat hij

1. (de vijf aan de telastlegging gehechte) staatsgeheime documenten heeft gestolen en/of onder zich heeft genomen en gehouden (artikelen 311 jo 310 Sr en /of artikel 98c Sr);

2. (de vijf aan de telastlegging gehechte) staatsgeheime documenten heeft verstrekt aan een zekere [T.] (artikel 98 Sr);

3. (de vijf aan de telastlegging gehechte) staatsgeheime documenten openbaar heeft gemaakt door ze ter beschikking te stellen aan De Telegraaf, subsidiair die documenten heeft verstrekt aan De Telegraaf (artikel 98a Sr , subsidiair 98 Sr ).

35. Aan verdachte [verdachte Q.] wordt hetzelfde telastgelegd als aan de verdachte [verdachte R.], met uitzondering van de verstrekking van staatsgeheime documenten aan [T.].

Verweren strekkende tot nietigheid van de dagvaarding en/of niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Verweer: telastlegging behelst geen opgave van het feit

36. De verdediging heeft aangevoerd dat de aan de gewijzigde telastleggingen gehechte 'gewitte' documenten geen staatsgeheimen bevatten en dat de enkele vermelding in de telastlegging dat sprake is van staatsgeheimen niet inhoudt een opgave van het feit, zodat de telastlegging nietig is. De verdediging verwijst voor deze opvatting naar onder meer arresten van de Hoge Raad d.d. 1 december 1999 (NJ 1999, 181) en 18 januari 2000 (NJ 2000, 229).

37. Anders dan in de zaken welke ter beoordeling stonden in deze arresten is in de onderhavige telastleggingen niet volstaan met de enkele vermelding dát sprake is van een object dat de strafbare gedraging betreft. Onderdeel van de telastleggingen zijn de vijf daaraan gehechte documenten, waarvan de officier van justitie stelt dat deze - niet alleen in de ongecensureerde, maar ook in de 'gewitte' versie - als staatsgeheim moeten worden aangemerkt. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer. De vraag of de betreffende documenten inderdaad een staatsgeheim karakter hebben, komt hieronder aan de orde.

Verweer: telastlegging is onduidelijk

38. De verdediging heeft aangevoerd dat de telastleggingen erg ruim zijn geformuleerd, onder meer naar plaats en tijd. Omdat op basis van het dossier bovendien verschillende scenario’s denkbaar zijn, is onvoldoende concreet aangegeven welk verwijt de verdachten wordt gemaakt.

39. De rechtbank verwerpt dit verweer. In de telastleggingen is steeds een opgave gedaan van pleegplaatsen en tijdsperioden. Dat daarin verscheidene plaatsen en ruime tijdsperioden zijn vermeld, staat niet in de weg aan de begrijpelijkheid van de telastleggingen. Bovendien is daarin steeds per feit verwezen naar de onderscheiden zaaksdossiers. Voor de verdediging en de verdachten is volstrekt helder geweest tegen welke beschuldigingen zij zich hadden te verweren.

Verweer: in telastlegging ontbreekt 'buitenland component'

40. De raadsman van de verdachte [verdachte A.] heeft aangevoerd dat artikel 98a Sr openbaarmaking van een staatsgeheim alleen strafbaar stelt indien dit gebeurt 'aan een buitenlandse mogendheid, een in het buitenland gevestigde persoon of lichaam dat gevaar ontstaat dat de inlichting aan een buitenlandse mogendheid of aan een in het buitenland gevestigd persoon of lichaam bekend wordt'. Daarom is de plaatsaanduiding 'elders in Nederland' (in feit 2) onvoldoende duidelijk, aldus de raadsman.

41. Dit verweer berust op het uitgangspunt dat artikel 98a Sr alleen strafbaar stelt bekendmaking van een staatsgeheim met een connectie naar het buitenland. Deze opvatting vindt geen steun in de tekst van dit artikel noch in de wetsgeschiedenis. Artikel 98a Sr stelt strafbaar hetzij openbaarmaking van een staatsgeheim, hetgeen iets anders is dan verstrekking van staatsgeheimen aan een onbevoegde zoals strafbaar gesteld in artikel 98 Sr, hetzij verstrekking van een staatsgeheim met een connectie naar het buitenland. De telastlegging ziet duidelijk op de eerste van deze varianten. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

Verweer: de staatsgeheime documenten maken niet integraal onderdeel uit van strafdossier

42. De verdediging heeft betoogd dat zij, nu zij geen inzage heeft gehad in de ongeschoonde documenten, niet de gelegenheid heeft gehad de wel beschikbare 'gewitte' documenten op hun aard, juistheid en betrouwbaarheid te controleren. Zij heeft derhalve niet kunnen vaststellen of inderdaad sprake is van staatsgeheimen. In dit kader heeft de verdediging ook aangevoerd dat de officier van justitie geweigerd heeft uitvoering te geven aan de beslissing van de rechtbank d.d. 21 augustus 2006 de documenten in ongeschoonde vorm aan het strafdossier toe te voegen. De verdediging heeft ook nog gesteld dat één en ander in strijd is met het beginsel van de interne openbaarheid van het strafproces.

43. De rechtbank verwijst hier allereerst naar haar (nadere) beslissing ter zitting van 16 en 20 oktober 2006 (zie hierboven onder 25), inhoudende dat de officier van justitie geen ongecensureerde staatsgeheime stukken aan het dossier behoefde toe te voegen.

44. Interne openbaarheid van het strafproces betekent volledige kenbaarheid van de stukken van het strafdossier voor de verdachte en de verdediging in die zin dat de verdachte en de verdediging over hetzelfde dossier beschikken als de rechtbank. Aan dit vereiste is voldaan. Het strafdossier bestaat mede uit de 'gewitte' documenten, welke vanaf 4 oktober 2006 voor de verdediging en de verdachte ter inzage hebben gelegen bij de rechter-commissaris. De ongeschoonde versies van deze documenten (op 20 januari 2006 door De Telegraaf ter beschikking gesteld aan de AIVD) behoren niet tot het strafdossier. Dit geldt ook voor de documenten die later zijn inbeslaggenomen (zie hierboven onder 6) respectievelijk door De Telegraaf aan de AIVD zijn verstrekt (zie hierboven onder 18).

45. Ingevolge artikel 15 van de Wiv 2002 dient het hoofd van de AIVD zorg te dragen voor de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens, van bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn, alsmede de veiligheid van personen met wier medewerking gegevens worden verzameld. Het staat uitsluitend te zijner beoordeling of onder de AIVD berustende gegevens in verband met de belangen van staatsveiligheid geheim dienen te blijven. De wet voorziet niet in een rechterlijke toetsing vooraf of achteraf. Het is dan ook aan het hoofd van de AIVD (uiteraard onder verantwoordelijkheid van de betreffende minister) om te bepalen welke documenten ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie in het kader van een strafproces en in welke vorm dit gebeurt.

46. De rechtbank onderschrijft niet de stelling van de verdediging dat de verdachten geen eerlijk proces hebben gehad nu de volgens de AIVD staatsgeheime documenten niet integraal onderdeel uitmaken van het strafdossier. De gehele set documenten, zoals die door De Telegraaf aan de AIVD is verstrekt, heeft in geschoonde vorm ter inzage gelegen voor de verdediging en de verdachten. De beschuldiging aan het adres van de verdachte is toegesneden op vijf documenten uit deze set, welke aan de telastlegging zijn gehecht. De AIVD heeft een ambtsbericht uitgebracht over de status van deze vijf documenten en de landelijk officier heeft hierover een proces-verbaal van verifiëring opgesteld, welke stukken onderdeel uitmaken van het strafdossier. Op deze wijze is voldoende gewaarborgd dat de verdediging zich een oordeel heeft kunnen vormen over de status van de betreffende documenten, met name het staatsgeheime karakter daarvan.

47. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat - anders dan in de zaak van de AIVD-tolk waarover het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft geoordeeld in zijn arresten d.d. 12 oktober 2006 (LJN: AY9234) en 1 maart 2007 (LJN: AZ9644) - de vijf documenten welke in 'gewitte' vorm deel uitmaken van de telastleggingen volgens de AIVD en de officier van justitie ook in deze vorm reeds als staatsgeheim moeten worden aangemerkt. Aldus heeft de verdediging en ook de rechtbank kennis kunnen nemen van het voorwerp van het strafrechtelijk verwijt. Niet valt in te zien hoe de verdediging ten aanzien van de mogelijkheid om zich hiertegen te verweren gehinderd wordt doordat zij geen inzage heeft gekregen in deze zelfde documenten in ongeschoonde vorm. De vraag of de documenten in deze vorm inderdaad een staatsgeheim karakter hebben, komt hieronder aan de orde.

Verweer: aan de verdachte [verdachte A.] zijn onaanvaardbare beperkingen opgelegd

48. De raadsman van verdachte [verdachte A.] heeft aangevoerd dat de verdediging op onaanvaardbare wijze in haar rechten is beperkt omdat hij als raadsman de ongecensureerde stukken niet heeft mogen inzien en zijn cliënt de stukken maar éénmaal heeft mogen inzien - en dan nog onder toezicht van ambtenaren van de AIVD - zodat hij de inhoud daarvan op dat moment niet vrijelijk met zijn raadsman heeft kunnen bespreken.

49. Artikel 85, lid 1 van de Wiv 2002 verplicht een ieder die bij de uitvoering van die wet betrokken is en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, tot geheimhouding daarvan. Deze geheimhoudingsplicht geldt onverminderd de artikelen 98 tot en met 98c Sr. Alleen op grond van artikel 86, lid 2 van de Wiv kan een (ex-)medewerker van de AIVD die als verdachte terechtstaat van deze verplichting tot geheimhouding worden ontheven. De belangen van staatsveiligheid die de Wiv 2002 en de artikelen 98 e.v. Sr. beogen te beschermen, staan aan een volledige ontheffing in de weg. Verdachte [verdachte A.] is van zijn geheimhoudingsplicht ontheven onder enkele voorwaarden (zie hierboven onder 17). Deze voorwaarden, die alle betrekking hebben op belangen van staatsveiligheid in relatie tot belangen van de verdediging in de onderhavige strafrechtelijke procedure, komen de rechtbank uit het oogpunt van staatsveiligheid niet onredelijk en uit het oogpunt van verdedigingsbelang niet onwerkbaar voor. Ten aanzien van het verkeer tussen verdachte en zijn raadsman, wijst de rechtbank erop dat in de voorwaarden ruimte is gelaten voor een vrij en vertrouwelijk overleg tussen verdachte en zijn raadsman. Toegespitst op de inzage door verdachte [verdachte A.] van de ongeschoonde stukken, merkt de rechtbank op dat de raadsman akkoord is gegaan met de voorwaarden waaronder dit plaatsvond (zie hierboven onder 23). Anders dan de raadsman stelt heeft zijn cliënt ook de inhoud van de door hem ingeziene stukken vrijelijk met zijn raadsman kunnen bespreken. Weliswaar had de raadsman geen inzage in de stukken, maar de verdachte kon aangeven over welke bladzijden in de stukken hij overleg met zijn raadsman wilde voeren, waarna zulk overleg kon plaatsvinden buiten aanwezigheid van de medewerkers van de AIVD. De conclusie is derhalve dat de aan verdachte opgelegde beperkingen geen afbreuk hebben gedaan aan het voeren van een adequate verdediging.

50. In het kader van de geheimhoudingsplicht van de verdachte [verdachte A.] heeft de verdediging ter terechtzitting van 4 september 2007 nog een aanvullend verweer gevoerd. De verdachte [verdachte A.] heeft op deze zitting achter gesloten deuren aangegeven de naam van een informant van de BVD/AIVD te willen noemen, om zo een hem ontlastende omstandigheid te kunnen aanvoeren. De officier van justitie heeft in reactie hierop gesteld dat het prijsgeven van de identiteit van een informant in strijd is met de geheimhoudingsplicht van de verdachte en aangekondigd dat hij zou overwegen verdachte te vervolgen indien hij ertoe zou overgaan de identiteit van een informant te onthullen. Na beraad heeft verdachte [verdachte A.] ervan afgezien de naam van de informant te noemen, naar zijn zeggen vanwege deze opstelling van de officier van justitie. De raadsman van de verdachte [verdachte A.] heeft daarop aangevoerd dat op deze wijze aan zijn cliënt onaanvaardbare beperkingen van zijn verdedigingsmogelijkheden zijn opgelegd. De raadslieden van de andere verdachten hebben aangevoerd dat de beperking die de verdachte [verdachte A.] heeft ervaren ook afbreuk doet aan de verdediging in de zaken van hun cliënten.

51. De rechtbank merkt hierover op dat zij ter zitting van genoemde datum de verdachte [verdachte A.] en diens raadsman uitdrukkelijk heeft voorgehouden dat de rechtbank zich op het standpunt stelt dat de verdachte (achter gesloten deuren) alles moet kunnen zeggen waarvan hij meent dat dit tot zijn verdediging kan strekken. De verdachte heeft er vervolgens zelf voor gekozen de naam van de informant niet te noemen. De rechtbank wijst erop dat verdachte, indien hij dit wel zou hebben gedaan en de officier van justitie hem hiervoor mogelijk zou hebben vervolgd, zich in dat eventuele strafproces zou kunnen beroepen op een rechtvaardigingsgrond, geënt op het recht op een eerlijk proces als genoemd in artikel 6 EVRM. De keuze van verdachte de naam niet te noemen en de gevolgen daarvan komen dan ook voor zijn rekening. Overigens heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte in beslotenheid heeft aangegeven dat hij niet uit eigen wetenschap zou kunnen verklaren over een hem mogelijk ontlastende omstandigheid in relatie tot de informant wiens naam hij wilde noemen.

52. De conclusie is dat de verweren die gevoerd zijn met een verwijzing naar de geheimhoudingsplicht van de verdachte [verdachte A.] worden verworpen.

Verweer: onrechtmatig gebruik printgegevens journalisten

53. De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is omdat de verdachten in beeld zijn gekomen na een analyse van printgegevens betreffende telecommunicatie van de beide Telegraaf-journalisten. Ingevolge artikel 126aa, lid 2 Sv hadden deze gegevens vernietigd moeten worden, althans niet zonder machtiging van de rechter-commissaris aan het dossier mogen worden toegevoegd, omdat aan de journalisten een verschoningsrecht toekomt ten aanzien van de bij hen bekende bronnen. De verdediging heeft in dit verband met instemming verwezen naar de juridische onderbouwing van dit standpunt door de raadslieden van de journalisten ten overstaan van de rechter-commissaris en de raadkamer in het kader van (voorgenomen) gijzeling (zie hierboven onder 28).

54. In het strafproces rust op de verdediging de plicht de belangen van verdachten zo goed mogelijk te behartigen. Daartoe zal zij in elk stadium van het proces dienen aan te voeren hetgeen zij meent op dat moment in hun belang te zijn. Geen rechtsregel verplicht raadslieden daarbij consistent te zijn. De rechtbank zal dan ook dit verweer beoordelen zonder hen tegen te werpen dat hun huidige standpunt ten aanzien van het verschoningsrecht van de journalisten diametraal staat tegenover de door hen in november 2006 verdedigde opvatting, toen zij hebben aangedrongen op hun gijzeling.

55. De rechtbank heeft ter zitting van 29 en 30 januari 2007 reeds als haar oordeel gegeven dat journalisten een recht op bronbescherming hebben. Zij heeft daarbij tevens aangegeven dat het hier niet gaat om een wettelijk (in artikel 218 Sv) geregeld absoluut verschoningsrecht, zoals dat toekomt aan de 'klassieke' geheimhouders (advocaten, notarissen, geestelijken en artsen). Artikel 126aa, lid 2 Sv beoogt het verschoningsrecht van deze 'klassieke geheimhouders' te waarborgen in die gevallen waarin gebruik gemaakt wordt van bepaalde bijzondere opsporingsmethoden. Deze bepaling strekt er immers toe mededelingen die (potentieel) onder het verschoningsrecht van de 'klassieke' geheimhouders vallen, buiten het strafdossier te houden. De bepaling ziet echter niet op de situatie dat een geheimhouder zelf verdachte is. Het wettelijk verschoningsrecht komt deze geheimhouders immers alleen toe als getuigen. Indien en voor zover al moet worden aangenomen dat a) het recht op bronbescherming van journalisten in dit opzicht gelijkgesteld dient te worden met het wettelijke verschoningsrecht als neergelegd in artikel 218 Sv en dat b ) printgegevens gelijk moeten worden gesteld met (andere) mededelingen als bedoeld in artikel 126aa, lid 2 Sv , geldt ook hier dat deze bepaling niet van toepassing is in het geval een journalist, zoals in dit onderzoek, verdachte was toen jegens hem gebruik is gemaakt van de bevoegdheden ex artikel 126n Sv .

56. Het beroep dat de verdediging op artikel 126aa, lid 2 Sv doet, faalt dus. Overigens ook reeds bij gebreke van feitelijke grondslag. Niet een analyse van de printgegevens van de beide journalisten heeft de verdachten in beeld gebracht, maar de daaraan voorafgaande ambtsberichten van de AIVD d.d. 6 en 22 februari 2006.

Verweer: schending gelijkheidsbeginsel

57. De verdediging heeft aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat de verdachten wel, maar enkele anderen die in eerste instantie ook als verdachten zijn aangemerkt (dit betreft de verdachten [verdachte P.] en [verdachte S.] alsmede de journalisten [M.] en [De H.]) niet worden vervolgd. Ook enkele anderen kunnen als verdachten worden aangemerkt en worden niet vervolgd.

58. De rechtbank stelt voorop dat artikel 167, lid 1 Sv aan het Openbaar Ministerie een zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekent met betrekking tot de vraag of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden (HR 18 mei 1999, NJ 1999, 578). De rechter komt slechts een oordeel toe omtrent een eventueel verval van het recht tot vervolging indien er strijd is met de beginselen van een goede procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel houdt in - kort gezegd - dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden.

59. De rechtbank kan in de beslissing van de officier van justitie de verdachten [verdachte P.] en [verdachte S.] niet te dagvaarden geen schending van het gelijkheidsbeginsel ontwaren. De verdachte [verdachte A.] staat terecht voor andere feiten dan de feiten waarvan [verdachte P.] en [verdachte S.] werden verdacht. Ten aanzien van de verdachten [verdachte R.] en [verdachte Q.] geldt dat de officier van justitie, mede gelet op de door hen door afgelegde verklaringen, tegen hen meer bewijs aanwezig acht dan tegen de verdachten [verdachte P.] en [verdachte S.]. Wat betreft de andere personen die volgens de verdediging als verdachten in aanmerking zouden komen en niet zijn vervolgd, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat tegen hen een redelijke verdenking bestaat.

60. Ten aanzien van de beide Telegraaf-journalisten kan worden vastgesteld dat zij stukken hebben geopenbaard waarvan de AIVD en de officier van justitie stellen dat deze, ook in de vorm waarin De Telegraaf deze heeft gepubliceerd, een staatsgeheim karakter hebben. Tegen hen bestonden en bestaan dus ernstige bezwaren dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan een (ernstig) strafbaar feit. De officier van justitie heeft gemotiveerd aangegeven waarom hij desondanks niet tot verdere vervolging van de beide journalisten (en De Telegraaf) is overgegaan. De rechtbank treedt niet in een beoordeling hiervan, maar hun positie verschilt dermate van die van de verdachten dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Verweer: proces-verbaal van officier van justitie Teeven is te laat ingebracht

61. De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie het hierboven (zie onder 10) genoemde proces-verbaal van mr. Teeven d.d. 8 februari 2006 te laat (eind september 2006) aan het dossier heeft toegevoegd. Dit proces-verbaal bevat informatie die van groot belang was ten tijde van de voorgeleiding van de verdachten (in mei 2006) zowel in het kader van het onderzoek naar de juistheid van de toen gepresenteerde feiten als in het kader van de toetsing van de vorderingen tot (verlenging) van de voorlopige hechtenis, aldus de verdediging. De verdediging heeft in dit kader zich er kritisch over uitgelaten dat de officier van justitie na kennisneming van dit proces-verbaal geen doorzoeking heeft gedaan in de woning van [Van H.].

62. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 3 september 2007 meegedeeld dat hij, naar aanleiding van telefonische informatie van mr. Teeven op 7 februari 2006 - welke gelijkluidend aan het proces-verbaal, maar met de toevoeging dat deze informatie afkomstig was van oud-hoofdofficier van justitie mr. Vrakking - diezelfde avond de rechter-commissaris heeft benaderd in verband met een mogelijke doorzoeking bij [Van H.]. Die vond uiteindelijk geen doorgang, omdat volgens mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting d.d. 30 januari 2007, in overleg met de hoofdofficier van justitie van het landelijk parket en het College van procureurs-generaal is besloten op basis van die 'enkele tip' geen doorzoeking bij een journalist-geheimhouder te laten plaatsvinden. De officier van justitie heeft voorts verklaard dat hij in de loop van het onderzoek inhoudelijk geen nadere signalen heeft ontvangen dat het spoor - [Van H.] in deze zaak mogelijk 'een serieus alternatief scenario' was. Volledigheidshalve heeft hij het proces-verbaal wel onderdeel van het uiteindelijke eindproces-verbaal willen laten uitmaken.

63. De rechtbank kan de beslissing van de officier van justitie om in februari 2006 niet tot een doorzoeking van de woning van de journalist [Van H.] over te gaan, billijken. Zoals hierboven reeds is vermeld, komt journalisten een recht op bronbescherming toe en brengt dit met zich dat het Openbaar Ministerie terughoudendheid past bij de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen, zoals een doorzoeking, bij journalisten. Het College van procureurs-generaal heeft dit ook tot uitgangspunt genomen in zijn 'Aanwijzing toepassing dwangmiddelen bij journalisten' (Staatscourant 6 maart 2002, nummer 46, bladzijde 18). Indien en voor zover de verdediging haar verweer mede baseert op de stelling dat de officier van justitie op dat moment louter naar aanleiding van zijn telefoongesprek met mr. Teeven en/of diens proces-verbaal had moeten overgaan tot een doorzoeking in de woning van [Van H.], kan de rechtbank haar hierin dus niet volgen.

64. De rechtbank stelt, onder verwijzing naar het Dev Sol-arrest (HR NJ 1996, 687), voorop dat bedoeld proces-verbaal als processtuk in de zin van de wet moet worden aangemerkt, nu de daarin opgenomen informatie redelijkerwijs van belang kan zijn in voor verdachte ontlastende zin. In artikel 30 Sv is bepaald dat een verdachte ook tijdens het voorbereidend onderzoek kennis moet kunnen nemen van processtukken. In de memorie van toelichting bij dit artikel staat dat de kennisneming van processtukken "een zeer belangrijk hulpmiddel kan zijn om den loop, die het onderzoek neemt, te volgen, daarop, b.v. door een verzoek aan den rechter-commissaris tot het horen van bepaalde getuigen of anderszins - invloed uit te oefenen en aldus de volledigheid van het onderzoek te bevorderen. Doch, zelfs afgezien van de belangen van het onderzoek, vordert reeds de billijkheid den verdachte niet noodeloos de gelegenheid te benemen om van hetgeen in zijne zaak voorvalt, ten nauwkeurigste op de hoogte te blijven" (MvT Stb. 1921, 14, p. 42).

65. Ook artikel 6 EVRM, lid 3 daarvan in het bijzonder, beoogt - gegeven het beginsel van interne openbaarheid - het recht op informatie gedurende het strafproces te waarborgen. Specifiek in het kader van de voorlopige hechtenis is het van belang dat zowel de verdediging als de rechter beschikken over alle - belastende en ontlastende - stukken die de basis vormen van de te nemen beslissing, te weten de gegrondheid van (de voortzetting van) het voorarrest (EHRM 30 maart 1989, Lamy versus België, EHRM 13 feb. 2001, Schöps / Lietzow / Garcia Alva versus Duitsland). Naar die maatstaf dient artikel 23, lid 4 Sv invulling te krijgen, waarin ten aanzien van de raadkamerprocedures wordt voorgeschreven dat het Openbaar Ministerie 'de op de zaak betrekking hebbende stukken' overlegt. Veronachtzaming van het recht op informatie, ook indien die informatie in een later stadium van de strafrechtelijke procedure wel wordt prijsgegeven, kan volgens het EHRM onder omstandigheden leiden tot schending van het beginsel van 'equality of arms' en, in het verlengde daarvan, tot schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6, lid 1 EVRM .

66. De rechtbank is van oordeel dat de belangen die het voorschrift van artikel 30 Sv beoogt te beschermen en de algemener geformuleerde waarborg die artikel 6 EVRM beoogt te bieden, zijn geschonden. De verdediging heeft inderdaad in het kader van de voorlopige hechtenis geen beroep op (potentieel) ontlastende informatie kunnen doen en evenmin heeft zij in een vroeg stadium naar aanleiding daarvan wensen kunnen kenbaar maken voor nader onderzoek. De uitzondering op het recht op kennisneming van processtukken in een vroeg stadium, zoals die in artikel 30, lid 2 Sv is neergelegd, is in de onderhavige zaak niet van toepassing. Er is dus sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv .

67. De aard van de schending - het proces-verbaal is niet ter beschikking gesteld toen het ter beschikking gesteld had moeten worden - brengt met zich mee dat dit verzuim niet herstelbaar is. Het is bovendien een ernstig verzuim, met name nu de verdachten van meet af aan hebben ontkend zich aan een van de hen verweten gedragingen te hebben schuldig gemaakt.

68.De vraag is echter welk nadeel door het vormverzuim in concreto is veroorzaakt. Het gaat daarbij om a) (de voortduring van) de voorlopige hechtenis en b) het onderzoek naar de feiten.

Ad a:

69. Het verwijt ex artikel 98a subsidiair artikel 98 Sr zoals dat is geformuleerd bij de inbewaringstelling, is niet op Mink K. toegesneden, maar 'open' geformuleerd. In de destijds door de officier van justitie overgelegde stukken (dossier 'Rechtmatigheidstoets Oslo-onderzoek') en de toen door de verdediging gevoerde verweren komt tot uitdrukking dat het mogelijk verwijt (het onderzoek was toen nog in een pril stadium) aan verdachte was dat hij de stukken rechtstreeks dan wel middels tussenkomst van een (onbepaalde) derde aan De Telegraaf ter beschikking had gesteld (en daarmee geopenbaard), dan wel aan een (onbepaalde) derde had verstrekt. Gegeven de stand van het onderzoek destijds acht de rechtbank niet aannemelijk dat de rechter-commissaris geen bewaring zou hebben bevolen, indien de verdediging had kunnen kennis nemen van het proces-verbaal van mr. Teeven en daarop een beroep zou hebben gedaan. Het proces-verbaal behelst immers niet meer dan een 'kale tip', die, indien juist, strafbare betrokkenheid van verdachte als ex-BVD werknemer geenszins uitsloot, terwijl er tegelijkertijd ernstige bezwaren waren jegens verdachte op basis van een ander scenario. Bovendien zou de informatie, indien juist, verdachte in beginsel alleen op een onderdeel van de ruim geformuleerde verdenking ontlasten. Datzelfde geldt voor de gevangenhouding en de verlenging daarvan, temeer omdat in dat laatste kader een ander strafbaar feit, te weten overtreding van artikel 98c Sr , als grondslag voor de voorlopige hechtenis werd toegevoegd. Uiteindelijk vormde niet de genoemde potentieel ontlastende informatie de reden tot opheffing van de voorlopige hechtenis op 20 oktober 2006, maar de toespitsing van het aan verdachte gemaakte feit dat hij staatsgeheime documenten ter beschikking had gesteld aan Mink K. (waarvoor wel ernstige bezwaren aanwezig werden geacht), hetgeen niet kan worden gekwalificeerd als het 'twaalf-jaars' feit van artikel 98a Sr , terwijl ook de overige gronden niet (langer) aanwezig werden geacht (zie hierboven onder 26). De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat verdachte in dit opzicht enig nadeel heeft geleden als gevolg van het vormverzuim.

Ad b:

70. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2006, waarin is neergelegd dat er in de periode 1 september 2005 - 31 maart 2006 geen contact is geweest tussen de telefoonnummers van de betrokken Telegraaf-journalisten [M.] en [De H.] enerzijds en [Van H.] anderzijds. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 januari 2006 jl. medegedeeld dat hij naar aanleiding van de informatie in het proces-verbaal van mr. Teeven met de Rijksrecherche heeft gesproken over een 'vergelijking' van genoemde telefoonnummers, dat toen de printlijsten van de journalisten moesten worden afgewacht en dat ''dit uiteindelijk pas later is uitgezocht (oktober 2006) en nog veel later geverbaliseerd''. Voorts zijn op verzoek van de verdediging mr. Teeven en de heer [Van H.] door de rechter-commissaris gehoord op 11 december respectievelijk 18 december 2006. De rechtbank heeft mr. Teeven als getuige gehoord ter terechtzitting van 31 januari 2007. Naar aanleiding van dat verhoor zijn door de rechter-commissaris de gebleken bron van mr. Teeven, oud-hoofdofficier van Justitie mr. Vrakking en diens (vermeende) bron, journalist [Van den H.] gehoord op 6 april 2007. Voorts is ter terechtzitting van 12 april 2007 mr. Teeven opnieuw gehoord. Journalist [L.], die door mr. Vrakking zelf bij de rechter-commissaris als zijn bron werd genoemd, is door de rechter-commissaris gehoord op 24 april 2007. Ter zitting van 23 mei 2007 zijn mr. Vrakking en [Van den H.] door de rechtbank gehoord.

Middels bovengenoemd, naar aanleiding van de informatie alsnog ingesteld onderzoek, dat overigens geen informatie heeft opgeleverd die daadwerkelijk steun biedt aan een alternatief scenario als in het proces-verbaal van mr. Teeven geschetst, is dit nadeel voor de verdediging deels gecompenseerd.

71. De rechtbank kan niet uitsluiten dat, indien het proces-verbaal van mr. Teeven reeds in mei 2006 aan de verdediging was verstrekt en de hiervoor genoemde getuigen (op verzoek van de verdediging) eerder waren gehoord, dit meer en/of andere relevante informatie zou hebben opgeleverd, maar aannemelijk is dit niet, gelet op de verklaringen van de getuigen [M.], [Van H.], [Van den H.] en [L.]. Indien de verklaringen van de getuigen wel meer en/of andere informatie hadden opgeleverd, zou dit (in theorie) wellicht aanleiding hebben kunnen geven om alsnog (n.b. in mei/ juni 2006, niet in februari 2006) tot doorzoeking van de woning van [Van H.] over te gaan, maar zinvol lijkt dit niet. Het nadeel dat aan de zijde van de verdediging door de gang van zaken mogelijk is geleden kent, als uiteengezet, een in hoge mate speculatief karakter.

72. De rechtbank komt tot de slotsom dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv , nu potentieel ontlastende informatie niet zo spoedig mogelijk ter kennis van de betrokken procespartijen is gebracht. Van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op al hetgeen hiervoor is gesteld, geen sprake. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt daarom verworpen. De rechtbank meent te kunnen volstaan met de enkele vaststelling van het verzuim.

Verweren strekkende tot uitsluiting van het bewijs

Verweer: de Rijksrecherche is onbevoegd

73. Door de verdediging is aangevoerd dat het opsporingsonderzoek in de strafzaak jegens verdachte [verdachte A.] (en vervolgens ook jegens [verdachte R.] en [verdachte Q.]) ten onrechte is uitgevoerd door de Rijksrecherche. In de 'Aanwijzing taken en inzet Rijksrecherche' zijn een aantal cumulatieve voorwaarden neergelegd waaraan voldaan moet zijn om inzet van de Rijksrecherche mogelijk te maken. Eén van die voorwaarden is dat het onderzoek zich moet richten op functionarissen in dienst van de (semi-)overheid. Aan die voorwaarde is niet voldaan nu [verdachte A.] ten tijde van het onderzoek niet in dienst was van de (semi-)overheid. Het door de Rijksrecherche vergaarde bewijsmateriaal moet daarom worden uitgesloten, aldus de verdediging.

74. De 'Aanwijzing taken en inzet Rijksrecherche' van het College van procureurs-generaal is een aanwijzing in de zin van artikel 130, lid 4 van de Wet op de rechterlijke organisatie . Inderdaad is één van de daarin genoemde voorwaarden waaraan -overigens 'in principe' - moet zijn voldaan voor inzet van de Rijksrecherche, dat het onderzoek zich richt op functionarissen in dienst van de (semi-)overheid, van oudsher een speciale taak van de Rijksrecherche. Het doel van de aanwijzing, zoals daarin geformuleerd, is 'dat de Rijksrecherche vooral opereert op het terrein van strafbare gedragingen die daadwerkelijk de integriteit van de rechtspleging en de integriteit van het openbaar bestuur raken'.

75. Het Rijksrecherche-onderzoek nam een aanvang met de aangifte van de AIVD tegen nog onbekende daders. Enkele dagen daarna meldde de AIVD dat er vier (ex-) medewerkers van de AIVD/BVD de beschikking konden hebben (gehad) over die staatsgeheimen. De rechtbank is van oordeel dat een strafrechtelijk onderzoek naar schending van staatsgeheimen in het licht van het doel van de aanwijzing, zoals hierboven weergegeven, bij uitstek een taak is van de Rijksrecherche. Overigens faalt het verweer van de verdediging ook reeds omdat, zoals ook de officier van justitie heeft betoogd , [verdachte A.] ervan werd verdacht staatsgeheimen, afkomstig van de BVD, zonder daartoe gerechtigd te zijn, onder zich te hebben genomen in een periode waarin hij werkzaam was bij de BVD (de staatsgeheimen zouden volgens de aangifte de periode 1996-2000 betreffen). De vermoedelijk strafbare gedraging vond dus plaats toen [verdachte A.] overheidsfunctionaris was. Dat [verdachte A.] ten tijde van het opsporingsonderzoek geen overheidsfunctionaris meer was, doet hieraan niet af.

76. De rechtbank ziet dan ook geen reden de door de Rijksrecherche opgemaakte processen-verbaal in dit onderzoek als bewijsmiddel uit te sluiten.

Verweer: de door De Telegraaf gepubliceerde krantenartikelen die onderdeel uitmaken van het dossier, dienen uitgesloten te worden van het bewijs

77. De verdediging heeft gesteld dat de krantenartikelen uit De Telegraaf die in deze zaak zijn ingebracht, met name de publicatie d.d. 21 januari 2006, weliswaar schriftelijke bescheiden zijn in de zin van artikel 344, lid 1 sub 5 Sv, maar tevens 'moeten worden gezien als schriftelijke bescheiden in de zin van artikel 344a, lid 3 Sv . ' De verdediging heeft betoogd dat die bescheiden 'alleen kunnen meewegen als bewijsmiddel wanneer de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijs en door of namens de verdachte tijdens het geding niet is gevraagd om de anonymus (de bron) te ondervragen'. De verdediging heeft, aldus het pleidooi, de rechtbank verzocht de journalisten te ondervragen, welk verzoek is toegewezen, doch die journalisten ([M.] en [De H.]) wilden hun bron(-nen) niet prijsgeven en dus, zo begrijpt de rechtbank de stelling van de verdediging, is niet duidelijk van wie de informatie in de krant afkomstig is.

78. De rechtbank deelt de mening van de verdediging dat bedoelde krantenartikelen schriftelijke bescheiden zijn in de zin van artikel 344, lid 1 sub 5 Sv. Het standpunt dat voorts door de verdediging wordt ingenomen, deelt de rechtbank niet, omdat artikel 344a, lid 3 Sv betrekking heeft op 'een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt', ingevoerd in het kader van de Wet Getuigenbescherming, en (ook in vergelijkende zin) niet ziet op een krantenartikel, waarin een met naam genoemde journalist zijn of haar bevindingen en /of opinie neerslaat. Het verweer wordt verworpen.

79. Overigens zal de rechtbank aan de bevindingen en/of opinies, zoals verwoord in de bedoelde krantenartikelen geen bewijs ontlenen, voorzover deze niet verifieerbaar zijn omdat de journalisten geweigerd hebben de identiteit van hun bronnen te onthullen en ter bescherming van deze bronnen hun opinies en bevindingen niet hebben onderbouwd.

Verweer: de geschoonde set BVD-documenten die onderdeel uitmaakt van het dossier, is 'gecorrumpeerd' en niet geschikt om tot bewijs te dienen

80. De verdediging heeft aangevoerd dat er zoveel onduidelijkheid bestaat omtrent de gang van zaken met betrekking tot de geschoonde set documenten die deel uitmaakt van het dossier, dat deze set niet geschikt is om tot bewijs te dienen. Omdat er op meerdere momenten stukken door De Telegraaf zijn afgegeven ten behoeve van deze zaak, en er van meerdere categoriseringen, door de AIVD aangebracht, is gebleken, is, zo verstaat de rechtbank het pleidooi, onduidelijk hoe de geschoonde set documenten in het dossier zich verhoudt tot de documenten die De Telegraaf van een derde zou hebben ontvangen.

81. De rechtbank heeft in de loop van het strafproces meermalen aan de officier van justitie vragen gesteld die betrekking hadden op de geschoonde set documenten en op de vijf documenten die aan de telastleggingen zijn gehecht. Uiteindelijk is op dit punt helderheid verkregen. Vaststaat dat

a) de set geschoonde documenten, zoals die onderdeel uitmaakt van het dossier, de set is welke het hoofd van de AIVD op 4 oktober 2006 heeft toegezonden aan de rechter-commissaris;

b) de documenten in deze set - behoudens uiteraard de passages die daarin zijn gewit - identiek zijn aan de documenten welke de AIVD op 20 januari 2006 van De Telegraaf heeft ontvangen;

c) de vijf aan de telastlegging gehechte documenten (bijlagen 3 t/m 11) onderdeel uitmaken van deze (geschoonde) set (achtereenvolgens achter de tabbladen tele 20, tele 20, tele 24, tele 26 en tele 18).

De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

Verweer: de bewezenverklaring mag niet (dan wel niet geheel of in beslissende mate) zijn gebaseerd op anoniem gehoorde AIVD-getuigen

82. Door de verdediging is aangevoerd dat de verhoren van de AIVD-getuigen 1 en 4 bij de Rijksrecherche en ter terechtzitting, nu het hier anonieme getuigen zou betreffen, niet mee mogen wegen tot het bewijs dan wel alleen dan mogen meewegen indien de bewezenverklaring niet geheel of in beslissende mate hierop is gebaseerd. De verdediging beroept zich daartoe op artikel 6, lid 3 sub d EVRM en artikel 344a, lid 3 Sv. Over de verklaringen van genoemde getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris heeft de verdediging overigens expliciet meegedeeld geen opmerkingen te hebben.

83. De anonieme getuige 'pur sang' is de getuige waarvan ook de rechter de identiteit niet kent. De wet kent de bedreigde getuige, ten aanzien van wie door de rechter bevel is gegeven dat ter gelegenheid van zijn verhoor (door de rechter-commissaris) zijn identiteit verborgen wordt gehouden en waarvoor een regeling in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen in de artikelen 226a Sv e.v. In casu zijn de AIVD-getuigen geen anonieme getuigen 'pur sang' en evenmin bedreigde getuigen, maar zijn vragen naar persoonsgegevens achterwege gelaten en zijn de getuigen onder codenummer gehoord, door de Rijksrecherche omdat er een zogeheten 'afbreukrisico' zou bestaan en door de rechter-commissaris ex artikel 190 lid 2 Sv (wel is bekend dat de getuigen medewerkers van de AIVD zijn). De rechter-commissaris heeft daartoe overwogen "dat er een gegrond vermoeden bestaat dat de getuigen anders in verband met het afleggen van een verklaring in de uitoefening van hun beroep zullen worden belemmerd". Voorts heeft de rechter-commissaris de identiteit van de getuigen geverifieerd. De getuigen zijn vervolgens - anders dan in geval het een bedreigde getuige zou betreffen - in bijzijn van de verdediging, verdachte [verdachte A.] en de officier van justitie, evenals bij de Rijksrecherche onder codenummer, door de rechter-commissaris gehoord, waarbij zij vermomd waren en hun stem werd vervormd. De rechtbank heeft die getuigen, na sluiting van de deuren in verband met het belang van staatsveiligheid, ter terechtzitting gehoord in aanwezigheid van de officier van justitie, de verdediging en verdachte [verdachte A.], onder codenummer en middels een audio-verbinding en stemvervorming (de getuigen bevonden zich niet in de zittingszaal, maar in een andere ruimte in de rechtbank, in bijzijn van onder meer een griffier van de rechtbank). Overigens past hierbij nog de opmerking dat de namen van deze getuigen wel bekend zijn bij de verdachte [verdachte A.]; beiden waren immers (naaste) collega’s van hem toen hij nog bij de BVD werkte.

84. De verklaringen van de AIVD-getuigen ten overstaan van de Rijksrecherche zijn schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344, lid 1 onder 2 Sv. Voor wat betreft het gebruik voor het bewijs van schriftelijke bescheiden, houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt, geldt de bewijsregeling van artikel 344a Sv . Dit artikel geldt echter niet voor de onder beperkte anonimiteit (artikel 190 Sv) gehoorde getuigen. De wetgever ging ervan uit dat deze personen ter terechtzitting door de verdediging rechtstreeks kunnen worden ondervraagd en achtte daarom een extra waarborg niet noodzakelijk. In casu zijn de AIVD-getuigen op verzoek van de verdediging in haar bijzijn door de rechter-commissaris en voorts ook door de rechtbank gehoord en is de mogelijkheid tot ondervraging voor de verdediging dus daadwerkelijk geëffectueerd.

85. De verklaringen van de getuigen, afgelegd ter terechtzitting, zijn bewijsmiddelen in de zin van artikel 342 Sv . Artikel 344a Sv is op die verklaringen dan ook niet van toepassing. De getuigen zijn, gegeven het ook door de rechtbank erkende 'afbreukrisico' van de getuigen en de belangen van staatsveiligheid, die het treffen van de hierboven genoemde maatregelen noodzakelijk maakten, desalniettemin gehoord onder omstandigheden die - gegeven de daaruit voortvloeiende (geringe) beperkingen - de verdediging optimaal de gelegenheid hebben geboden de getuigen rechtstreeks vragen te stellen en de betrouwbaarheid van hun verklaringen te toetsen. Hierbij verdient nog opmerking dat de getuigen en de verdediging tijdens de verhoren beschikten over dezelfde set met geschoonde documenten waarop de ondervraging zich toespitste; de getuigen hadden bovendien de beschikking over de ongeschoonde documenten.

86. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, noch in artikel 6 EVRM , noch in artikel 344a Sv , een beletsel om de verklaringen van de AIVD-getuigen, afgelegd ten overstaan van de Rijksrecherche en ter terechtzitting, zonder enige beperking voor het bewijs te bezigen.

Verweer: geen gebruik ambtsberichten en overige informatie van de AIVD

87. De verdediging heeft aangevoerd dat ambtsberichten en overige informatie afkomstig van de AIVD niet mogen bijdragen aan het bewijs. Ze heeft er daarbij op gewezen dat de landelijk officier van justitie, mr. Maan, tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij noch de rechtmatigheid van de totstandkoming van de ambtsberichten, noch de betrouwbaarheid van de bronnen waarop deze berichten zijn gebaseerd, heeft getoetst. De verdediging heeft in dit kader ook gewezen op bovenvermelde (zie onder 19) uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage d.d. 31 augustus 2006. Omdat, aldus de verdediging, het strafrechtelijk onderzoek tegen de journalisten hetzelfde onderzoek is als dat tegen de verdachten en voorshands niet kan worden beoordeeld of en welke ambtsberichten in het dossier rechtmatig zijn verkregen, dienen alle ambtsberichten van de AIVD en overige van de AIVD afkomstige informatie, waarvan duidelijk is dat dit materiaal verzameld is naar aanleiding van onderzoek (naar de journalisten) in de periode eind januari 2006 tot 21 juni 2006, te worden uitgesloten van het bewijs.

88. In zijn arrest van 5 september 2006 heeft de Hoge Raad (NJ 2007, 336) overwogen dat er in beginsel geen bezwaar bestaat tegen het gebruik in het strafproces van door inlichtingen- en veiligheidsdiensten vergaard materiaal. Dit kan onder omstandigheden anders zijn, zoals in de gevallen dat in het opsporingsonderzoek doelbewust strafvorderlijke waarborgen worden omzeild teneinde gebruik te kunnen maken van door een inlichtingen- of veiligheidsdienst vergaard materiaal of de betrokken dienst fundamentele rechten van de verdachte heeft geschonden. De Hoge Raad tekent hierbij wel aan dat de strafrechter met de nodige behoedzaamheid zal moeten beoordelen of dit materiaal, gelet op de soms beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken.

89. De rechtbank herhaalt hier dat de AIVD onafhankelijk van het strafrechtelijk onderzoek een eigen operationeel onderzoek heeft gedaan naar het uitlekken van staatsgeheimen. Noch de rechtbank, noch de officier van justitie, noch de verdediging is op de hoogte van de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd en de bevindingen daarvan, uitgezonderd hetgeen hieromtrent is neergelegd in de (aanvullende) aangiften en ambtsberichten, is verklaard door getuigen en is gemeld in het onder 29 vermelde rapport van de Commissie van Toezicht betreffende Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Niet is gebleken - overigens ook niet aangevoerd - dat in het opsporingsonderzoek strafvorderlijke waarborgen zijn omzeild. Evenmin is gebleken dat door de AIVD fundamentele rechten van deze verdachten zijn geschonden, terwijl de Commissie van Toezicht bovendien heeft geoordeeld dat de inzet van bijzondere bevoegdheden jegens de beide Telegraaf-journalisten rechtmatig was. Er is dus geen bezwaar de bedoelde aangiften, ambtsberichten en verklaringen van getuigen tot het bewijs te bezigen. Indien en voor zover de ambtsberichten echter inlichtingen bevatten, waarvan de verdediging de betrouwbaarheid niet heeft kunnen aanvechten, zoals de hierboven onder 8 genoemde ambtsberichten d.d. 6 en 22 februari 2006, zal de rechtbank deze niet als bewijsmiddel gebruiken.

Bewijsoverwegingen

Staatsgeheimen als bedoeld in artikel 98c Sr

90. De rechtbank zal, gelet op hetgeen hierboven onder 29 is opgemerkt, eerst moeten vaststellen of de vijf aan de telastlegging gehechte documenten zijn aan te merken als staatsgeheim.

91. Deze vijf documenten zijn weliswaar 'gewit' en dus niet in oorspronkelijke vorm beschikbaar gesteld, maar de passages die in de publicatie van De Telegraaf d.d. 21 januari 2006 zijn opgenomen zijn er wel in terug te vinden. Volgens de AIVD bevatten deze passages staatsgeheimen, maar bestond er geen aanleiding meer tot geheimhouding daarvan vanwege de openbaarmaking in De Telegraaf.

Kort gezegd bevatten de 'gewitte' documenten (gepubliceerde) passages over corrupte politieambtenaren, over Robert Mink [K.]/RMK en de criminele organisatie rondom hem, de wapen- en springstoffenhandel waar deze criminele organisatie zich mee bezig houdt, over contrastrategieën, de vorming van team 'Mikado' binnen de BVD, het onderzoek dat dit team zou moeten verrichten naar corrupte ambtenaren in het korps Amsterdam, over liquidaties met pistolen afkomstig uit een politiebureau, over [F.], over bronnen en over de operaties 'Sentaro' en 'Herfstbos'.

92. In zijn aanvullende aangifte heeft het hoofd van de AIVD, de heer Van Hulst, zich uitgelaten over een aantal specifieke citaten, afkomstig uit en letterlijk terug te vinden in de vijf aan de telastlegging gehechte documenten. Die citaten zijn volgens de aangifte alle afkomstig uit een naar de inhoud als staatsgeheim aangemerkt document en, op één na, allemaal staatsgeheim van karakter. Van Hulst zegt in concreto ten aanzien van elk van die citaten dat er sprake is van (schending van) staatsgeheimen 'gezien de verwijzing naar (de codenaam) van een bron van de AIVD en de specifieke bijzonderheden die vermeld staan in en bij het citaat die slechts in beperkte kring bekend kunnen zijn'.

93. Bij de stukken bevindt zich voorts een ambtsbericht van de AIVD (zie hierboven onder 32), opgemaakt door het hoofd van de AIVD , met betrekking tot de status van de vijf documenten (waarvan de als staatgeheim aangemerkte passages dus onderdeel uitmaken). Daarin staat vermeld:

'Documenten 1 tot en met 4.

Deze documenten betreffen alle een verslag van resultaten uit de inzet van een bijzondere bevoegdheid. Het document is Stg Geheim gerubriceerd. Openbaarmaking van de gewitte passages van deze resultaten leidt tot ernstige schade aan het belang van de Staat, omdat hiermee het actuele kennisniveau en/of op welke wijze onderzoek gedaan werd (modus operandi), dan wel identiteit van menselijke bronnen van de AIVD bekend wordt.

Document 5.

Het betreft hier een document bestaande uit 5 pagina’s, zijnde een evaluatie van het onderzoek naar mogelijk corrumperende justitie- en politiefunctionarissen in de kring rondom Mink K. Het document is Stg Geheim gerubriceerd. Openbaarmaking van de gewitte passages van deze resultaten leidt tot ernstige schade aan het belang van de Staat, omdat hiermee het actueel kennisniveau en/of op welke wijze onderzoek gedaan werd (modus operandi), dan wel identiteit van menselijke bronnen van de AIVD bekend wordt.'

94. De landelijk officier heeft in zijn proces-verbaal van verifiëring d.d. 11 januari 2007 (zie hierboven onder 31) bevestigd hetgeen in dit ambtsbericht over deze documenten is vermeld.

95. Bij de beoordeling van de vraag of de vijf aan de telastlegging gehechte documenten staatsgeheimen bevatten, is onder meer het volgend wettelijk kader van belang:

i) Artikel 98 Sr , waarin (voor zover met het oog op de telastlegging relevant) is bepaald dat een staatsgeheim een inlichting is waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat of zijn bondgenoten wordt geboden.

ii) De Wiv 2002 , onder meer artikel 6, lid 2 :

De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst heeft in het belang van de nationale veiligheid tot taak:

a. het verrichten van onderzoek met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat;

……

c. het bevorderen van maatregelen ter bescherming van de onder a genoemde belangen, waaronder begrepen maatregelen ter beveiliging van gegevens waarvan de geheimhouding door de nationale veiligheid wordt geboden (…etc)

en artikel 1 5 :

De hoofden van de diensten dragen zorg voor:

a. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens;

b. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn;

c. de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld.

96. De rechtbank overweegt dat, gegeven de opdracht die de Wiv 2002 aan de BVD/AIVD stelt, inlichtingen van de BVD (of AIVD) afkomstig, die informatie verschaffen over het actuele kennisniveau, de operationele werkwijzen en/of de identiteit van menselijke bronnen, het belang van de staatsveiligheid raken en dus geheim dienen te blijven. Gezien de inhoud van de documenten en hetgeen daarover is vermeld door zowel het hoofd van de AIVD als de landelijk officier, is de rechtbank van oordeel dat de vijf aan de telastlegging gehechte documenten dergelijke inlichtingen en daarmee dus staatsgeheimen in de zin van artikel 98 Sr bevatten. Dat de informatie voor wat betreft 'het actueel kennisniveau' wellicht op enig moment deels verouderd is geworden en geheimhouding daarvan door het belang van de Staat niet meer werd geboden, doet aan dit oordeel niet af. Niet kan immers gezegd worden dat, gegeven de periode waaruit de BVD-documenten stammen, het staatsgeheime karakter van de identiteit van door de BVD/AIVD gebezigde menselijke bronnen was verdwenen en aangenomen moet worden dat dit (tot op zekere hoogte) ook geldt voor de werkwijzen van de BVD/AIVD.

97. De conclusie is derhalve dat de vijf aan de telastleggingen gehechte documenten zijn aan te merken als staatsgeheim.

Alternatieve scenario’s?

98. De officier van justitie gaat in zijn bewijsconstructie van het scenario dat: a) verdachte [verdachte A.] stukken uit zijn BVD-tijd (waaronder de vijf aan de telastlegging gevoegde documenten) thuis of op een andere plaats onrechtmatig onder zich had; en b) de verdachten [verdachte R.] en [verdachte Q.] deze stukken op enig moment hebben ontvreemd en vervolgens aan De Telegraaf ter beschikking gesteld.

99. De rechtbank zal eerst onderzoeken of een ander scenario aannemelijk is geworden. Zij heeft in de loop van het strafproces uitgebreid aandacht besteed aan mogelijk alternatieve scenario’s, niet omdat zij heeft willen meespelen in wat de officier van justitie enigszins badinerend heeft genoemd 'een nieuwe nationale sport voor advocaten' sinds de zaak van de Schiedammer parkmoord, maar omdat een zorgvuldige rechtspleging dit vereiste. Voor een uitgebreid onderzoek bestond te meer reden omdat de journalisten [M.] en [De H.], die weten van wie zij de betreffende documenten hebben ontvangen en waarschijnlijk ook hoe hun bron(nen) deze heeft/ hebben bemachtigd, hierover niet hebben willen verklaren met een (door de rechtbank gerespecteerd) beroep op hun recht op bronbescherming, waardoor de mogelijkheid tot waarheidsvinding en ook tot betwisting door de verdediging van het door de officier van justitie geschetste scenario feitelijk beperkter waren dan in het algemeen in het strafproces het geval is.

100. De rechtbank stelt vast dat er geen begin van aannemelijkheid is van de scenario’s waarin ervan wordt uitgegaan dat de getuigen [V.F.] en/of mevrouw [Ten B.] de beschikking hebben gehad over staatsgeheime documenten.

101. Evenmin is aannemelijk geworden dat een andere medewerker of ex-medewerker van de BVD/AIVD dan verdachte [verdachte A.] staatsgeheime documenten onrechtmatig onder zich heeft gehad. De rechtbank wijst in dit verband nog op een antwoord van het hoofd van de AIVD ten overstaan van de rechter-commissaris op een desbetreffende vraag van de verdediging: "natuurlijk zouden wij het hebben gemeld als wij serieuze aanwijzingen hadden dat er nog een ander lek was".

102. Bijzondere aandacht in dit strafproces is uitgegaan naar het mogelijke scenario waarin de journalist [Van H.] degene is geweest die staatsgeheime stukken heeft verstrekt aan De Telegraaf. Zoals hierboven reeds is vermeld, is dit scenario onderzocht naar aanleiding van het proces-verbaal van mr. Teeven d.d. 8 februari 2006, dat gebaseerd was op een telefonische mededeling aan hem door de oud-hoofdofficier van justitie van Amsterdam mr. Vrakking op 7 februari 2006. Mr. Teeven heeft de inhoud daarvan diezelfde dag doorgegeven aan de zaaksofficier van justitie, welke op zijn beurt de mogelijkheid van een doorzoeking in de woning van [Van H.] heeft besproken met de rechter-commissaris, de hoofdofficier van het landelijk parket en het College van procureurs-generaal.

103. De rechtbank komt tot de conclusie dat het onderzoek naar dit scenario geen enkele bevestiging voor de juistheid hiervan heeft opgeleverd maar wel duidelijke indicaties dat [Van H.] niet degene is geweest die de bewuste stukken aan De Telegraaf heeft verstrekt. De getuige [Van H.] heeft ontkend ooit enig stuk van de BVD of AIVD in zijn bezit te hebben gehad. De getuige [M.] heeft ter zitting verklaard dat hij de bewuste stukken heeft overhandigd gekregen door één niet door hem genoemd persoon en tevens dat hij [Van H.] nooit persoonlijk heeft ontmoet. De getuigen [Van den H.] en [L.], beiden genoemd als mogelijke bron van de mededeling die mr. Vrakking deed aan mr. Teeven, ontkennen met mr. Vrakking te hebben gesproken over BVD/ AIVD-stukken.

104. De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de verklaringen van mr. Teeven (eenmaal ten overstaan van de rechter-commissaris, tweemaal ter terechtzitting) over zijn telefoongesprek met mr. Vrakking op 7 februari 2006. Zij gaat er dan ook vanuit dat mr. Vrakking aan mr. Teeven de mededeling heeft gedaan welke is neergelegd in diens proces-verbaal van 8 februari 2006. Mr. Vrakking heeft dit ook niet ontkend, maar tevens verklaard hieraan geen enkele herinnering te hebben. Dit wekt bevreemding. Zoals hij ook zelf heeft verklaard, is wat hij aan mr. Teeven vertelde geen alledaagse kost en zou hij hebben moeten weten dat hij dit gesprek gevoerd had, als het gevoerd is. Ter zitting heeft mr. Vrakking ook nog verklaard dat het onderwerp Mink K. hem en mr. Teeven na aan het hart ligt waardoor niet aannemelijk is dat de betreffende aan mr. Teeven gedane mededeling een terloopse is geweest. Volgens mr. Teeven heeft mr. Vrakking hem bovendien uit zichzelf gezegd dat hij (Vrakking) niet zelf de zaaksofficier van justitie hieromtrent wilde inlichten. Kennelijk liet hij dit over aan mr. Teeven die de informatie begrijpelijkerwijs serieus nam. Ook de zaaksofficier van justitie nam vervolgens deze informatie serieus en overwoog een doorzoeking in de woning van [Van H.]. Mr. Teeven toonde zich als getuige ter zitting nog enigszins verbolgen dat het daarvan niet was gekomen.

105. Op 23 mei 2007 kon mr. Vrakking als getuige de rechtbank niet meer bieden dan een speculatieve reconstructie achteraf van het telefoongesprek met mr. Teeven, dat hij zich nog steeds niet kon herinneren, en een daaraan voorafgaande ontmoeting met de journalist [L.], waarover hij vaag bleef. Zijn reconstructie strookt bovendien op enkele punten niet met de duidelijke verklaringen van respectievelijk mr. Teeven en [L.]. De praktijk wijst uit dat een falend geheugen in de regel in de weg staat aan vervolging van een getuige ter zake van meineed. Dezelfde genade valt ten deel aan de getuige die een falend geheugen voorwendt.

106. Het voorgaande betekent uiteraard nog niet dat dit scenario zoals de officier van justitie dat heeft geschetst het juiste is. In het hierna volgende zal de rechtbank onderzoeken welk bewijs in het dossier voorhanden is voor dit scenario en dus de vraag beantwoorden of de aan verdachte telastgelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

[verdachte A.] bezat de set documenten met daarin staatsgeheimen

107. Zoals hierboven (zie onder 81) reeds is vermeld, staat voor de rechtbank vast dat de vijf aan de telastleggingen gehechte documenten deel uitmaken van de geschoonde set documenten welke de AIVD op 4 oktober 2006 heeft toegezonden aan de rechter-commissaris. Deze set is, uiteraard afgezien van de witgemaakte passages daarin, gelijk aan het pakket stukken dat de AIVD op 20 januari 2006 heeft ontvangen van De Telegraaf. De journalist [M.] heeft als getuige ter zitting verklaard dat hij deze stukken op één moment en als één pak heeft ontvangen van een door hem niet nader genoemde persoon. De vraag die nu allereerst voorligt is of deze stukken oorspronkelijk van de verdachte [verdachte A.] afkomstig zijn.

108. Verdachte is werkzaam geweest bij de Binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) van 1980 tot, de facto, eind 2000 (formeel ontslag in september 2001). Hij heeft verschillende functies bekleed, waaronder, in de periode 1992 tot 2000, de functie van 'operateur'. In die functie hield hij zich vooral bezig met het runnen van menselijke bronnen; hij voerde gesprekken met bronnen op alle niveaus van de samenleving. Als operateur heeft hij (onder meer) deel uitgemaakt van de teams 'Wapen' (vanaf de oprichting), 'Wapen I' en 'Mikado'. In die teams is er onderzoek gedaan naar Nederlandse netwerken die zich bezig hielden met internationale wapenhandel. Verdachte heeft zich daarbij met name gericht op de activiteiten van Mink [K.]. Naar zijn eigen zeggen stuitte men bij genoemd onderzoek op 'integriteitskwesties ten aanzien van politiemensen en officieren van justitie'. De informatie over die kwesties zou binnen de dienst zijn gebleven; er zat 'ruwe' en ook 'niet bevestigde' informatie bij.

109. Twee medewerkers van de AIVD, aangeduid als AIVD 1 en 4, hebben, kort nadat de AIVD de set documenten van De Telegraaf ontving, die set bij de dienst bekeken en voorts een verklaring afgelegd bij de Rijksrecherche. Later zijn beide AIVD-ers ook door de rechter-commissaris gehoord. Bij ambtsbericht d.d. 4 juni 2007 heeft de AIVD twee documenten ingebracht, afkomstig uit de set documenten zoals die zich bij de processtukken bevindt, welke bedoeld zouden zijn door AIVD 1 en 4 waar zij in hun verklaringen spreken over documenten met een bijzondere status. De documenten heeft de rechtbank in de set documenten aangetroffen achter het tabblad 'tele 17' respectievelijk 'tele 18' (deze documenten duidt de rechtbank hierna aan als document 17 respectievelijk 18). De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan ambtshalve besloten de AIVD-ers ter terechtzitting te horen. Deze verhoren hebben zich toegespitst op de documenten 17 en 18. Bij deze verhoren hebben de AIVD-ers de gehele set documenten in geschoonde en ongeschoonde versie ter beschikking gehad.

110. AIVD 1 heeft bij de Rijksrecherche en de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, die ter terechtzitting is herhaald en op onderdelen nader toegelicht. AIVD 1 heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Bij de set documenten die de AIVD op 20 januari 2006 van De Telegraaf had ontvangen, bevond zich een bijzonder, niet geregistreerd document in concept-vorm, met tikfouten, dat dateert uit de tweede helft van 1999. Dit was een verslag van een gesprek met de politie van zijn hand, met gevoelige informatie over misstanden in een organisatie. Dit document bewaarde hij in zijn kluiskast, waar hij als enige toegang toe had. Het is onder zijn beheer het gebouw van de BVD niet uitgeweest. Eén van de vier in het ambtsbericht genoemde medewerkers, AIVD 3, kan niet over dit document hebben beschikt, omdat deze medewerker in die periode inmiddels elders binnen de dienst werkzaam was. Behalve hijzelf, als opsteller van het document, kunnen verder, gezien hun functie binnen de BVD, alleen AIVD 4 en de verdachte [verdachte A.] over dit document hebben beschikt. Na het genoemde gesprek met de politie is er op enig moment alsnog een verslag van de hand van de politie over hetzelfde onderwerp bij de dienst ingekomen.

111. Voorts zou, aldus nog steeds deze getuige, gegeven de overige documenten die onderdeel van de set uitmaken, alleen [verdachte A.] over de gehele set hebben kunnen beschikken. Hij zat in het onderzoeksteam waar genoemd bijzonder document in beperkte kring aan de orde is geweest en zat in het onderzoeksteam waar de overige documenten aan de orde zijn geweest. De set bevatte documenten uit verschillende dossiers, die zagen op onderzoek naar Mink [K.]. Er zaten geen documenten in de set uit de tijd dat [verdachte A.] de dienst had verlaten. Zelf heeft AIVD 1 niet over alle overige documenten beschikt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de documenten waar een zogenaamd 'Mikado-stempel' op zit; de inhoud van die documenten kent hij wel voor zover ze oorspronkelijk uit het team 'Wapen' komen, maar hij kent die documenten niet met dit stempel erop. Ditzelfde zou volgens hem gelden voor AIVD 4. Door AIVD 1 is ter terechtzitting verklaard dat document 18 dateert van september 1999 en dat dit het gespreksverslag van zijn hand is, waarop hij in zijn eerdere verklaringen doelde.

112. AIVD 4 heeft bij de politie en de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, die ter terechtzitting is herhaald en op onderdelen nader toegelicht. AIVD 4 heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Hij heeft als medewerker niet de beschikking gehad over de gehele set documenten en heeft de documenten in deze vorm niet eerder bij elkaar gezien. Wel heeft hij kennis genomen van een document in concept-vorm, inhoudende een gespreksverslag van de hand van zijn toenmalig teamhoofd AIVD 1 van een gesprek waarbij politiemensen, AIVD 1 en hijzelf aanwezig waren. Het ging over mogelijke aantasting van de integriteit en mogelijke corruptie. Dit document maakte ook onderdeel uit van de set. Dit document heeft hij, toen hij deel uitmaakte van team 'Wapen', overhandigd gekregen van zijn teamhoofd en aan hem teruggegeven, zonder daarvan een kopie te hebben gemaakt. Dit document is niet geregistreerd en gerubriceerd, er is bij de AIVD geen digitale versie van beschikbaar en het was slechts bij een heel klein aantal mensen bekend. Het heeft een relatie met onderzoek 'Wapen'. [verdachte A.] heeft gewerkt aan het onderzoek waarover dit document relateert. Hij neemt aan dat [verdachte A.] het document ook heeft gezien. [verdachte A.] was aanwezig bij een gesprek over dit onderwerp tussen AIVD 1, [verdachte A.] en hemzelf. AIVD 3 heeft ook deel uitgemaakt van het onderzoek 'Wapen', maar niet meer in 1999, het jaar waarin dit document is opgemaakt. Overigens is er na het genoemde gesprek met de politie ook nog een verslag van de hand van de politie over hetzelfde onderwerp bij de dienst ingekomen. Voor de overige documenten geldt dat die met name het onderzoek 'Mikado' betreffen. De set documenten vormde in zoverre een logisch geheel dat het allemaal betrekking had op één bepaalde zaak, de zaak Mink [K.]. AIVD 4 heeft ter terechtzitting ook verklaard dat document 18 een gespreksverslag is, opgesteld door AIVD 1 over integriteitskwesties.

113. De rechtbank vindt in de verklaringen van AIVD 4 ten overstaan van de Rijksrecherche, de rechter-commissaris en de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien, bevestiging van de verklaring van AIVD 1 dat document 18 alleen in handen is geweest van hemzelf, AIVD 4 en [verdachte A.]. AIVD 1 heeft bovendien verklaard dat hij zijn exemplaar in februari 2006 heeft teruggevonden in zijn kluiskast. AIVD 4 heeft, zoals hierboven weergegeven, verklaard dat hij geen exemplaar van dit document in zijn bezit heeft gehad.

114. Over de vijf aan de telastlegging gehechte documenten heeft [verdachte A.] ter terechtzitting verklaard die documenten te herkennen uit zijn tijd bij de veiligheidsdienst: van document 3 en 4 (bijlage 5 en 6) is hij de auteur en ook de andere documenten (bijlagen 3, 4 en 7 t/m 11) heeft hij naar eigen zeggen onder ogen gehad.

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [verdachte A.], na raadpleging van de ongeschoonde versie van de set documenten, gesteld niet alle documenten uit de set te kennen. Daar staat het volgende tegenover. [verdachte A.] heeft toen ook verklaard onder meer in het team 'Wapen', 'Wapen I' en 'Mikado' te hebben gezeten. De rechtbank gaat er, gelet op de verklaringen van AIVD 1 en 4 en de functie van [verdachte A.] binnen de BVD - hij genoot functioneel groot vertrouwen - vanuit dat hij daarmee zonder meer over een groot deel van de zich in de set bevindende documenten heeft kunnen beschikken. De rechtbank benadrukt in dit verband dat zich in de set geen documenten bevinden uit de tijd dat [verdachte A.] niet meer werkzaam was bij de BVD.

Voorts heeft [verdachte A.] naar aanleiding van de verhoren van AIVD 1 en 4 ter terechtzitting verklaard dat hij document 18 "ongetwijfeld gelezen zal hebben en er een kopie van zal hebben gehad". [verdachte A.] heeft toen niet weersproken datgene wat door AIVD 1 en 4 is verklaard over de wijze van totstandkoming en de inhoud van document 18 en evenmin heeft hij weersproken dat van dit document alleen in zeer kleine kring - te weten AIVD 1, AIVD 4 en hijzelf - kennis is genomen.

115. Naar aanleiding van de aangifte door de AIVD en aanvullende ambtsberichten in deze zaak is er door de Rijksrecherche een analyse gemaakt van het telefoonverkeer dat heeft plaatsgevonden tussen de journalisten [M.] en [De H.] en derden, in de periode voorafgaand aan de publicatie van 21 januari 2006. Contactpersonen van [M.] en [De H.] bleken [verdachte R.], [verdachte Q.] en [verdachte P.].

116. [verdachte R.] heeft ten overstaan van de politie kort gezegd meermalen verklaard BVD-stukken bij [verdachte A.] te hebben aangetroffen. [verdachte R.] heeft, voor zover in dit verband relevant, samengevat het volgende verklaard.

Hij heeft in de eerste helft van 2005 samengewoond met [verdachte A.], in eers[adres 1]de [adres 1] en daarna op de [adres 2]. In de woning van [verdachte A.] aan de 2e Schuijtstraat en later aan de [adres 2] heeft hij documenten gezien waarvan hij vermoedde dat ze van de BVD of AIVD waren, de instantie waar [verdachte A.] vroeger had gewerkt. Hij zag ze voor het eerst toen hij op bezoek was bij [verdachte A.] op de [adres 1] in de zomer van 2004. Hij heeft toen een paar regels gelezen. Het betrof informatie over de criminele wereld. De documenten zaten in een geel/witte plastic tas met een stoffen koord. In september of oktober 2004 heeft [verdachte A.] hem gevraagd die tas voor hem te bewaren. [verdachte R.] woonde toen op de [adres 3]. In maart 2005 wilde [verdachte A.] die tas terughebben en heeft [verdachte R.] de tas teruggegeven. [verdachte R.] heeft de tas weer gezien toen hij met [verdachte A.] op de [adres 2] ging wonen; de tas was nog net zo gevuld als hij eerder had gezien. Toen hij ruzie kreeg met [verdachte A.], in de zomer van 2005, heeft hij gekeken in die tas en de inhoud er gedeeltelijk uitgenomen. Hij heeft toen "stukken, documenten" gezien. [verdachte R.] vervolgt: "Ik heb brieven gezien waarop de letters ST GEH getypt waren. Ik begreep dat deze letters stonden voor 'staatsgeheim'. Deze letters waren getypt, groter dan normaal. De letters stonden op wit A4-papier. Ik heb ook in bepaalde zinsneden de woorden BVD gelezen. Ik begreep dat deze documenten alles te maken hadden met de oude werkgever van [verdachte A.]. Ik herinner me nog een A4 waarop een soort van structuur was aangegeven. Ik zag afbeeldingen van poppetjes met daarbij namen. Deze poppetjes waren door lijntjes met elkaar verbonden. De tekst had naar mijn idee te maken met drugszaken". Het zou een flinke hoeveelheid documenten hebben betroffen, een stapeltje van ongeveer 15 cm hoog.

117. Naar aanleiding van deze verklaringen van [verdachte R.] merkt de rechtbank op dat de set documenten die zich bij de processtukken bevindt, een samenstel van A-viertjes betreft, met op een aantal documenten vermeld 'Stg geheim'. Een aantal documenten kent de afkorting 'BVD'. Ook zijn er documenten bij met daarop 'poppetjes', verbonden door lijnen, met daarbij (gewitte) namen.

118. [verdachte R.] heeft voorts verklaard dat hij zowel aan [verdachte Q.] als aan [verdachte S.] (een vriend van [verdachte R.] en een zakenpartner van [verdachte A.]) heeft meegedeeld dat [verdachte A.] documenten thuis had van (vermoedelijk) de BVD en dat hij daarmee naar de 'CID' wilde.

119. Volgens de verklaring van getuige [verdachte Q.], heeft [verdachte R.] hem inderdaad verteld dat [verdachte A.] stukken had uit zijn verleden bij de BVD. [verdachte Q.] wist van [verdachte A.] zelf dat hij bij de BVD had gewerkt. Die stapel stukken zouden naar [verdachte Q.] begrepen had in een gele tas met een koord hebben gezeten. [verdachte Q.] is naar eigen zeggen met dat verhaal over die stukken naar de CIE gegaan , hetgeen bevestigd wordt door getuige [verdachte P.], die ten overstaan van de Rijksrecherche heeft verteld te weten dat [verdachte Q.] in het najaar van 2005 aan de CIE zou hebben verteld dat [verdachte A.] nog papieren had van zijn vroegere werkgever de BVD.

120. Getuige [getuige U.], naar eigen zeggen een goede kennis van [verdachte A.], heeft ten overstaan van de Rijksrecherche verklaard van [verdachte A.] te hebben vernomen dat die voor de BVD had gewerkt; [verdachte A.] werkte daar niet meer toen [getuige U.] hem leerde kennen. Op de vraag van de Rijksrecherche "wat [verdachte A.] verder over de BVD heeft verteld", heeft [getuige U.] geantwoord dat hij ergens in 2003 of 2004 hoorde dat Paul in een café tegen iemand zei dat hij papieren van de BVD had meegenomen. "Omdat ik", aldus [getuige U.], "van Hans" (d.i. de broer van [verdachte A.]) "had gehoord wat de BVD voor iets was en ik [verdachte A.] had horen zeggen dat hij die papieren voor zijn eigen bescherming had meegenomen, dacht ik wel dat het belangrijke papieren waren". In januari 2006 zou [verdachte A.] hem de publicatie in De Telegraaf van 21 januari van dat jaar hebben laten zien en daarbij hebben gezegd: "Dat wist jij toch". Die publicatie heeft [getuige U.] verbonden met voornoemd gesprek in het café.

121. Nadat [verdachte A.] [getuige U.] middels zijn vriendin liet weten dat er een aantal 'onnauwkeurigheden' in zijn verhoor bij de Rijksrecherche zaten, heeft [getuige U.] ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij het woord 'papieren' bij de Rijksrecherche niet heeft gebezigd, maar daar heeft gesproken over 'iets' dat [verdachte A.] van de BVD zou hebben meegenomen en dat hij op de vraag van de recherche of dat papieren waren geweest, zou hebben geantwoord "dat dat kon, dat hij dat niet uitsloot". Er zou een taalprobleem zijn geweest. Voor zover de verdediging zich op die verklaring van [getuige U.] bij de rechter-commissaris beroept, overweegt de rechtbank het volgende. De opname van het verhoor door de Rijksrecherche afgenomen, is per ongeluk gewist. Beide verhorend rechercheurs hebben ten overstaan van de rechter-commissaris gemotiveerd verklaard dat er wat hen betreft geen taalprobleem was en dat [getuige U.] (in de herinnering van één der rechercheurs, die daarnaar is gevraagd) zelf over papieren is begonnen. De rechtbank gaat er, mede gezien de context waarover [getuige U.] (als hiervoor weergegeven) verklaart, vanuit dat hij het over papieren heeft gehad. Een andere redelijke invulling van het verder onbenoemde 'iets' dat [verdachte A.] van de BVD zou hebben meenomen, laat zich, zo dat al gezegd is, gegeven die context niet denken.

122. Verdachte [verdachte S.] heeft op 5 mei 2006 een telefoongesprek gevoerd met zijn vriendin Hetty. In dit gesprek heeft hij tegen haar gezegd: "Paul H is opgepakt (…) Paul [verdachte A.] ja in verband eh hij heb ik wist dat ie papieren hadde van Mink K (…) hij heb vroeger bij de inlichtingendienst gezeten natuurlijk". De rechtbank verstaat dat [verdachte S.] daarmee bedoelt dat ook hij, zoals verdachte [verdachte R.] heeft verklaard, van [verdachte R.] had gehoord dat [verdachte A.] papieren had van de inlichtingendienst over Mink K.

123. Op grond van dit één en ander, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte A.] documenten uit zijn voormalige BVD-tijd onder zich heeft gehad en gehouden, onder meer bevattende of op z’n minst gelijk aan de set documenten die door De Telegraaf aan de AIVD is overhandigd, dus inclusief de vijf documenten waarop de telastlegging is toegesneden. Anders gezegd: naar het oordeel van de rechtbank kan de set documenten waarover De Telegraaf de beschikking had, oorspronkelijk niet van een ander dan [verdachte A.] afkomstig zijn. De rechtbank trekt die conclusie hoofdzakelijk op basis van i) de verklaringen van AIVD 1 en 4 over document 18 en ii) de verklaringen van getuigen die, onafhankelijk van elkaar, meedelen dat [verdachte A.] BVD-documenten onder zich had, waarbij getuige [verdachte R.] bij [verdachte A.] thuis dit soort documenten in handen heeft gehad en bekeken.

124. De rechtbank acht dan ook het onder 1 aan verdachte [verdachte A.] telastgelegde (bemachtiging van staatsgeheimen) wettig en overtuigend bewezen.

Vrijspraak [verdachte A.] ten aanzien van 2 primair en subsidiair telastgelegde (openbaarmaking dan wel ter beschikking stellen van staatsgeheime documenten aan Mink [K.])

125. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 telastgelegde - het verstrekken van staatsgeheime documenten aan [K.] (verder: [K.]) - heeft begaan. Zij overweegt daartoe het volgende.

126. Aanleiding tot dit door de officier van justitie aan verdachte gemaakte ernstige strafrechtelijk verwijt zijn de publicaties van De Telegraaf d.d. 5 en 6 mei 2006, waarin met zoveel woorden wordt gesteld dat [verdachte A.] staatsgeheime documenten heeft geleverd aan [K.]. In een daarop volgend krantenbericht van De Telegraaf d.d. 6 mei 2006 wordt vermeld dat [verdachte A.] middels 'liefdesbrieven' correspondeerde met [K.] en zo staatsgeheime informatie deelde. De krantenberichten en ook de 'liefdesbrieven', de zogeheten 'Barbertje- en Miranda-brieven', bevinden zich bij de stukken.

127. De rechtbank stelt voorop, onder verwijzing naar de overweging naar aanleiding van het bewijsverweer hieromtrent (zie onder 78) dat de krantenartikelen op zichzelf bewijsmiddelen in de zin van de wet zijn, te weten schriftelijke bescheiden in de zin van artikel 344 lid 1 sub 5 Sv, die overigens alleen 'kunnen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen'. Uit de set documenten zelf, zoals die de rechtbank ter beschikking staan, blijkt echter op geen enkele wijze dat die ter beschikking zijn gesteld aan [K.]. Aan de Telegraaf-journalisten is daarom ter terechtzitting gevraagd op grond waarvan zij tot de bewering in de krant zijn gekomen als onder 126 vermeld. Zij hebben daarover, met een beroep op bronbescherming, geen duidelijkheid verschaft.

128. Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is wel aannemelijk geworden dat [K.] over informatie beschikt(e), die om het eufemistisch uit te drukken, niet voor hem bestemd is (was). [K.] spreekt in zich bij de stukken bevindende verslagen van zogeheten 'OVC-gesprekken' (Opnemen Vertrouwelijke Communicatie), gevoerd d.d. 26 april en 6 september 2004 tussen Mink K. en zijn vriendin, over "analyses die hij kan laten lezen", "kwalificaties die ze aan (hem) toedichten", dat "ze een bijnaam voor zijn vriendin hebben", dat er "een hele operatie" aan haar gewijd is, dat "ze (haar) telefoon hebben getapt en (haar) hebben gevolgd" en dat "we daar geld voor nodig hebben voor wat ie allemaal voor hem, [K.], te lezen heeft". Dit wijst erop dat [K.] over informatie van diensten beschikte en kon beschikken waarvoor hij geld moest betalen, maar niet kan daaruit worden afgeleid dat het BVD-informatie betrof (het zou ook informatie afkomstig uit een politie-onderzoek kunnen zijn) en evenmin blijkt van wie [K.] die informatie betrok.

129. Volgens de verklaring van getuige [getuige Z.] ter terechtzitting d.d. 10 april 2006 zou [K.] BVD-documenten ter beschikking hebben gesteld aan [W.E.], die [getuige Z.] (éénmaal) heeft ingezien, en op verzoek (en bij betaling) aan andere BVD-informatie kunnen komen. Als op grond van de verklaring van [getuige Z.] aangenomen kan worden dat [K.] over BVD-documenten beschikte, is echter - [getuige Z.] is daarnaar gevraagd - evenmin bekend hoe [K.] aan die documenten kwam. Onderzoek naar de Telegraaf-documenten naar aanleiding van de beschrijving die [getuige Z.] had gegeven van de stukken die hij bij [W.E.] had gezien, heeft er niet toe geleid dat vastgesteld kan worden dat [getuige Z.] één van deze documenten onder ogen heeft gehad.

130. De officier van justitie heeft bij requisitoir een beroep gedaan op de 'Barbertje en Miranda-brieven', correspondentie tussen ene Barbertje en ene Miranda. Telegraaf-journalist [M.] heeft verklaard de brieven te hebben ontvangen tezamen met de set documenten waarop de onderhavige zaak betrekking heeft. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de brieven in feite correspondentie tussen [verdachte A.] en [K.] bevatten, onder de pseudoniemen Barbertje en Miranda. Vast staat dat verdachte in dienst van de BVD jarenlang onderzoek heeft gedaan naar [K.]. Maar verdachte, die ontkent ooit onmiddellijk dan wel middellijk contact te hebben gehad met [K.], anders dan als operateur en dan alleen middellijk, stelt deze brieven nooit gezien te hebben. Ook [K.], die door de rechter-commissaris hierover is gehoord , ontkent iets met die brieven te maken te hebben en zegt verdachte in het geheel niet te kennen.

131. Voorts, en ook daar beroept de officier van justitie zich op, zijn bij verdachte thuis pleitaantekeningen aangetroffen, verstopt in een platenhoes, die zien op een strafzaak van [K.], van de hand van de advocaat van [K.], mr. Van der Plas. Vast staat dat verdachte in dienst van de BVD jarenlang onderzoek heeft gedaan naar [K.]. Gebleken is dat verdachte in het najaar van 2005 een gesprek heeft gehad met mr. Van der Plas over onder meer Mink [K.]. Over het hoe en waarom van dit contact met mr. Van der Plas heeft verdachte wisselende en overigens volstrekt ongeloofwaardige verklaringen afgelegd. Zijn verklaring over de pleitaantekeningen in de platenhoes was eveneens niet plausibel, maar bewijs voor de beschuldiging zoals de officier van justitie die heeft geuit, ontleent de rechtbank hier niet aan.

132. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte documenten aan [K.] heeft verstrekt en - fictief - als hij al documenten aan [K.] heeft verstrekt, blijkt niet dat dat BVD-documenten zouden zijn, laat staan dat bewezen zou kunnen worden - en dat vereist de telastlegging wel - dat verdachte specifiek de vijf aan de telastlegging gehechte BVD-documenten aan [K.] heeft verstrekt. De rechtbank spreekt verdachte van het onder 2 telastgelegde feit vrij.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de gewijzigde dagvaarding onder 1 telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B1.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafoverweging.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte stukken houdende staatsgeheime informatie onder zich had zonder daartoe gerechtigd te zijn. Verdachte kende, gezien zijn eerdere functies binnen de BVD, als geen ander het belang van absolute geheimhouding van staatsgeheimen. Desalniettemin heeft verdachte staatsgeheimen buiten het gebouw van de BVD gebracht en die, nadat zijn arbeidsverhouding met de BVD reeds beëindigd was, onder zich gehouden. Hij heeft dat gedaan, zo verklaren onder meer de getuigen [getuige U.] en [verdachte R.], ter bescherming van zichzelf en dus, zo begrijpt de rechtbank, met de intentie die stukken ten eigen bate aan te wenden indien nodig. Nog afgezien daarvan heeft verdachte met het onder zich houden van deze stukken het risico genomen dat staatsgeheimen in handen van derden zouden vallen. Verdachte heeft hiermee onder meer, gelet op de inhoud van deze staatsgeheimen, 'bronnen' en dus mensenlevens (potentieel) in gevaar gebracht.

Met het plegen van dit strafbare feit heeft verdachte het vertrouwen dat de BVD/AIVD in hem als (ex-)werknemer mocht hebben, beschaamd. Bovendien heeft hij het vertrouwen dat de maatschappij in veiligheids- en inlichtingendiensten moet kunnen hebben geschaad.

De officier van justitie heeft vijf jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist, echter mede op grond van het door hem aan verdachte verweten verstrekken van staatsgeheimen aan Mink [K.]. Voor het geval de rechtbank verdachte hiervan zou vrijspreken, is een gevangenisstraf van drie jaar naar het oordeel van de officier van justitie passend. De rechtbank acht het verwijt van het verstrekken van staatsgeheimen aan Mink [K.] aanzienlijk zwaarder dan de bemachtiging van staatsgeheimen zoals bewezen verklaard. De rechtbank zal daarom verdachte tot een lagere gevangenisstraf veroordelen dan de drie jaar welke de officier van justitie heeft genoemd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 mei 2006 waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens strafbare feiten - overtredingen van de Wegenverkeerswet en het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens - transacties aangeboden heeft gekregen, doch niet eerder is veroordeeld ter zake van een feit soortgelijk aan het onderhavige.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een Voorlichtingsrapport d.d. 19 juli 2006 betreffende verdachte.

De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op het artikel 98c van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 2 primair en 2 subsidiair telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

OPZETTELIJK GEGEVENS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 98, ZONDER DAARTOE GERECHTIGD TE ZIJN, ONDER ZICH NEMEN EN HOUDEN;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van TWEE JAAR;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 4 mei 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 10 mei 2006,

in vrijheid gesteld op: 20 oktober 2006;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Ferenschild en Schreuder, rechters,

in tegenwoordigheid van Van den Bosch en mr Van der Sar, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2007


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature