< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het hof is van oordeel dat het verweer van [geintimeerde] enerzijds ondeugdelijk is gebleken (zie rov. 4.8., 4.9. en 4.10.) en voor het overige niet is gemotiveerd, niet is geconcretiseerd en niet deugdelijk is onderbouwd. Dat laatste spreekt te meer, nu [geintimeerde] bij memorie van antoord eerst stelt dat uit de bij die memorie overgelegde bescheiden blijkt dat geen der werknemers tenminste 26 weken werkzaam is geweest bij [geintimeerde] en vervolgens bij pleidooi stelt dat uit bedoelde bescheiden blijkt dat in 2004 een 14-tal uitzendkrachten aan die eis voldoet zonder evenwel te motiveren waarom ten aanzien van de overige werknemers niet aan de 26 weken-eis is voldaan. Voorzover het onder rov. 4.10.2. vermelde “één-jaar criterium” als motivering dient, is die motivering ondeugdelijk.

Uitspraak



typ. MST

zaaknr. HD 103.004.269

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 22 juli 2008,

gewezen in de zaak van:

STICHTING PENSIOENFONDS VOOR PERSONEELSDIENSTEN, voorheen genaamd STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR LANGDURIGE UITZENDKRACHTEN,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 24 oktober 2006,

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen

SERVICEBEDRIJF [X.] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, gewezen vonnis van 2 augustus 2006 tussen appellante – het pensioenfonds - als geopposeerde en geïntimeerde - [X.] - als opposante.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 192515 CV EXPL 05- 1512)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 8 februari 2006.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft het pensioenfonds onder overlegging van elf producties vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, tot afwijzing van de verzetvordering van [geintimeerde] en tot terugbetaling door [geintimeerde] van het door het pensioenfonds ter uitvoering van dat vonnis betaalde bedrag van

€ 1.013,93, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 juni 2006.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] onder overlegging van producties de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna hun standpunten doen bepleiten ter terechtzitting van dit hof van 26 mei 2008, zulks aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.

2.4. Partijen hebben vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van het pensioenfonds strekken ten betoge dat de kantonrechter de verzetsvordering van [geintimeerde] ten onrechte heeft toegewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Bij besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken Werkgelegenheid van 19 december 2003, in werking getreden op 1 januari 2004, is op grond van artikel 2, eerste lid van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (verder: Wet Bpf) de deelneming in het pensioenfonds verplicht gesteld voor uitzendkrachten die

“1. (i) zowel tenminste in 26 weken werkzaam zijn geweest voor één uitzendonderneming, als

(ii) 21 jaar of ouder zijn (te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarop hun 21ste verjaardag valt).

Voorts is in dit besluit bepaald:

“2. Voor de toepassing van het in deze definitie genoemde onder punt 1 onder (i) behoeven uitzendkrachten, die, na voldaan te hebben aan de referte-eis, bedoeld in punt 1 onder (i), veranderen van werkgever maar werkzaam blijven binnen het bereik van de verplichtstelling als bedoeld in punt 1, niet opnieuw te voldoen aan de referte-eis, maar blijven deelnemer, tenzij sprake is van een onderbreking tussen twee uitzendovereenkomsten van een jaar of langer.

3. Voor de toepassing van het in deze definitie genoemde in punt 1 onder (i), wordt de telling van de termijn waarin de uitzendkracht tenminste in 26 weken voor één uitzendonderneming uitzendarbeid verricht, geacht te zijn aangevangen 26 weken voor de inwerkingtreding van de verplichtstelling (derhalve: 1 juli 2003, toevoeging hof). (prod. 1 mvg).

b. [geintimeerde] exploiteert een uitzendonderneming als bedoeld onder a. en is derhalve op grond van de Wet Bpf verplicht tot betaling van de premies die zij voor haar werknemers op grond van hun verplichte deelneming in het pensioenfonds verschuldigd is.

c. Het pensioenfonds heeft in juni en augustus 2004 vier premienota’s aan [geintimeerde] toegezonden tot een totaalbedrag van € 7.586,61 terzake van door [geintimeerde] te betalen pensioenpremies. Deze pensioenpremies had het pensioenfonds vastgesteld aan de hand van gegevens omtrent werknemers en loonsommen die [geintimeerde] aan het pensioenfonds had opgegeven. De pensioenpremies hebben betrekking op de dagen in 2004, die zijn vermeld in de notaspecificaties, overgelegd als productie 3 bij de verzetdagvaarding. [geintimeerde] heeft deze premienota’s niet voldaan.

d. Ter inning van de premies heeft het pensioenfonds een dwangbevel d.d. 4 maart 2005 uitgevaardigd en aan [geintimeerde] op 9 maart 2005 doen betekenen. Daarbij is tevens een verhoging in rekening gebracht van € 1.354,21 en wettelijke rente wegens te late betaling (prod. 1 en 2 verzetdagvaarding).

e. Bij dagvaarding d.d. 7 april 2005 is [geintimeerde] in verzet gekomen tegen voormeld dwangbevel.

4.2. [geintimeerde] heeft gevorderd dat de kantonrechter haar ontheft van de verplichting tot betaling van het bedrag van

€ 8.940,82 (€ 7.586,61 + € 1.354,21) ingevolge voormeld dwangbevel.

4.3. Bij vonnis van 2 augustus 2006 heeft de kantonrechter de vordering toegewezen.

4.4. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [geintimeerde] een lijst in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat geen van de werknemers waarop de premienota’s van het pensioenfonds betrekking hebben voldoen aan de hierboven onder 4.1. sub a. vermelde 26 wekeneis. Het hof gaat ervan uit dat de kantonrechter met de door hem genoemde lijst bedoelt de lijst met werknemers die [geintimeerde] bij repliek heeft overgelegd (prod. 4), waarop de werknemers zijn vermeld die zijn opgenomen in bovengenoemde notaspecificaties, en waarop [geintimeerde] heeft vermeld wie van hen in Nederland, dan wel in Duitsland of België werkzaam is geweest.

4.5. In grief I stelt het pensioenfonds onder meer dat uit de bedoelde lijst niet kan worden afgeleid of aan de 26 weken-eis is voldaan, aangezien in die lijst slechts het begin en het eind van een premietijdvak is aangegeven en niet de datum van indiensttreding.

4.6. Grief I is gegrond. Uit de genoemde lijst blijkt niet de datum van indiensttreding, zodat uit die lijst niet kan worden afgeleid of met betrekking tot de werknemers waarop de premienota’s betrekking hebben al dan niet aan de 26 weken-eis is voldaan.

4.7. Nu grief I gegrond is moet het hof opnieuw oordelen omtrent de verzetvordering van [geintimeerde].

4.8. [geintimeerde] heeft in eerste aanleg vooreerst het standpunt ingenomen dat zij de premienota’s niet verschuldigd is omdat deze betrekking hebben op werknemers die in Duitsland of België wonen en die in het buitenland te werk gesteld zijn geweest. Volgens [geintimeerde] is zij voor dergelijke werkemers geen pensioenpremies in Nederland verschuldigd.

4.8.1. Nadat het pensioenfonds dit standpunt van [geintimeerde] gemotiveerd had bestreden (cva punt 6 en 10), heeft [geintimeerde] bij conclusie van repliek haar standpunt weliswaar gehandhaafd, doch in geen enkel opzicht haar standpunt gemotiveerd en/of onderbouwd. In hoger beroep komt [geintimeerde] op dit onderwerp ook niet meer terug.

4.8.2. Nu [geintimeerde] haar stelling op dit punt niet heeft onderbouwd verwerpt het hof de stelling zodat daarin geen grond kan worden gevonden [geintimeerde] te ontheffen van haar betalingsverplichting.

4.9. [geintimeerde] heeft voorts gesteld (cvr pag. 2) dat geen van de werknemers waarop de premienota’s betrekking hebben 26 weken voor [geintimeerde] heeft gewerkt, daarbij wijzend op de hierboven onder 4.4. genoemde lijst.

Omdat echter, zoals vermeld, uit die lijst niet kan worden afgeleid of al dan niet aan de 26 weken-eis is voldaan, vormt die lijst geen deugdelijke onderbouwing van deze stelling van [geintimeerde].

4.9.1. In hoger beroep is bovendien komen vast te staan dat voormelde stelling van [geintimeerde] onjuist is, aangezien [geintimeerde] bij pleidooi heeft erkend dat een 14-tal uitzendkrachten voldoen aan de “26 weken-eis in 2004 en 21 jaar”.

Op grond van deze vaststelling erkent [geintimeerde] thans een bedrag van € 3.266,49 aan het pensioenfonds verschuldigd te zijn.

4.10. Nu [geintimeerde] zich in hoger beroep op het standpunt stelt dat hetgeen het pensioenfonds meer vordert dan voormeld bedrag van € 3.266,49, moet worden afgewezen, begrijpt het hof dat [geintimeerde] ten aanzien van het niet-erkende deel van de werknemers haar standpunt handhaaft dat niet voldaan is aan de 26 weken-eis.

4.10.1. Dat standpunt baseert [geintimeerde] thans (pleitnotities pag. 1) op de stelling dat er slechts sprake is van een verplichting tot betaling van pensioenpremies “indien de uitzendkracht 21 jaar oud is en 26 weken bij 1 uitzendonderneming in 1 jaar, in casu 2004, gewerkt heeft (zie conclusie van dupliek in oppositie van BPF).” Op deze stelling is ook de onder 4.9.1. vermelde erkenning gebaseerd. Die erkenning is dan ook beperkt tot personen ten aanzien van wie in 2004 aan de 26-wekeneis is voldaan.

4.10.2. De onder 4.10.1. vermelde stelling van [geintimeerde] moet worden verworpen.

Het pensioenfonds heeft bij conclusie van dupliek (pag. 2) weliswaar gesteld dat haar pensioenregeling geldt voor alle uitzendkrachten “van 21 jaar of ouder die in (opge¬teld) 26 weken in één jaar voor één uitzendbureau hebben gewerkt”, maar het pensioenfonds heeft ten pleidooie in hoger beroep gesteld dat de vermelding “in één jaar” op een vergissing berust. Het hof is oordeel dat hier inderdaad sprake moet zijn van een vergissing nu het criterium “in één jaar” niet in het verplicht- stellingsbesluit is opgenomen. Ook voor [geintimeerde] was dit kenbaar, reeds daarom omdat het pensioenfonds genoemd besluit als productie 1 bij memorie van grieven heeft overgelegd. Voor de 26 weken-eis geldt dus niet de beperking dat dit aantal weken binnen een tijdvak van één jaar moet zijn voltooid.

4.11. Het hof overweegt voor het overige nog het volgende.

4.11.1. Aangezien niet het pensioenfonds, maar [geintimeerde] over de gegevens beschikt aan de hand waarvan kan worden vast¬gesteld of aan de 26 weken-eis is voldaan ten aanzien van de werknemers van wie [geintimeerde] de gegevens heeft doorgegeven aan het pensioenfonds ter vaststelling van de pensioenpremies, dient [geintimeerde] aan het pensioenfonds de daartoe noodzakelijke gegevens te verschaffen en deze deugdelijk toe te lichten. Bij gebreke daarvan mag het pensioenfonds ervan uitgaan dat aan de 26 weken-eis is voldaan.

4.11.2. Het pensioenfonds heeft onweersproken gesteld (cva punt 4) dat [geintimeerde] voor het eerst in de verzetdagvaarding heeft gesteld dat zij de premienota’s niet verschuldigd is. In eerste aanleg heeft [geintimeerde] het pensioenfonds echter niet de gegevens verschaft, laat staan deze toegelicht, aan de hand waarvan het pensioenfonds heeft kunnen vaststellen of en inhoeverre bedoelde premienota’s ten onrechte waren vastgesteld omdat niet aan meergenoemde 26 weken-eis was voldaan.

4.11.3. In hoger beroep heeft [geintimeerde] uiteindelijk bij me¬morie van antwoord wel gegevens verschaft en medegedeeld (verweer grief III) dat daaruit blijkt dat “geen der werk¬nemers tenminste 26 weken werkzaam is geweest bij geintimeerde”.

4.12. Naar aanleiding hiervan heeft het pensioenfonds zich ten pleidooie in hoger beroep op het standpunt gesteld

a. dat [geintimeerde] hiermee opnieuw tracht het pensioenfonds en de rechter op het verkeerde been te zetten; het pensioenfonds heeft dit toegelicht aan de hand van een aantal voorbeelden met het betoog dat aan de 26 weken-eis wel degelijk is voldaan.

b. dat [geintimeerde] stelselmatig onvolledige informatie verschaft en feiten achterhoudt die voor de beslissing van belang zijn, en daardoor artikel 21 Rv heeft geschonden.

4.13. Het hof is van oordeel dat het verweer van [geintimeerde] enerzijds ondeugdelijk is gebleken (zie rov. 4.8., 4.9. en 4.10.) en voor het overige niet is gemotiveerd, niet is geconcretiseerd en niet deugdelijk is onderbouwd. Dat laatste spreekt te meer, nu [geintimeerde] bij memorie van antoord eerst stelt dat uit de bij die memorie overgelegde bescheiden blijkt dat geen der werknemers tenminste 26 weken werkzaam is geweest bij [geintimeerde] en vervolgens bij pleidooi stelt dat uit bedoelde bescheiden blijkt dat in 2004 een 14-tal uitzendkrachten aan die eis voldoet zonder evenwel te motiveren waarom ten aanzien van de overige werknemers niet aan de 26 weken-eis is voldaan. Voorzover het onder rov. 4.10.2. vermelde “één-jaar criterium” als motivering dient, is die motivering ondeugdelijk.

4.14. Op bovenstaande gronden moet de verzetvordering van [geintimeerde] worden afgewezen.

4.15. Het beroepen vonnis moet daarom worden vernietigd en [geintimeerde] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

4.16. De vordering van het pensioenfonds tot terugbetaling van het bedrag van € 1.013,93 zal het hof toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 augustus 2006, en niet vanaf 8 juni 2006, zoals gevorderd. Op 8 juni 2006 was het vonnis waarvan beroep nog niet gewezen en [geintimeerde] heeft onweersproken gesteld dat pas op 10 augustus 2006 voormeld bedrag op de derdenrekening van haar raadsman is ontvangen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis d.d. 2 augustus 2006, waarvan be¬roep;

wijst de vordering van [geintimeerde] af;

veroordeelt [geintimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van het pensioenfonds worden begroot op € 192,- aan verschotten en € 750,- aan salaris procureur in eerste aanleg en op € 332,87 aan verschotten en € 1.896,- aan salaris procureur voor het hoger beroep;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Waaijers en Heidinga en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 juli 2008.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature